RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 januari 2026 in de zaak tussen
[eiseres] B.V., uit [plaats] , eiseres
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/5080
(gemachtigde: R. Brandse),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder.
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over het beroep van eiseres omdat verweerder niet op tijd heeft beslist op haar verzoek om herbeoordeling van de heer [A] zijn arbeidsongeschiktheid op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA).
Overwegingen
1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is.
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaar kan de
betrokkene daartegen in beroep gaan. Wel moet de betrokkene dan eerst een ‘ingebrekestelling’ aan het bestuursorgaan sturen. Dat wil zeggen dat de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan moet laten weten dat er binnen twee weken alsnog beslist moet worden op haar bezwaar. Dit staat (onder andere) in de artikelen 6:2, 6:12 en 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3. Eiseres heeft haar aanvraag ingediend op 28 maart 2024. Het gaat hier om een melding
wijziging gezondheid van de (ex-)werknemer van eiseres. Dit is een aanvraag waarop verweerder een besluit dient te nemen. Verweerder heeft bij de brief van 26 september 2025 een verweerschrift ingediend. De rechtbank stelt vast dat eiseres verweerder in gebreke heeft gesteld. De ingebrekestelling is op 3 februari 2025 door verweerder ontvangen en sindsdien zijn twee weken verstreken.
4. Verweerder geeft in zijn verweerschrift aan dat het beroep van eiseres ongegrond, dan
wel niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Reden hiervoor is dat hij op 15 april 2024 een beslissing heeft genomen.
5. Op 1 december 2025 heeft verweerder een aanvullend verweerschrift ingediend. Hierin
geeft hij aan dat eiseres niet de indiener van de aanvraag van 28 maart 2024 is en daarom niet in gebreke kan stellen, hetgeen nodig is voor een beroep niet tijdig beslissen.
6. De rechtbank stelt vast dat het besluit van 15 april 2024 geen besluit op de aanvraag
van eiseres is, maar een besluit op een separate ziekmelding.
7. De rechtbank is van oordeel dat een ingebrekestelling en een beroep niet tijdig
beslissen door elke belanghebbende kan worden ingediend. Aangezien eiseres belanghebbende zal zijn bij het besluit dat door verweerder zal worden genomen op de aanvraag van werknemer, is eiseres ook belanghebbende bij het niet tijdig nemen van dat besluit.
8. Omdat verweerder nog geen besluit heeft genomen bepaalt de rechtbank dat
verweerder dit alsnog moet doen. Het wettelijke uitgangspunt is op grond van het bepaalde in artikel 8:55d, eerste lid van de Awb een termijn van twee weken. In bijzondere gevallen kan de rechtbank een andere termijn bepalen of een andere voorziening treffen. Het is vaste rechtspraak dat die andere termijn niet onnodig lang, maar ook niet onrealistisch kort moet zijn.
9. De rechtbank is er ambtshalve mee bekend dat verweerder door een tekort aan
verzekeringsartsen grote achterstanden heeft bij de afhandeling van aanvragen en bezwaarschriften. De rechtbank ziet hier aanleiding in om de beslistermijn vast te stellen op vier maanden. De rechtbank sluit hiervoor aan bij haar uitspraak van de meervoudige kamer van 9 januari 2025. De rechtbank ziet geen aanleiding om in dit geval af te wijken van deze termijn. Dit betekent dat verweerder binnen vier maanden na het verzenden van deze uitspraak een beslissing moet nemen.
10. De rechtbank bepaalt dat verweerder een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke
dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door verweerder. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000, -.
Conclusie
11. Het beroep is gegrond. Verweerder moet binnen een termijn van vier maanden na
verzending van deze uitspraak een beslissing nemen op de aanvraag van eiseres.
12. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiseres een vergoeding voor de proceskosten die zij
heeft gemaakt. Verweerder moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 1 punt op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,-), bij een wegingsfactor 0,5. Toegekend wordt € 467,-.
13. Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht van € 385,- aan
eiseres betalen.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
- draagt verweerder op binnen vier maanden na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken;
- bepaalt dat verweerder aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000, -;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 385,- dat eiseres heeft betaald moet betalen;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 467,- aan proceskosten. Verweerder moet
dit bedrag betalen aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stijnen, rechter, in aanwezigheid van I. van Ittersum, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 19 januari 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: