RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 augustus 2026 in de zaak tussen
[verzoeker] , uit ‘ [plaats] , verzoeker,
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/5712
en
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten & hoogheemraadschap Utrecht, verweerder.
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over het verzoek van verzoeker om vergoeding van zijn proceskosten.
Verweerder heeft niet gereageerd op dit verzoek.
Overwegingen
1. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.
2. Verweerder heeft op 12 mei 2026 een beslissing op bezwaar genomen. Verzoeker is hiertegen in beroep gegaan. Op 2 juli 2026 heeft verweerder medegedeeld dat de onderhavige in geschil zijnde naheffingsaanslag parkeerbelasting is vernietigd. Verweerder heeft dus gedaan wat verzoeker wilde. Verzoeker heeft daarna het beroep ingetrokken en een vergoeding gevraagd voor zijn proceskosten. Verzoeker heeft alleen een vergoeding gevraagd van € 54,- aan verschotten.
3. De rechtbank kan een partij de proceskosten van de tegenpartij laten betalen (artikel 8:75 en 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb)).
4. De rechtbank overweegt dat verzoeker alleen een vergoeding heeft gevraagd van € 54,- aan verschotten voor het betaalde griffierecht. De rechtbank overweegt dat op grond van artikel 1, aanhef en onder e, van het Bpb onder verschotten worden verstaan uittreksels uit de openbare registers, telegrammen, internationale telexen, internationale telefaxen en internationale telefoongesprekken. De rechtbank is van oordeel dat de door verzoeker gestelde kosten van het griffierecht niet valt onder die categorie.
5. Alleen de kosten die zijn opgenomen in artikel 1 van het Bpb kunnen worden vergoed. Omdat niet is gebleken dat kosten zijn gemaakt zoals bedoeld in artikel 1, aanhef en onder e van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) of van andere kosten die zijn opgenomen in artikel 1 van het Bpb, zijn er geen kosten die voor vergoeding in aanmerking komen.
6. De rechtbank wijst het verzoek als kennelijk ongegrond af.
7. Uit het bepaalde in artikel 8:41, zevende lid, van de Awb volgt dat verweerder verplicht is het door verzoeker betaalde griffierecht te vergoeden. Omdat dit rechtstreeks uit de wet volgt, hoeft verweerder hier niet toe veroordeeld te worden. Verzoeker zal zich hiervoor dan ook tot verweerder moeten wenden.
Beslissing
De rechtbank wijst het verzoek af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stijnen, rechter, in aanwezigheid van
J.M.J. Kooistra, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 augustus 2026.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.