RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Strafrecht
Zittingsplaats Utrecht
Parketnummer: 16.328145.24; 16-268930-22 (tul) (P)
Vonnis van de meervoudige kamer van 20 februari 2026
in de strafzaak tegen
[verdachte]
geboren op [2007] te [geboorteplaats]
wonende aan de [adres] te [woonplaats] hierna te noemen: de verdachte
1. ONDERZOEK TER TERECHTZITTING
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting achter gesloten deuren op 6 februari 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. R. Craenen en van hetgeen de verdachte en zijn raadsvrouw, mr. R.J. Jager, advocaat te Utrecht, naar voren hebben gebracht.
2. TENLASTELEGGING
De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:
feit 1 op 1 juli 2024 in Hilversum, samen met anderen, geprobeerd heeft [A] en een onbekend gebleven persoon van het leven te beroven door met een (scherpschietend) vuurwapen op een rijdend voertuig van een nog onbekend gebleven persoon te schieten en op de woning van die [A] te schieten, dan wel (subsidiair) geprobeerd heeft [A] en een onbekend gebleven persoon zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, dan wel (meer subsidiair) [A] en een onbekend gebleven persoon heeft bedreigd;
feit 2 op 1 juli 2024 in Hilversum een vuurwapen van een onbekend merk en type voorhanden heeft gehad;
feit 3 op 1 juli 2024 in Hilversum, samen met anderen, een raam van [A] heeft vernield.
3. VRIJSPRAAK
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt dat de verdachte partieel moet worden vrijgesproken van feit 1 primair. Het kan namelijk niet worden bewezen dat de verdachte heeft geprobeerd om [A] van het leven te beroven of zwaar te mishandelen. Het overige onder feit 1 primair ten laste gelegde kan wel worden bewezen. Ook feiten 2 en 3 kunnen volgens de officier van justitie worden bewezen. De standpunten van de officier van justitie worden – voor zover van belang – besproken onder 3.3.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw bepleit vrijspraak van alle feiten.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat niet kan worden bewezen dat de verdachte de aan hem ten laste gelegde feiten heeft gepleegd en zal daarom de verdachte hiervan vrijspreken.
Hoewel [getuige] heeft verklaard dat hij de verdachte op de plaats delict heeft afgezet en de verdachte door een verbalisant is herkend op camerabeelden in de buurt van de plaats delict, is de rechtbank het niet met de officier van justitie eens dat de aanwezigheid van de verdachte op de plaats van het delict kan worden bewezen. De herkenning door de verbalisant is niet betrouwbaar. Aan de hand van deels dezelfde camerabeelden is in eerste instantie door meerdere verbalisanten – waaronder een herkenning met 100 % zekerheid – [getuige] herkend. Na deze herkenning heeft [getuige] verklaard dat hij niet op de plaats delict was, maar dat hij zijn broer en de verdachte daar heeft afgezet. Volgens [getuige] is het de verdachte die op de camerabeelden staat. Pas hierna heeft de betreffende verbalisant de sterke overtuiging geuit dat de verdachte op de screenshots van de camerabeelden te zien is. Door de eerdere stellige herkenningen van dezelfde persoon als iemand anders dan de verdachte, acht de rechtbank de herkenning niet betrouwbaar en kan het proces-verbaal van herkenning niet worden gebruikt als wettig bewijsmiddel.
Daarmee blijft als mogelijk bewijsmiddel alleen de verklaring van [getuige] over, waarin hij stelt dat hij de verdachte heeft afgezet op de plaats delict en dat de verdachte te zien is op de camerabeelden. Gezien het voorgaande vindt deze verklaring geen steun in andere bewijsmiddelen. Hierdoor kan niet wettig worden bewezen dat de verdachte aanwezig was op de plaats delict en daarmee is er ook onvoldoende wettig bewijs dat de verdachte een vuurwapen voorhanden heeft gehad, laat staan dat hij daarmee heeft geschoten. De verdachte zal dus van alle ten laste gelegde feiten worden vrijgesproken.
4. VORDERING TENUITVOERLEGGING
De rechtbank Midden-Nederland heeft op 7 maart 2024 aan de verdachte in de zaak met zaaknummer 16-268930-22 een voorwaardelijke werkstraf van 40 uren opgelegd, met een proeftijd van 2 jaar.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie vordert de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke werkstraf van 40 uren.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging bepleit integrale vrijspraak en vindt dat de vordering tenuitvoerlegging daarom moet worden afgewezen.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal de vordering tot tenuitvoerlegging afwijzen. Reden daarvoor is dat de verdachte wordt vrijgesproken van alle feiten.
5 BESLISSING
De rechtbank:
Vrijspraak
- verklaart het onder 1 primair, 1 subsidiair, 1 meer subsidiair, 2 en 3 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;
Vordering tenuitvoerlegging met parketnummer 16-268930-22
- wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging.
Dit vonnis is gewezen door mr. C. Van Wambeke, voorzitter, en mrs. O. Böhmer en J.E.S. Dolmans, kinderrechters, in tegenwoordigheid van G. van Engelenburg, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 20 februari 2026.
Bijlage: de tenlastelegging
Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:
1
hij op of omstreeks 1 juli 2024 te Hilversum, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om [A] en/of een nog onbekend gebleven persoon opzettelijk van het leven te beroven, met een (scherpschietend) vuurwapen op een rijdende voertuig van een nog onbekend gebleven persoon heeft geschoten en/of op een woning (gelegen aan de [straat] ) van die [A] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 1 juli 2024 te Hilversum, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om aan [A] en/of een nog onbekend gebleven persoon opzettelijk met een (scherpschietend) vuurwapen op het rijdende voertuig van een nog
onbekend gebleven persoon heeft geschoten en/of op een woning (gelegen aan de [straat] ) van die [A] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 1 juli 2024 te Hilversum, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [A] en/of een nog onbekend gebleven persoon heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, en/of met zware mishandeling, door met een (scherpschietend) vuurwapen op het rijdende voertuig van een nog onbekend gebleven persoon te schieten en/of op een woning (gelegen aan de [straat] ) van die [A] te schieten;
2
hij op of omstreeks 1 juli 2024 te Hilversum, in elk geval in Nederland, een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen, van een nu nog onbekend merk, type en kaliber, zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool voorhanden heeft gehad;
3
hij op of omstreeks 1 juli 2024 te Hilversum, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen opzettelijk en wederrechtelijk een raam, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [A] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;