RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de voorzieningenrechter van 30 juli 2026 in de zaak tussen
[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker
Samenvatting
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/5758
(gemachtigde: J.P.A.M. Buijs),
en
De korpschef van Politie, namens deze, de politiechef van Midden-Nederland, de korpschef
(gemachtigden: M. Telderman en S.S. Madarie).
1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over het intrekken van de al verleende toestemming aan verzoeker voor het uitvoeren van beveiligingswerkzaamheden en het onthouden van de opnieuw gevraagde toestemming. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of hij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen of een andere voorziening te treffen. De voorzieningenrechter beantwoordt deze vraag aan de hand van de gronden van verzoeker. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 4 mei 2026 heeft de korpschef de toestemming van verzoeker om beveiligingswerkzaamheden uit te voeren onthouden en de al verleende toestemming ingetrokken. Dit omdat verzoeker op 20 december 2024 onder de invloed van teveel alcohol een voertuig heeft bestuurd en daarmee op een ander voertuig, dat stond te wachten bij een rood verkeerslicht, is ingereden. Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
3. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 13 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigden van de korpschef.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Het verzoek
4. Verzoeker vraagt de voorzieningenrechter om het bestreden besluit op te schorten totdat op het bezwaar is beslist en te bepalen dat hij zijn werkzaamheden als [functie] mag hervatten tijdens de bezwaarprocedure.
Het spoedeisend belang
5. Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. Een voorlopige voorziening kan alleen worden getroffen als er een spoedeisend belang is, waardoor iemand niet kan wachten op een beslissing op zijn bezwaar- of beroepschrift. Verzoeker heeft gemotiveerd aangevoerd dat hij wordt ontslagen als hij de vereiste toestemming niet heeft, waardoor hij niet meer kan voorzien in zijn levensonderhoud. De voorzieningenrechter ziet in wat verzoeker heeft aangevoerd een voldoende spoedeisend belang om het verzoek inhoudelijk te behandelen.
6. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventuele) bodemprocedure niet.
Totstandkoming van het bestreden besluit
7. Verzoeker heeft op 20 december 2024 onder de invloed van teveel alcohol een verkeersongeval veroorzaakt. De korpschef heeft op 24 februari 2025 hiervan een signalering ontvangen. Vervolgens heeft de korpschef op 6 augustus 2025 het voornemen aan verzoeker uitgebracht om de verleende toestemming om beveiligingswerkzaamheden uit te voeren in te trekken. Verzoeker heeft de korpschef op 13 augustus 2025 verzocht om mondeling zijn zienswijze toe te lichten. De korpschef heeft niet op dit verzoek gereageerd en op 14 april 2026 een aanvullend voornemen uitgebracht om de aan eiser verleende toestemming in te trekken en de opnieuw aangevraagde toestemming te onthouden. Verzoeker heeft hierop gereageerd met een schriftelijke zienswijze van 20 april 2026 waarna de korpschef op 4 mei 2026 het bestreden besluit heeft genomen.
8. De korpschef heeft met het bestreden besluit de toestemming van verzoeker ingetrokken en de opnieuw verzochte toestemming onthouden.
Het standpunt van verzoeker
9. Verzoeker voert aan dat de korpschef zijn recht om gehoord te worden heeft geschonden door niet te reageren op zijn verzoek om zijn zienswijze mondeling toe te lichten. Dat de korpschef na het voornemen van 6 augustus 2025 vervolgens acht maanden niet heeft gereageerd op de zienswijze van verzoeker heeft bij verzoeker de gerechtvaardigde verwachting gewekt dat het voornemen tot intrekking van de toestemming niet meer werd doorgezet. Verder heeft de korpschef volgens verzoeker het evenredigheidsbeginsel geschonden. Verzoeker werkt al zestien jaar in de beveiligingssector en heeft nooit een incident gehad. Ook heeft verzoeker verantwoordelijkheid genomen voor het verkeersongeval en heeft hij stappen ondernomen om herhaling te voorkomen. Bovendien staat zijn werkgever achter hem en is deze bereid om verzoeker weer in dienst te nemen nadat hij weer toestemming heeft gekregen van de korpschef. Ten slotte vindt verzoeker dat zijn belang bij schorsing zwaarder weegt dan het belang van de korpschef bij handhaving van de intrekking en weigering van zijn toestemming. Verzoeker heeft een zwaarwegend belang bij het behouden van zijn baan, inkomen en het vermogen om schadevergoeding te betalen aan het slachtoffer van het verkeersongeval. Ook hebben zich sinds het verkeersongeval tot aan het bestreden besluit geen nieuwe incidenten voorgedaan.
Heeft het bezwaar een redelijke kans van slagen?
10. De voorzieningenrechter stelt voorop dat de korpschef verplicht is om toestemming te onthouden als de betrokkene niet beschikt over de bekwaamheid en betrouwbaarheid die nodig is voor het verrichten van beveiligingswerkzaamheden. Daarnaast kan de korpschef al verleende toestemming intrekken als zich omstandigheden voordoen of feiten bekend worden waardoor toestemming niet zou zijn verleend als deze zich hadden voorgedaan of bekend waren ten tijde van het verlenen van de toestemming. In het beleid van de korpschef is opgenomen dat de toestemming onder andere wordt onthouden als sprake is van feiten die blijken uit een tegen de betrokkene opgemaakt proces-verbaal. De korpschef heeft op basis van een proces-verbaal geconstateerd dat verzoeker onder invloed van teveel alcohol een verkeersongeval heeft veroorzaakt. De korpschef heeft in deze feiten aanleiding gezien om verzoeker niet langer betrouwbaar te vinden en heeft daarom de verleende toestemming ingetrokken en de verzochte toestemming onthouden. De vraag die centraal staat is of het bezwaar van verzoeker tegen dit besluit een redelijke kans van slagen heeft waardoor het verzoek moet worden toegewezen.
11. De voorzieningenrechter overweegt dat de korpschef in het bestreden besluit opmerkt een groot belang te hebben bij het besluit. In het besluit beschrijft de korpschef dit belang als ‘het maatschappelijk belang van een betrouwbare veiligheidszorg en een goed functioneerde bedrijfstak’. Ondanks dit belang heeft de korpschef sinds de signalering op 24 februari 2025 vijftien maanden laten verstrijken voordat hij een besluit heeft genomen. De korpschef had gelet op dit tijdsverloop ook een lichter middel kunnen inzetten dan het intrekken van de verleende toestemming, omdat uit het tijdsverloop niet blijkt dat het geval van verzoeker zo ernstig was dat dit ertoe heeft geleid dat de korpschef sneller heeft beslist over zijn betrouwbaarheid als [functie] .
12. Toch kan dit niet leiden tot de conclusie dat het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Bij het onthouden van de toestemming is namelijk net als bij het intrekken van toestemming van belang of verzoeker betrouwbaar en bekwaam is. Bij de beoordeling van de vraag of verzoeker betrouwbaar en bekwaam is, maakt de korpschef gebruik van de Beleidsregel particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus 2019 (de beleidsregel). Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft de korpschef in het bestreden besluit voldoende gemotiveerd waarom aan verzoeker de toestemming wordt onthouden. De korpschef heeft er namelijk op gewezen dat het veroorzaken van schade en letsel haaks staat op de kern van beveiligingswerkzaamheden en dat het veroorzaken van een verkeersongeval onder invloed van alcohol een tamelijk ernstige aantasting van de rechtsorde is. Dit terwijl van [functie] mag worden verwacht dat hun betrouwbaarheid en integriteit boven elke twijfel verheven is.
13. Artikel 7, vierde lid, van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus (Wpbr) heeft een dwingendrechtelijk karakter. Dat houdt in dat als de korpschef bij het toepassen van de beleidsregel tot de conclusie komt dat verzoeker niet beschikt over de bekwaamheid en betrouwbaarheid die nodig zijn voor het te verrichten werk, hij de toestemming moet onthouden. Er is daarom geen ruimte voor een belangenafweging.Omdat de korpschef bij de beoordeling of verzoeker bekwaam en betrouwbaar is, gebruik maakt van de beleidsregel moet hij ook artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) toepassen. Dat artikel bepaalt dat een bestuursorgaan volgens de beleidsregel handelt, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die vanwege bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen. Daarbij mag de korpschef alleen omstandigheden betrekken die relevant zijn voor het oordeel of verzoeker bekwaam en betrouwbaar is. In hoeverre de korpschef kan afwijken van de beleidsregel hangt dus af van de beoordelingsruimte die de korpschef heeft bij de beoordeling of een aanvrager betrouwbaar en bekwaam is. De omstandigheid dat verzoeker zestien jaar lang zijn werk als [functie] naar tevredenheid en zonder incidenten heeft verricht is op zichzelf geen omstandigheid die relevant is voor de beoordeling van de betrouwbaarheid zoals bedoeld in de Wpbr. Die beoordeling is namelijk gericht op de toekomstige uitoefening van een beveiligingsfunctie. Meerjarig betrouwbaar functioneren in het verleden is daarom, gelet op het doel van artikel 7, vierde lid, van de Wpbr, niet relevant om de betrouwbaarheid in de toekomst in te schatten. Hetzelfde geldt voor de omstandigheid dat verzoeker na het incident naar tevredenheid heeft gewerkt en er geen nieuwe overtredingen zijn geweest. Verder kan het feit dat verzoeker zijn baan kwijt is geraakt niet leiden tot een andere conclusie, omdat dit een beoogd gevolg is van de wetgever bij het onthouden en intrekken van toestemming.
Conclusie en gevolgen
14. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Het bestreden besluit wordt dus niet geschorst. Dit betekent dat verzoeker niet mag werken als [functie] totdat de korpschef een beslissing op zijn bezwaar heeft genomen. Verzoeker krijgt daarom ook het griffierecht niet terug en ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Catsburg, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. B.J. van Rossum, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 30 juli 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: