RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de voorzieningenrechter van 28 januari 2026 in de zaak tussen
Verzoeksters 1 tot en met 4, verzoeksters
de ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur,
Als derde-partij neemt deel: [derde partij] .
Bestuursrecht
zaaknummers: UTR 25/4479, 25/4532, 25/4537 en 25/4596.
(gemachtigde: mr. M.J.J.E. Stassen),
en
Procesverloop
6. Verzoeksters hebben de voorzieningenrechter verzocht om anoniem te mogen procederen. Dat houdt in dat de naam van verzoeksters wel bekend is bij de rechtbank en bij de minister, maar niet bij de derde-partij en andere belangstellenden. De rechtbank heeft dat verzoek in een besluit als bedoeld in artikel 8:29 van de Awb ingewilligd. Als verzoeksters niet anoniem zouden deelnemen aan deze procedures, zou dat namelijk tot gevolg hebben dat derde-partij en anderen nu al kennis kunnen nemen van de naam en adresgegevens van verzoeksters, terwijl die gegevens juist het onderwerp van de beroepen over de Woo-procedure zijn.
7. Met de verzoeken om een voorlopige voorziening willen verzoeksters dus bereiken dat het bestreden besluit wordt geschorst, in die zin dat de documenten die de minister openbaar wil maken, niet openbaar worden gemaakt totdat op de beroepen is beslist.
Overwegingen
8. Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter uitspraak doen zonder dat partijen zijn uitgenodigd om op een zitting te verschijnen, als de voorzieningenrechter kennelijk onbevoegd is of het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond is.
9. De voorzieningenrechter oordeelt dat het verzoek kennelijk gegrond is. De procedures gaan over de vraag of de namen van de betrokken bedrijven en overige tot hen herleidbare gegevens openbaar gemaakt mogen worden. Deze rechtsvraag leent zich niet voor beantwoording in de voorlopige voorzieningenprocedure, maar moet in een bodemprocedure aan de orde komen.
10. Daarom zal de voorzieningenrechter de vraag of vooruitlopend op de beoordeling van de beroepen een voorlopige voorziening moet worden getroffen, beantwoorden aan de hand van een belangenafweging. Het belang van verzoeksters is duidelijk: als de documenten nu al openbaar gemaakt worden, is een verdere beoordeling van de beroepen zinloos. Eén keer openbaar, blijft immers openbaar. Het belang van de minister en van de derde-partij is gelegen in het algemeen belang bij openbaarmaking. De voorzieningenrechter vindt dat het belang van verzoeksters in deze fase zwaarder weegt en daarom wijst zij de verzoeken toe.
Conclusie en gevolgen
11. De voorzieningenrechter wijst de verzoeken toe en treft de voorlopige voorziening dat het bestreden besluit is geschorst tot de uitspraak op de beroepen. De documenten die betrekking hebben op verzoeksters worden dan ook nu niet openbaar gemaakt.
11. De voorzieningenrechter ziet aanleiding te bepalen dat de minister het griffierecht van verzoeksters moet vergoeden. Verzoeksters hebben allen €385,- aan griffierecht betaald. De voorzieningenrechter ziet ook aanleiding voor een vergoeding van de gemaakte proceskosten. De minister moet die vergoeding betalen. De proceskosten worden aan de hand van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) als volgt vastgesteld. Het gaat hier om vier samenhangende zaken als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van het Bpb. De proceshandeling die voor vergoeding in aanmerking komt, is het indienen van de verzoekschriften, waarde 1 punt ter waarde van € 934,-. Hierop wordt ingevolge C2 van het Bpb een factor 1,5 toegepast. Dat maakt dat verzoeksters recht hebben op een proceskostenvergoeding van in totaal € 1401,-.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- schorst het bestreden besluit wat betreft de openbaarmaking van documenten die over verzoeksters gaan, tot de uitspraak op de beroepen;- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 385,- aan verzoeksters moet vergoeden;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.401,- aan proceskosten.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J. Blok, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.E.C. Bakker, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 28 januari 2028.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: