ECLI:NL:RBMNE:2026:5409

ECLI:NL:RBMNE:2026:5409

Instantie Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak 19-02-2026
Datum publicatie 11-08-2026
Zaaknummer UTR 25/2054
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

Rb is onbevoegd omdat er hb procedures lopen bij de RvS. Beroepen worden doorgestuurd.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 februari 2026 in de zaak tussen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nieuwegein

Samenvatting

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummers: UTR 25/2054 en 25/2064

[eiseres] (eiseres) en [eiser] (eiser), uit [plaats] , samen eisers,

en

(gemachtigde: mr. M.A. Verhoef-Murray).

1. Deze uitspraak gaat over twee afzonderlijke besluiten op bezwaar van 30 januari 2025, waarin het college de bezwaren van eisers tegen de afwijzing van hun ingebrekestellingen van 10 maart 2023 en 1 mei 2023, ongegrond heeft verklaard. Eisers zijn het daarmee niet eens.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat zij niet bevoegd is om van deze beroepen kennis te nemen, omdat de procedures waarop de ingebrekestellingen betrekking hebben aanhangig zijn bij de Afdeling bestuursrechterspraak van de Raad van State (Afdeling). Daarom is niet de rechtbank maar de Afdeling bevoegd om over deze ingebrekestellingen te beslissen. De rechtbank stuurt de beroepen dan ook ter behandeling door naar de Afdeling. Hierna zal de rechtbank toelichten hoe zij tot dit oordeel komt.

Procesverloop

2. Eisers hebben op 10 maart 2023 ingebrekestellingen aan het college gestuurd. Het college heeft deze ingebrekestellingen in twee afzonderlijke besluiten van 16 oktober 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit I van 30 januari 2025 op het bezwaar van eisers is het college bij de afwijzing van de ingebrekestellingen gebleven. Eisers hebben vervolgens beroep ingesteld tegen het bestreden besluit I. Dit beroep heeft zaaknummer UTR 25/2054. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

3. Eisers hebben op 1 mei 2023 (ontvangen op 3 mei 2023) opnieuw een ingebrekestelling gestuurd. Het college heeft deze ingebrekestelling in het besluit van 16 oktober 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit II van 30 januari 2025 op het bezwaar van eisers is het college bij die afwijzing gebleven. Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit II. Dit beroep heeft zaaknummer UTR 25/2064. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

4. De rechtbank heeft de beroepen op 20 januari 2026 op een zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigde van het college en [A] , [functie] van de gemeente Nieuwegein deelgenomen. Eisers zijn zonder bericht van verhindering niet op de zitting verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

Over het beroep UTR 25/2054

5. Een besluit tot afwijzing van een ingebrekestelling is een besluit, waarmee het college meedeelt dat het geen dwangsommen verschuldigd is. Hiertegen kan bezwaar, beroep of hoger beroep worden ingesteld.

6. Artikel 4:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat het bezwaar, beroep of hoger beroep tegen de beschikking op de aanvraag mede betrekking heeft op een beschikking tot vaststelling van de hoogte van de dwangsom, voor zover de belanghebbende deze beschikking betwist.

7. Eisers hebben het college op 10 maart 2023 in gebreke gesteld. Het college heeft deze ingebrekestellingen in de twee genoemde besluiten van 16 oktober 2024 afgewezen, omdat uit de ingebrekestellingen niet blijkt op welke aanvragen of welke bezwaren het college nog moet beslissen.

8. Eisers hebben in bezwaar gesteld dat de ingebrekestellingen van 10 maart 2023 betrekking hebben op hun verzoeken om inzage op grond van de Basisregistratie personen (Brp) van 9 en 10 januari 2023.

9. Het college heeft zich vervolgens op het standpunt gesteld dat eisers niet op 9 en/of 10 januari 2023 inzageverzoeken hebben gedaan. Er zijn wel inzageverzoeken van hen in behandeling genomen, maar dat was naar aanleiding van hun verzoeken van 26 mei 2023. Hierop heeft het college beslist en dat heeft geleid tot twee beroepsprocedures bij de rechtbank.

10. Het beroep van eiser is in een uitspraak van 10 oktober 2024 (UTR 23/5464) zonder een zitting niet-ontvankelijk verklaard, omdat hij geen griffierecht heeft betaald. Het verzet dat eiser daartegen heeft gemaakt, is ongegrond verklaard in de uitspraak van 5 maart 2025. Eiser heeft hiertegen hoger beroep ingesteld.

De rechtbank heeft het beroep van eiseres in een uitspraak van 27 mei 2025 (UTR 23/5462) niet-ontvankelijk verklaard, omdat zij geen proces-belang meer heeft. Zij heeft namelijk inmiddels de gevraagde inzage in de Brp gekregen. De vraag of het college een dwangsom verschuldigd zou zijn vanwege het te laat beslissen, maakte ook onderdeel uit van het geschil. De rechter heeft daarover het volgende overwogen:

“Ook kan de rechtbank niet vaststellen of eiseres het college op de juiste wijze in gebreke heeft gesteld. Eiseres stelt dat de brief van 26 mei 2023 een ingebrekestelling is voor de aanvraag van januari 2023, maar als de rechtbank daarnaar kijkt, dan is begrijpelijk dat het college dit niet zo heeft begrepen en de brief heeft aangemerkt als een nieuw verzoek. Een andere ingebrekestelling heeft de rechtbank in het dossier niet aangetroffen. Hierdoor kan de rechtbank de dwangsom niet vaststellen.”

Eiseres heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld.

11. In hun beroepschrift hebben eisers opnieuw gesteld dat de ingebrekestellingen betrekking hebben op hun Brp-inzageverzoeken van januari 2023. Zij hebben daarbij verwezen naar de zaaknummers UTR 23/5463 en UTR 23/5464. De rechtbank gaat ervan uit dat de verwijzing naar UTR 23/5463 een kennelijke verschrijving is, omdat dit geen beroepsprocedure van eisers is, maar van een familielid. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat eisers hebben bedoeld te verwijzen naar de hiervoor genoemde procedures UTR 23/5462 en UTR 23/5463 die gaan over de afhandeling van hun Brp-verzoeken.

11. Omdat er hoger beroep is ingesteld tegen uitspraken van de rechtbank over de afhandeling van de Brp-verzoeken, is de rechtbank gelet op artikel 4:19 van de Awb niet meer bevoegd om over de ingebrekestellingen te oordelen. De ingebrekestellingen horen nu bij de twee hiervoor genoemde hoger beroepsprocedures. De rechtbank zal de beroepen daarom doorsturen naar de Afdeling, zodat de Afdeling deze kan behandelen in de lopende hoger beroepsprocedures.Over het beroep UTR 25/2064

11. Eisers hebben verweerder op 1 mei 2023 (ontvangen op 3 mei 2023) opnieuw in gebreke gesteld. Zij verwijzen in de ingebrekestelling naar de ingebrekestellingen van 10 maart 2023 en noemen de Brp-verzoeken van 9 januari 2023 als procedures waarbij de ingebrekestelling hoort. In hun bezwaarschrift van 26 november 2024, onder B, herhalen zij dat het gaat om een herinnering aan hun eerdere ingebrekestellingen. Hierover gaat bestreden besluit II.

14. De rechtbank stelt vast dat het bestreden besluit II niet goed aansluit op het bezwaar van eisers, in die zin dat op het advies van de bezwaarcommissie onjuiste besluitnummers staan vermeld en dat de inleiding van dat advies ook doet vermoeden dat het advies over iets anders gaat. Op de zitting heeft de gemachtigde van het college echter toegelicht dat met het advies is bedoeld te reageren op het bezwaar van 26 november 2024 onderdeel B. Het college heeft ter motivering van het bestreden besluit II verwezen naar de inhoud van dit advies. De rechtbank gaat er daarmee vanuit dat het advies gaat over bezwaaronderdeel B.

14. Omdat de ingebrekestelling van 1 mei 2023 ziet op dezelfde verzoeken om inzage in de Brp als waarover de ingebrekestellingen van 10 maart 2023 gaan, is de rechtbank ook onbevoegd om over deze ingebrekestelling te oordelen. De redenering is dezelfde als hiervoor is uiteengezet. Ook deze beroepsprocedure zal dan ook op grond van artikel 4:19 van de Awb betrokken moeten worden in de bij de Afdeling aanhangige hoger beroepsprocedures die over de Brp-verzoeken gaan.

Conclusie en gevolgen

16. De rechtbank is onbevoegd. Zij mag de beroepen dus niet behandelen. Eisers krijgen daarom het griffierecht van de rechtbank terug. Het griffierecht is in beide zaken € 194,-. Er zijn geen proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.

Beslissing

De rechtbank:- verklaart zich onbevoegd;- stuurt de beroepen ter behandeling door naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State;- stort het griffierecht ter hoogte van twee keer € 194,- terug.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J. Blok, rechter, in aanwezigheid van mr. M.E.C. Bakker, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2026.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. P.J. Blok

Griffier

  • mr. M.E.C. Bakker

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand