[verzoekster] , verblijvend in [verblijfplaats] , verzoekster
(gemachtigde: mr. B. Al Yassiri),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zeist
(gemachtigde: mr. M.K. Stoelinga).
Inleiding
Beoordeling door de voorzieningenrechter
3. Een voorlopige voorziening heeft – zoals de term al zegt – het karakter van een tussenmaatregel, in afwachting van de bodemzaak (in dit geval de beslissing op het bezwaar). Verzoekster wil met haar verzoek bereiken dat zij tijdens de bezwaarprocedure wordt behandeld alsof zij al in het bezit is van een urgentieverklaring. De voorzieningenrechter stelt vast dat dit feitelijk geen tussenmaatregel is. Verzoekster zou met de (voorlopige) urgentieverklaring namelijk een huurovereenkomst kunnen sluiten en in een sociale huurwoning kunnen gaan wonen. Als het bezwaar dan toch ongegrond verklaard zou worden, is die woonsituatie mogelijk feitelijk onomkeerbaar. Andere woningzoekenden worden daardoor dan benadeeld.
4. De voorzieningenrechter zal daarom in een zaak als deze alleen een voorlopige voorziening treffen als nagenoeg zonder twijfel kan worden gezegd dat het college urgentie moet verlenen aan verzoekster. De voorzieningenrechter is van oordeel dat wat verzoekster heeft aangevoerd niet maakt dat op dit moment aan deze hoge maatstaf is voldaan.
Conclusie en gevolgen
5. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Schnitzler, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.E.C. Bakker, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 7 juli 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: