[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker
(gemachtigde: mr. J.P.J. Botterblom),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bunschoten
(gemachtigde: G. Kok).
Inleiding
Beoordeling door de voorzieningenrechter
3. Een voorlopige voorziening heeft – zoals de term al zegt – het karakter van een tussenmaatregel, in afwachting van de bodemzaak (in dit geval de beslissing op het bezwaar). Verzoeker wil met zijn verzoek bereiken dat hij tijdens de bezwaarprocedure wordt behandeld alsof hij al in het bezit is van een urgentieverklaring. De voorzieningenrechter stelt vast dat dit feitelijk geen tussenmaatregel is. Verzoeker zou met de (voorlopige) urgentieverklaring namelijk een huurovereenkomst kunnen sluiten en in een sociale huurwoning kunnen gaan wonen. Als het bezwaar dan toch ongegrond verklaard zou worden, is die woonsituatie mogelijk feitelijk onomkeerbaar. Andere woningzoekenden worden daardoor dan benadeeld.
4. De voorzieningenrechter zal daarom in een zaak als deze alleen een voorlopige voorziening treffen als nagenoeg zonder twijfel kan worden gezegd dat het college urgentie moet verlenen aan verzoeker. De voorzieningenrechter is van oordeel dat wat verzoeker heeft aangevoerd niet maakt dat op dit moment aan deze hoge maatstaf is voldaan.
Conclusie en gevolgen
5. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.E.C. Bakker, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 22 juni 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: