uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 april 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
(gemachtigde: H. Rijnders),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Veenendaal.
Inleiding
Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser omdat het college niet op tijd heeft beslist op zijn verzoek op grond van de Wet open overheid (Woo).
Op 27 januari 2026 heeft het college alsnog een besluit genomen op dit verzoek.
Eiser heeft op 17 maart 2026 laten weten dat hij het niet eens is met dit besluit en zijn beroep niet intrekt.
Beoordeling door de rechtbank
1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
2. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het uitblijven van een besluit op zijn Woo-verzoek. Inmiddels heeft het college een besluit op dat verzoek genomen. Het college heeft dus gedaan wat eiser wilde. Omdat eiser het beroep niet heeft ingetrokken moet de rechtbank nog wel een beslissing nemen over dat beroep.
3. Het beroep is kennelijk niet-ontvankelijk. Eiser wilde met zijn beroep bereiken dat het college zou beslissen op zijn verzoek en dat is gebeurd. Eiser heeft daarom geen belang meer bij het beroep, voor zover dat gericht was tegen het niet tijdig nemen van een besluit.
4. Artikel 6:20, derde lid, van de Awb bepaalt echter dat een beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit ook betrekking heeft op het alsnog genomen besluit, tenzij dit geheel aan het beroep tegemoet komt. Het besluit van 27 januari 2026 komt niet geheel tegemoet aan het Woo-verzoek en daarom richt het beroep zich nu van rechtswege ook tegen dit besluit. Eiser heeft ook laten weten dat hij het niet eens is met de inhoud van dit besluit.
5. De rechtbank zal het beroep echter niet zelf behandelen, maar met toepassing van artikel 6:20, vierde lid, van de Awb doorsturen aan het college om in bezwaar te behandelen. De rechtbank doet dit, omdat bij het college een AVG-procedure aanhangig is die kennelijk samenhangt met deze Woo-procedure. Verder stelt eiser dat er meer documenten moeten zijn die voorafgaand aan het onderzoek naar vermeende misstanden in de noodopvang van vluchtelingen zijn opgesteld. Daarmee stelt hij zich feitelijk op het standpunt dat de zoekslag van het college naar zijn Woo-verzoek niet toereikend is geweest. Het ligt op de weg van het college om in bezwaar onderzoek te doen naar deze stelling.
6. Eiser heeft verzocht om vergoeding van zijn proceskosten. De rechtbank stelt de proceskosten van eiser die het college moet betalen vast op € 467,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,-), bij een wegingsfactor van 0,5.
7. Het college moet ook het griffierecht ter hoogte van € 200,- aan eiser betalen.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep voor zover gericht tegen het niet-tijdig beslissen niet-ontvankelijk;
- stuurt het beroep voor zover gericht tegen het besluit van 27 januari 2026 door naar het college om in bezwaar te behandelen;- veroordeelt het college tot betaling van € 467,- aan proceskosten aan eiser;
- bepaalt dat het college het griffierecht ter hoogte van € 184,- aan eiser vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, rechter, in aanwezigheid van mr. M.E.C. Bakker, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 20 april 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.