ECLI:NL:RBMNE:2026:5421

ECLI:NL:RBMNE:2026:5421

Instantie Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak 17-07-2026
Datum publicatie 11-08-2026
Zaaknummer UTR 24/5844 en UTR 24/5901
Rechtsgebied Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

Tweede tussenuitspraak over een omgevingsvergunning voor het afwijken van het omgevingsplan om een deel van de tuin als containeropstelplaats voor afval te gebruiken voor de aanwezige horecabedrijven. Het college heeft het gebrek ten aanzien van de verhouding tussen het aan de vergunning verbonden voorschrift en de grenswaarden voor geluid uit artikel 22.63 van de bruidsschat uit het omgevingsplan niet hersteld. Het college heeft namelijk ten onrechte artikel 22.63 niet van toepassing geacht en gelet daarop ten onrechte niet beoordeeld of daarvan kan worden afgeweken. De rechtbank ziet aanleiding om het college wederom in de gelegenheid te stellen dit gebrek te herstellen.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummers: UTR 24/5844 T en UTR 24/5901 T

tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 juli 2026 in de zaak tussen

1. 1. Utrechtse Bomenstichting, uit Utrecht (UBS),

(gemachtigde: drs. C. van Oosten),

2. [eiseres] , uit [plaats] , (eiseres), hierna gezamenlijk eisers

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht (het college), verweerder

(gemachtigde: C. Rietveld).

Als derde-partijen nemen aan het geding deel:

[derde belanghebbende 1] ", [derde belanghebbende 2] en [derde belanghebbende 3] B.V., uit [plaats] , hierna gezamenlijk vergunninghouders.

Procesverloop

1. Deze zaak gaat over een omgevingsvergunning om een deel van de tuin als containeropstelplaats voor afval te gebruiken bij de horecabedrijven aan de [adres] te [plaats] (het perceel).

Op 7 oktober 2025 heeft de rechtbank in deze zaak een tussenuitspraak (de tussenuitspraak) gedaan. Voor een uitgebreide beschrijving van de achtergrond van het geschil en de procedure tot aan de tussenuitspraak verwijst de rechtbank naar de tussenuitspraak.

In de tussenuitspraak heeft de rechtbank het college in de gelegenheid gesteld om binnen acht weken na verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen, de geconstateerde gebreken in het bestreden besluit op bezwaar te herstellen.

Naar aanleiding van de tussenuitspraak heeft het college op 9 januari 2026 een nieuwe beslissing op bezwaar (het bestreden besluit 2) genomen. Dit besluit strekt ter vervanging van de beslissingen op het bezwaar van 20 maart 2024.

De rechtbank heeft vervolgens een nieuwe zitting gepland. De beroepen zijn behandeld op de zitting van 5 juni 2026. Hieraan hebben eisers, de gemachtigde van het college, vergezeld door [A] en [B] , en namens vergunninghouders [C] , [D] , [E] , [F] en [G] deelgenomen.

Overwegingen

2. De beroepen van eisers hebben van rechtswege mede betrekking op het bestreden besluit 2.

3. Deze tweede tussenuitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen. Het staat de rechtbank niet vrij om terug te komen van zonder voorbehoud gegeven oordelen in de tussenuitspraak. Dit is alleen anders in zeer uitzonderlijke gevallen.

4. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat het college aan de vergunning een duidelijk(er) voorschrift dient te verbinden waarin expliciet wordt geregeld dat afval uitsluitend in de containers mag worden gedeponeerd en niet daarbuiten. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat het college inzichtelijk dient te maken hoe het voorschrift in de omgevingsvergunning (dat afval uitsluitend binnen het tijdvak van 10.00 tot 22.00 uur in de containers mag worden gedeponeerd), zich verhoudt tot de gestelde grenswaarden voor geluid in artikel 22.63 van de bruidsschat uit het omgevingsplan.

De herstelpoging van het college

5. In het bestreden besluit 2 heeft het college het voorschrift in de vergunning aangescherpt. Het voorschrift bepaalt dat afval uitsluitend in – en dus niet buiten – de containers mag worden gedeponeerd tussen 10.00 uur en 22.00 uur. Verder is in het voorschrift opgenomen dat de deksels van de containers gesloten dienen te zijn, met uitzondering van bij het deponeren van afval.

Het college is in een bijlage bij het bestreden besluit 2 ingegaan op de geluidoverlast. Aan de hand van een geluidmeting heeft het college gemotiveerd dat het deponeren van afval in de containeropstelplaats – ondanks de overschrijding van het maximale geluidniveau van 70 dB(A) – binnen de evenwichtige toedeling van functies aan locaties past. Het gaat volgens het college namelijk om een zeer rumoerige locatie waar al veel omgevingsgeluid is te horen. Dat er een aantal keren per dag overschrijdingen aan toegevoegd worden, vindt het college op deze rumoerige locatie en in de nabijheid van horecabedrijven passend.

In het verweerschrift van 27 mei 2026 heeft het college nader gemotiveerd dat (de ruimtelijke impact van) het deponeren van afval wordt gezien als laden en lossen. Op het laden en lossen is het maximale geluidniveau voor piekgeluiden in de periode van 7.00 uur tot 19.00 uur niet van toepassing op grond van artikel 22.63, vierde lid, van de bruidsschat. Het deponeren van afval van 19.00 tot 22.00 uur acht het college in afwijking van artikel 22.63 aanvaardbaar en passend binnen een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, gelet op het uitgevoerde geluidonderzoek.

Beoordeling van de rechtbank

6. De rechtbank is van oordeel dat het college met het nieuwe voorschrift ten aanzien van het deponeren van afval binnen de containers het eerste gebrek heeft hersteld. Het voorschrift bepaalt nu expliciet dat afval uitsluitend in de containers mag worden gedeponeerd en niet daarbuiten. De rechtbank is verder van oordeel dat het college met het bestreden besluit 2 en de aanvullende motivering in het verweerschrift het gebrek ten aanzien van de verhouding tussen het voorschrift en de grenswaarden voor geluid uit artikel 22.63 van de bruidsschat uit het omgevingsplan niet heeft hersteld. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.

Het deponeren van afval tussen 7.00 en 19.00 uur

Met het geluidonderzoek heeft het college vastgesteld dat het deponeren van afval het maximale geluidniveau op een geluidgevoelig gebouw van 70 dB(A) overschrijdt. Volgens het college is dit echter niet in strijd met het omgevingsplan, omdat het deponeren van afval kan worden aangemerkt als laden en lossen. Op grond van het vierde lid van artikel 22.63 van de bruidsschat zijn op het laden en lossen de maximale geluidniveaus niet van toepassing.

De rechtbank kan het college daar niet in volgen. De uitzondering in het vierde lid is naar het oordeel van de rechtbank slechts bedoeld voor het bevoorraden van de zaak of het ophalen van goederen. Het deponeren van afval in afvalbakken, om dit op een later moment op te laten halen, valt naar het oordeel van de rechtbank niet onder dezelfde logistieke handeling. Hiervoor sluit de rechtbank aan bij de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 24 december 2003 waarin is overwogen dat aanverwante activiteiten onder het begrip laad- en losactiviteiten kunnen worden geschaard, als ze worden uitgevoerd ten behoeve van laad- en losactiviteiten in eigenlijke zin. De rechtbank is van oordeel dat het deponeren van afval als een op zichzelf staande activiteit kan worden aangemerkt, aangezien het niet voortkomt uit het bevoorraden van de zaak of het ophalen van goederen. Bovendien kan het deponeren van afval in de afvalbakken gedurende de hele dag plaatsvinden en vindt het niet incidenteel plaats zoals bij laden en lossen het geval is.

De rechtbank concludeert dat de activiteit in strijd is met de grenswaarden voor geluid uit artikel 22.63 van de bruidsschat uit het omgevingsplan. Nu op dit punt sprake is van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, had het college op grond van de beoordelingsregels voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit uit afdeling 8.1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) moeten beoordelen of hiervan kan worden afgeweken. Op grond van artikel 8.0a, tweede lid, van het Bkl wordt een buitenplanse omgevingsplanactiviteit alleen verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Daarnaast zijn (voor zover hier van belang) op grond van artikel 8.0b, eerste lid, onder a, van het Bkl de rijksinstructieregels over omgevingsplannen uit hoofdstuk 5 van het Bkl van overeenkomstige toepassing op de beoordeling van de aanvraag. Op grond van artikel 8.0b, tweede lid, onder a, van het Bkl wordt de omgevingsvergunning geweigerd als de omgevingsplanactiviteit zou leiden tot een situatie die niet is toegelaten op grond van de rijksinstructieregels.

Voor de beoordeling of kan worden afgeweken van de in de bruidsschat gestelde grenswaarden voor geluid, had het college dus ook moeten kijken naar de instructieregels zoals opgenomen in het Bkl. Onder verwijzing naar artikel 5.65 van het Bkl merkt de rechtbank op dat de instructieregel geen maximale grenswaarde stelt aan piekgeluiden tussen 7.00 uur en 19.00 uur (dagperiode). Ondanks dat er geen maximale grenswaarde is gesteld, moet het geluid door een activiteit op geluidgevoelige gebouwen op grond van artikel 5.59, tweede lid, van het Bkl, wel aanvaardbaar zijn. Als de aanvaardbaarheid hiervan deugdelijk is gemotiveerd kan het college met een omgevingsvergunning voor de dagperiode, in afwijking van de bruidsschat, hogere maximale geluidsniveaus toestaan. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat het college reeds heeft gemotiveerd dat het de piekgeluiden van het deponeren van afval aanvaardbaar acht en binnen het centrumgebied ook in overeenstemming vindt met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De rechtbank vindt deze motivering navolgbaar voor wat betreft de dagperiode.

Hetgeen eiseres heeft aangevoerd ten aanzien van het geluidonderzoek, brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel. De beroepsgronden van eiseres richten zich op de methode, het aantal overschrijdingen en het aantal dB(A) waarmee de norm wordt overschreden. Eiseres betwist niet dat het deponeren van afval met zich brengt dat de grenswaarden voor geluid uit artikel 22.63 van de planregels worden overschreden en dat is naar het oordeel van de rechtbank relevant voor de beoordeling. Het overige door eiseres aangevoerd treft geen doel. Bovendien heeft eiseres ook geen tegenrapport overgelegd waaruit blijkt dat de constateringen of de methode van het college niet kloppen.

Het deponeren van afval tussen 19.00 uur en 22.00 uur

Hoewel dit niet expliciet blijkt, begrijpt de rechtbank uit het verweerschrift dat het college met het bestreden besluit 2 heeft beoogd een afwijking van het omgevingsplan toe te staan met betrekking tot de grenswaarden voor geluid als het gaat om het deponeren van afval tussen 19.00 uur en 22.00 uur (avondperiode). Een deugdelijke motivering hiervoor ontbreekt.

De rechtbank overweegt dat het college ook hiervoor had moeten toetsen aan het Bkl en de daarin gestelde rijksinstructieregels. De standaardwaarde voor het toelaatbare geluid door een activiteit op een geluidgevoelig gebouw in de avondperiode bedraagt op grond van artikel 5.65 van het Bkl 65 dB(A). Zoals uit de geluidsmeting van het college is gebleken, overschrijdt het deponeren van afval de 70 dB(A) zodat het college niet zonder nadere motivering had kunnen afwijken van het omgevingsplan. Gelet op artikel 5.66, tweede lid, onder a, van het Bkl kan van de waarde op een geluidgevoelig gebouw worden afgeweken, mits het maximaal geluidniveau binnen een geluidgevoelig gebouw de 45 dB(A) niet overschrijdt. Het college heeft geen geluidonderzoek uitgevoerd binnen de woning van eiseres, zodat niet inzichtelijk is gemaakt of op grond van artikel 5.66 van het Bkl met een aanvullende motivering kan worden afgeweken van het omgevingsplan. Dat het college de piekgeluiden aanvaardbaar en passend vindt binnen een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, volstaat hier niet. Het college dient nader te onderzoeken of de piekgeluiden de grenswaarde van 45 dB(A) in de woning van eiseres niet overschrijdt.

Het college kan op grond van artikel 5.71 van het Bkl er ook voor kiezen om in plaats van het stellen van grenswaarden, gebruiksregels te verbinden aan een omgevingsvergunning. Omdat het deponeren van afval op geluidgevoelige gebouwen gedurende de dagperiode aanvaardbaar is, zoals hiervoor is overwogen, kan het college bijvoorbeeld bepalen dat in de periode tussen 19.00 uur en 22.00 uur helemaal geen afval mag worden gedeponeerd, zodat op die manier voldoende geluidhinder wordt voorkomen. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat vergunninghouders op zitting deze oplossingsmogelijkheid hebben voorgesteld. Ook zijn andere oplossingen niet ondenkbaar, bijvoorbeeld het monteren van dempers op de kleppen van de afvalbakken zodat deze niet luidruchtig kunnen dichtvallen en dat alleen voor het glaswerk een beperking wordt gesteld voor de avondperiode.

Overige punten van eisers

7. De rechtbank stelt vast dat eisers in hun zienswijzen over het Ontwikkelingskader Horeca Utrecht 2018 en het behoud van de boom, zij het in andere bewoordingen, hebben herhaald wat zij daarover al eerder in deze procedure naar voren hebben gebracht. Over al deze punten heeft de rechtbank zich al uitgelaten in de tussenuitspraak. De rechtbank kan, zoals al overwogen onder 3, behalve in zeer uitzonderlijke gevallen niet terugkomen van zo'n in de tussenuitspraak gegeven oordeel. Uit wat eisers in dit verband hebben opgemerkt in de zienswijzen volgt niet dat zich hier zo'n zeer uitzonderlijk geval voordoet dat rechtvaardigt dat de rechtbank terugkomt van haar oordeel over deze punten in de tussenuitspraak.

De beroepsgronden van eiseres over het plaatsen van vuurdoornstruiken en de handhaafbaarheid van de vergunning, zijn naar het oordeel van de rechtbank aan te merken als nieuwe beroepsgronden. Zoals in overweging 10.4 van de tussenuitspraak is geoordeeld, zijn nieuwe beroepsgronden in strijd met de goede procesorde. De rechtbank komt daarom niet toe aan het bespreken van deze beroepsgronden.

Hoe nu verder?

8. De rechtbank ziet aanleiding om het college in de gelegenheid te stellen het gebrek in het bestreden besluit 2 te herstellen. Dat herstel kan hetzij met een aanvullende motivering van het bestreden besluit 2, hetzij, voor zover nodig, met een nieuwe beslissing op bezwaar en intrekking van het bestreden besluit.

Om het gebrek te herstellen, moet het college expliciet maken dat de vergunning voor de dagperiode (tussen 7.00 uur en 19.00 uur) toestaat dat er wordt afgeweken van de gestelde waarde voor maximaal geluid als gevolg voor piekgeluiden zoals opgenomen in artikel 22.63 van de bruidsschat.

Ten aanzien van de avondperiode (tussen 19.00 uur en 22.00 uur) kan het college het gebrek herstellen hetzij door een aanvullend geluidonderzoek naar de binnenwaarden van de geluidgevoelige ruimten in de woning van eiseres, hetzij verduidelijken dat de waarden voor maximaal geluid als gevolg van piekgeluiden onverminderd blijven gelden met een aanvullende gebruiksregel dat er geen afval wordt gedeponeerd na 19.00 uur.

De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen het college het gebrek kan herstellen op acht weken na verzending van deze tussenuitspraak.

Het college moet zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken na verzending van deze tussenuitspraak, meedelen aan de rechtbank of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek in het bestreden besluit 2 te herstellen. Als het college gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eisers en vergunninghouders in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van het college. In beginsel, ook in de situatie dat het college de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.

Het geding zoals dat na deze tweede tussenuitspraak wordt gevoerd, blijft in beginsel beperkt tot de beroepsgronden zoals die zijn besproken in de tussenuitspraak, omdat het inbrengen van nieuwe geschilpunten over het algemeen in strijd met de goede procesorde wordt geacht.

De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.

Beslissing

De rechtbank:

- draagt het college op binnen twee weken de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen;

- stelt het college in de gelegenheid om binnen acht weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze uitspraak is gedaan door mr. ing. A. Rademaker, rechter, in aanwezigheid van mr. M.C.G. van Dijk, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 17 juli 2026.

De griffier is verhinderd

de uitspraak te ondertekenen.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. ing. A. Rademaker

Griffier

  • mr. M.C.G. van Dijk

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand