RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 juli 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht
Samenvatting
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/7793
en
(gemachtigden: E. van Woudenberg en C. Ligthart).
Procesverloop
3. Met het bestreden besluit van 19 november 2025 op het bezwaar van eiser is het college bij het besluit van 11 juli 2025 gebleven.
4. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
5. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
6. Eiser heeft daarna nog aanvullende stukken overgelegd.
7. De rechtbank heeft het beroep op 16 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigden van het college.
Beoordeling door de rechtbank
Inleiding
Het bestreden besluit
Het standpunt van eiser in beroep
Het oordeel van de rechtbank
Mocht het college de auto van eiser wegslepen?
Mocht het college de kosten van het wegslepen van de auto op eiser verhalen?
8. De auto van eiser (kenteken [kenteken] ) stond op 10 juli 2025 geparkeerd aan de Vossegatselaan in Utrecht. Omstreeks 09:24 uur is de auto weggesleept, omdat deze stond geparkeerd op een deelautoparkeerplaats waar eiser niet mocht parkeren. Voor deze deelautoparkeerplaats is een ‘deelautovergunning vaste plek’ verleend aan Snappcar, dat vervolgens het parkeerrecht kan toekennen aan voertuigen door deze in hun systeem bij de gemeente aan te melden. Omdat de auto van eiser niet in het systeem stond aangemeld, mocht hij daar niet parkeren en is de auto weggesleept en verplaatst naar [locatie] . Eiser heeft zijn auto daar op 25 augustus 2025 opgehaald.
9. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat het bevoegd was om bestuursdwang toe te passen, omdat eiser in strijd met het Reglement verkeersregels en verkeerstekens zijn auto heeft geparkeerd op een plek aan de Vossegatselaan waar hij niet mocht parkeren. Volgens het college was er namelijk geen parkeerrecht om de auto op de deelautoparkeerplaats aan de Vossegatselaan te parkeren, en had eiser kunnen weten dat hij daar niet mocht parkeren. Bovendien was het wegslepen volgens het college absoluut noodzakelijk, omdat door de auto van eiser andere autodeelgebruikers, waarvan het voertuig wel was aangemeld, geen gebruik konden maken van deze parkeerplaats. Omdat het college bevoegd was bestuursdwang toe te passen, vindt zij dat de vorderingen van eiser tot vernietiging van het besluit van 19 november 2025 en vergoeding/terugbetaling van de door eiser betaalde kosten moeten worden afgewezen.
10. Eiser voert – in het kort samengevat – aan dat zijn auto ten onrechte is weggesleept. Hij stelt dat het bestreden besluit is gebaseerd op de stelling dat zijn auto volgens de gegevens van het college niet was aangemeld voor de deelautoparkeerplaats aan de Vossegatselaan, maar dat het college dit niet met stukken heeft onderbouwd. Verder blijkt uit het dossier niet of het college heeft onderzocht of eiser parkeerrecht had; dit had het college moeten vaststellen voordat de auto werd weggesleept. Ook heeft het college niet duidelijk gemaakt dat de administratieve eis van ‘aangemeld staan’ ook voor eiser gold, noch waarom hij hier redelijkerwijs rekening mee had moeten houden. Volgens eiser is bovendien niet duidelijk waarom het wegslepen van zijn auto absoluut noodzakelijk was. Eiser voert verder aan dat een op zijn situatie toegespitste, kenbare evenredigheidsafweging ontbreekt. Gelet hierop kan het kostenverhaal van eiser ook niet in stand blijven. Eiser verzoekt vergoeding van de wegsleep- en stallingskosten en van gevolgschade. Kort voordat zijn auto werd weggesleept, had eiser de auto namelijk aangemeld bij een autoverkoopbemiddelaar. Door het wegslepen heeft hij de auto niet binnen veertien dagen aan de koper kunnen leveren, wat heeft geleid tot een annuleringsfactuur van € 250,-.
10. Daarnaast heeft eiser op 6 juli 2026 aanvullende stukken ingediend. Daaruit blijkt volgens hem onder meer dat hij op 4 juni 2026 zijn ‘keyless abonnement’ bij Snappcar heeft opgezegd, maar zijn parkeervergunning niet. Omdat hij nog een geldige parkeervergunning had, is zijn auto onterecht weggesleept.
12. Tussen partijen is in geschil of het college mocht overgaan tot toepassing van bestuursdwang omdat het voertuig van eiser geparkeerd stond op een deelautoparkeerplaats waarvoor hij niet was aangemeld (door Snappcar), en of het college de kosten van het toepassen van de bestuursdwang vervolgens mocht verhalen op eiser. De rechtbank zal deze twee vragen hieronder bespreken.
13. De bevoegdheid om bestuursdwang toe te passen is neergelegd in artikel 170, eerste lid, van de van de Wegenverkeerswet 1994 (Wvw). Hierin is bepaald dat bestuursdwang kan worden toegepast wanneer met het voertuig een bij of krachtens deze wet vastgesteld voorschrift wordt overtreden en bovendien – voor zover hier relevant – verwijdering van het voertuig noodzakelijk is voor het vrijhouden van aangewezen weggedeelten en wegen.
13. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) volgt dat het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang op te treden, gelet op het algemeen belang dat gediend wordt met handhaving, in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift in de regel van deze bevoegdheid gebruik moet maken. Alleen wanneer sprake is van bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden verlangd hiervan af te zien, bijvoorbeeld wanneer handhavend optreden zodanig onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie moet worden afgezien. Dit wordt de handhavingsplicht genoemd.
15. Naar het oordeel van de rechtbank was het college bevoegd om op grond van artikel 170, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wvw tot bestuursdwang te besluiten en het voertuig weg te slepen. De rechtbank stelt allereerst vast dat sprake was van een overtreding. Op 10 juli 2025 stond de auto van eiser geparkeerd op een deelautoparkeerplaats die is bestemd voor vergunninghouder Snappcar. Het college heeft door overlegging van een overzicht voldoende aangetoond dat de auto van eiser op 13 maart 2025 in het systeem was afgemeld, en dat daarna andere auto’s op die vergunning zijn aangemeld. Daarom had eiser op 10 juli 2025 geen recht om op die plek te parkeren. Daarbij komt dat eiser zelf nooit een (eigen) parkeervergunning voor deze parkeerplaats heeft gehad maar gebruik maakte van de aan Snappcar verleende vergunning. In zoverre heeft het college zich – gelet op de handhavingsplicht – terecht op het standpunt gesteld dat zij bevoegd was om bestuursdwang toe te passen. Dat eiser niet zelf zijn auto in het systeem heeft afgemeld maar dat Snappcar dat heeft gedaan, kan eiser het college niet tegenwerpen. Het college staat namelijk buiten de afspraken die eiser hierover met Snappcar gemaakt heeft en kan alleen vaststellen of voor een auto die op de deelautoparkeerplaats staat een vergunning is afgegeven.
15. De rechtbank overweegt vervolgens dat bij de beoordeling van de vraag of het wegslepen noodzakelijk is, de omstandigheden van het geval betrokken dienen te worden. Het enkele feit dat op een aangewezen plaats wordt geparkeerd, is in beginsel onvoldoende om het wegslepen van het de auto te rechtvaardigen. De aard en het gebruik van het weggedeelte, in dit geval een parkeerplaats, kunnen wel met zich meebrengen dat op voorhand de noodzaak tot het wegslepen bestaat. Daar was volgens het college in dit geval sprake van, omdat eiser in strijd met de regels op de deelautoparkeerplaats stond geparkeerd en het voertuig dat op dat moment in het Snappcar-systeem was aangemeld geen gebruik kon maken van de parkeerplaats. Op de zitting heeft het college bovendien toegelicht dat het niet de bedoeling is dat een niet-deelauto op de deelautoparkeerplaats staat, dit omdat de gemeente het gebruik van deelauto’s wil stimuleren. De rechtbank kan dit standpunt volgen. Anders dan eiser stelt, is dan ook duidelijk waarom het wegslepen van zijn auto noodzakelijk was.
17. Ook de stelling van eiser dat een op zijn situatie toegespitste kenbare evenredigheidsafweging ontbreekt, leidt niet tot een ander oordeel. De rechtbank overweegt dat het wegslepen van een auto voor een burger een ingrijpende maatregel is, maar dat het vrijhouden van de parkeerplaats voor deelauto’s alleen op deze wijze kon worden bereikt en dus niet door een lichter handhavingsmiddel, zoals een boete. Bovendien had eiser op 4 juni 2025 al een waarschuwing ontvangen dat hem een parkeerboete kon worden opgelegd. Op 19 juni 2025 is hem vervolgens daadwerkelijk een parkeerboete opgelegd, zodat er al een lichter handhavingsmiddel was toegepast. Daarnaast heeft eiser niet concreet toegelicht waarom het bestreden besluit onevenredig zou zijn; een enkele stelling dat een dergelijke afweging ontbreekt, is onvoldoende.
18. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat de uitoefening van bestuursdwang en kostenverhaal als regel samengaan. Voor het maken van een uitzondering hierop kan aanleiding bestaan als de aangeschrevene geen verwijt valt te maken over de ontstane situatie en als bij het ongedaan maken van de strijdige situatie het algemeen belang in die mate is betrokken, dat moet worden geoordeeld dat de kosten in redelijkheid niet of niet geheel voor rekening van de aangeschrevene moeten komen. Ook andere, bijzondere omstandigheden kunnen het bestuursorgaan ertoe dwingen geheel of gedeeltelijk af te zien van het kostenverhaal.
19. Naar het oordeel van de rechtbank is er geen sprake van een situatie waarbij aan eiser geen of een minder verwijt valt te maken. Het college mocht de kosten van toepassing van bestuursdwang op eiser verhalen, omdat het hem kan worden verweten dat hij na de waarschuwing van 4 juni 2025 en de parkeerboete van 19 juni 2025 niet heeft onderzocht waarom deze zijn gegeven. Hoewel uit de door eiser overgelegde aanvullende stukken van 6 juli 2026 blijkt dat hij naar aanleiding van de waarschuwing contact heeft opgenomen met Snappcar, omdat hij dacht dat zijn parkeervergunning nog geldig was en de waarschuwing daardoor onterecht, vindt de rechtbank dit onvoldoende. Het lag op de weg van eiser om dit verder te onderzoeken, zeker nadat hij op 19 juni 2025 alsnog een parkeerboete heeft ontvangen. Zo had eiser bij de gemeente Utrecht kunnen informeren over de situatie rondom het parkeren op de deelautoparkeerplaats aan de Vossegatselaan en de reden van de parkeerboete. Bovendien blijkt uit de door eiser overgelegde facturen dat hij vanaf 1 juli 2025 geen factuur meer heeft ontvangen van Snappcar, wat voor hem ook aanleiding had moeten zijn om te controleren of parkeren op die plek nog was toegestaan. Er is dan ook geen sprake van verminderde verwijtbaarheid. Daarom mocht het college in redelijkheid besluiten de kosten van het wegslepen op 10 juli 2025 en de stallingskosten op eiser te verhalen.
Conclusie en gevolgen
20. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Voor een vergoeding van de proceskosten is geen sprake. Verder wordt het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Wagenaar, rechter, in aanwezigheid van mr. F.J. Attema, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 27 juli 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.