RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 juni 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [plaats] , eiseres
Dienst Toeslagen,
Samenvatting
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/4698
(gemachtigde: A. van der Veer),
en
(gemachtigden: [gemachtigden] ).
1. Deze uitspraak gaat over de hoogte van het voorschot op de aanvullende schadevergoeding voor de werkelijk geleden schade van eiseres als gevolg van de toeslagenaffaire. Eiseres is het niet eens met de hoogte van dit bedrag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het voorschot hoger moet zijn.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de Dienst Toeslagen mocht volstaan met een voorschot dat alleen uit immateriële schadevergoeding bestaat. De Dienst Toeslagen heeft toegelicht dat het door hem gevoerde voorschotbeleid niet toelaat dat ook wordt gekeken naar de materiële schade. Bovendien heeft eiseres de door haar gestelde schade niet onderbouwd. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiseres is aangemerkt als gedupeerde van de toeslagenaffaire. Zij heeft recht op een compensatie wegens vooringenomenheid over de toeslagjaren 2005 en 2007. De Dienst Toeslagen heeft de compensatie vastgesteld op € 12.810,-. Eiseres heeft ook een tegemoetkoming ontvangen van € 5.074,- wegens opzet/grove schuld. Deze twee bedragen zijn lager dan het bedrag van € 30.000,- dat eiseres heeft ontvangen in het kader van de Catshuisregeling. Aan haar is daarom geen extra geld uitgekeerd.
3. Eiseres stelt zich op het standpunt dat zij in aanmerking komt voor aanvullende compensatie voor werkelijke schade. Zij heeft daarom een verzoek ingediend bij de Commissie Werkelijke Schade (CWS). Vooruitlopend op de vergoeding die zij verwacht te ontvangen van de CWS heeft zij verzocht om een voorschot ter hoogte van € 20.900,-.
4. In het primaire besluit van 4 april 2024 heeft de Dienst Toeslagen het voorschot echter begroot op een bedrag van € 3.820,-. Met het besluit op bezwaar van 4 juli 2025 heeft de Dienst Toeslagen dat bedrag verhoogd tot € 6.359,-.
5. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 4 juli 2025. De Dienst Toeslagen heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
6. De rechtbank heeft het beroep op 21 mei 2026 op een zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigden van de Dienst Toeslagen.
Beoordeling door de rechtbank
7. Eiseres is het niet eens met de hoogte van het voorschot op de werkelijke schade dat aan haar is toegekend. Zij heeft aangevoerd dat haar werkelijke schade veel hoger ligt. Zij heeft grote schulden als gevolg van het faillissement van een besloten vennootschap waarvan zij directeur-grootaandeelhouder was. Eiseres stelt dat zij haar schade voldoende aannemelijk heeft gemaakt en recht heeft op een hoger voorschot. Er is bovendien sprake van een spoedeisend belang, omdat de betalingsachterstanden van eiseres oplopen en zij haar vaste lasten maar moeilijk kan betalen.
8. Voor de beoordeling van het beroep is het toetsingskader van belang. De Dienst Toeslagen kan op grond van artikel 4:95 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), vooruitlopend op de verplichting tot betaling van een geldsom een voorschot verlenen, als redelijkerwijs kan worden aangenomen dat een verplichting tot betaling zal worden vastgesteld. De Dienst Toeslagen heeft toegelicht dat hij beleid heeft opgesteld onder welke voorwaarden een voorschot werkelijke schade kan worden toegekend. Dit beleid is op internet te vinden.
Uit dit beleid volgt dat eiseres pas een voorschot kan ontvangen als zij een definitieve beschikking over de integrale beoordeling heeft ontvangen, er een aanvraag voor vergoeding van aanvullende schade in behandeling is bij de CWS en zij een voorschot nodig heeft om op korte termijn uitgaven te kunnen doen, waarvoor zij nu geen geld heeft. Als aan deze drie voorwaarden is voldaan, kan er eenmalig om een voorschot worden verzocht. Het voorschot wordt alleen toegekend als de Uitvoeringsdienst Herstel Toeslagen kan vaststellen dat eiseres naar verwachting nog recht heeft op een aanvullende schadevergoeding.
Het voorschot bestaat vervolgens uit een optelsom van bouwstenen die de CWS ook hanteert in haar schadekader voor de vaststelling van de werkelijke schade. De relevante bouwstenen voor het voorschot zijn de bouwstenen A,B,C en E die de CWS ook hanteert voor de vaststelling van immateriële schade. Het gaat om zogenaamde forfaitaire bedragen, dat zijn bedragen die vooraf zijn vastgesteld en niet afhankelijk zijn van de werkelijke schade in het individuele geval. De bouwstenen zijn gemaximeerd.
9. De Dienst Toeslagen heeft op de zitting uitgelegd dat voor dit voorschotbeleid is gekozen, omdat deze forfaitaire immateriële schadeposten eenvoudig zijn vast te stellen en niet zoveel onderzoek vragen als de vaststelling van de werkelijke materiële schadeposten van een gedupeerde. Ook is relevant dat de Dienst Toeslagen het bedrag dat als voorschot wordt verstrekt niet terugvordert als achteraf blijkt dat er geen recht bestaat op vergoeding van de werkelijke schade.
10. De rechtbank vindt dit op zichzelf geen onredelijke invulling van de beleidsruimte die de Dienst Toeslagen op grond van artikel 4:95 van de Awb heeft.
11. Eiseres heeft aangevoerd dat zij juist veel materiële schade heeft geleden en dat zij wil dat die ook bij de berekening van het voorschot worden betrokken. Eiseres heeft echter niet toegelicht waarom die materiële schade, die dus geen onderdeel uitmaakt van het hiervoor geschetste voorschotbeleid van de Dienst Toeslagen, in haar geval toch bij de toekenning van een voorschot zou moeten worden betrokken. Zij heeft de gestelde schade, die vooral bestaat uit schulden, ook niet concreet onderbouwd. Al zou de materiële schade bij de voorschotverlening een rol kunnen spelen, geldt dat deze schade op dit moment door de Dienst Toeslagen dus niet is vast te stellen. De beroepsgrond van eiseres slaagt daarom niet.
12. De rechtbank begrijpt uit wat eiseres heeft toegelicht op de zitting dat zij zich in een moeilijke financiële situatie bevindt en ook haar medische situatie haar zorgen baart. Die omstandigheden, hoe lastig voor eiseres ook, kunnen in deze procedure over het voorschot echter geen rol spelen. Het voorschotkader is daar namelijk niet op ingericht. Wat eiseres verder heeft aangevoerd over de aanwezigheid van een spoedeisend belang, is naar het oordeel van de rechtbank ook niet relevant, omdat dit ook geen onderdeel uitmaakt van het voorschotkader dat de Dienst Toeslagen gebruikt. Het beroep van eiseres is dus ongegrond.
Conclusie en gevolgen
13. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het voorschotbedrag zoals de Dienst Toeslagen dat in het besluit van 4 juli 2025 heeft vastgesteld niet verhoogd hoeft te worden. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Schnitzler, rechter, in aanwezigheid van mr. M.E.C. Bakker, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 8 juni 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.