RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 juli 2026 in de zaak tussen
Stichting Werkgroep Wolf Leusden, uit Leusden, eiseres
Het college van gedeputeerde staten van de provincie Utrecht
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/123
(gemachtigde: D.T. van Dijkhuizen),
en
(gemachtigde: F. Aydemir).
Procesverloop
1. Deze uitspraak gaat over het beroep van eiseres omdat het college niet op tijd heeft beslist op haar verzoek op grond van de Wet open overheid (Woo).
De rechtbank heeft de behandeling van het beroep niet-tijdig, dat gepland stond op een zitting van 11 maart 2026, aangehouden.
Het college heeft in een e-mailbericht van 7 april 2026 nadere informatie gegeven over de termijn waarbinnen beslist zal worden op het Woo-verzoek van eiseres.
De rechtbank heeft partijen vervolgens laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of partijen het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarmee hebben ingestemd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.
Op 16 juni 2026 heeft het college alsnog een besluit genomen op het Woo- verzoek van eiseres.
Eiseres heeft op 9 juli 2026 laten weten dat zij het niet eens is met dit besluit en haar beroep niet intrekt.
Beoordeling door de rechtbank
2. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het uitblijven van een besluit op haar Woo-verzoek. Inmiddels heeft het college een besluit op dat verzoek genomen. Het college heeft dus gedaan wat eiseres wilde. Omdat zij het beroep niet heeft ingetrokken, moet de rechtbank nog wel een beslissing nemen over dat beroep.
3. Het beroep is niet-ontvankelijk. Eiseres wilde met haar beroep bereiken dat het college zou beslissen op haar Woo-verzoek en dat is gebeurd. Eiseres heeft daarom geen belang meer bij het beroep, voor zover dat gericht was tegen het niet tijdig nemen van een besluit.
4. Artikel 6:20, derde lid, van de Awb bepaalt echter dat een beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit ook betrekking heeft op het alsnog genomen besluit, tenzij dit geheel aan het beroep tegemoet komt. Het besluit van 16 juni 2026 komt niet geheel tegemoet aan het Woo-verzoek van eiseres en daarom richt het beroep zich nu van rechtswege ook tegen dit besluit. Eiseres heeft ook laten weten dat zij het niet eens is met de inhoud van dit besluit.
5. De rechtbank zal het beroep echter niet zelf behandelen, maar met toepassing van artikel 6:20, vierde lid, van de Awb doorsturen aan het college om in bezwaar te behandelen. Eiseres is het, zo blijkt uit haar beroepsgronden, niet eens met de weigering om financiële gegevens openbaar te maken en vindt die weigering ook niet voldoende gemotiveerd. De rechtbank vindt dat het eerst op de weg van het college ligt om deze gronden te betrekken bij een volledige heroverweging in bezwaar, zoals bedoeld in artikel 7:11, eerste lid, van de Awb.
6. Er zijn geen proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen. Wel moet het college het griffierecht ter hoogte van € 397,- aan eiseres betalen.
Beslissing
De rechtbank:- verklaart het beroep voor zover gericht tegen het niet-tijdig beslissen niet-ontvankelijk;- stuurt het beroep voor zover gericht tegen het besluit van 16 juni 2026 door naar het college om in bezwaar te behandelen;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 397,- aan eiseres moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J. Blok, rechter, in aanwezigheid van mr. M.E.C. Bakker, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 22 juli 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.