ECLI:NL:RBMNE:2026:544

ECLI:NL:RBMNE:2026:544

Instantie Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak 09-02-2026
Datum publicatie 20-02-2026
Zaaknummer C/16/604018 / KL ZA 25-315
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Kort geding
Zittingsplaats Lelystad

Samenvatting

Kort geding. Nakoming koopovereenkomst aandelen. Partijen twisten over aanvullende voorwaarden levering. Gedaagde niet gehouden aan aanvullende voorwaarden, want het is aannemelijk dat zij vernietigd worden wegens een wilsgebrek.

Uitspraak

RECHTBANK Midden-Nederland

Civiel recht

Zittingsplaats Lelystad

Zaaknummer: C/16/604018 / KL ZA 25-315

Vonnis in kort geding van 9 februari 2026

in de zaak van

[eiser] ,

wonende in [woonplaats] ,

eisende partij in conventie,

verwerende partij in reconventie,

hierna te noemen: [eiser] ,

advocaat: mr. S.W. Holterman,

tegen

[gedaagde] B.V.,

statutair gevestigd te [vestigingsplaats] ,

gedaagde partij in conventie,

eisende partij in reconventie,

hierna te noemen: [gedaagde] ,

advocaat: mr. M.J. Elkhuizen.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met 22 producties;- de conclusie van antwoord met 21 producties;

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 12 januari 2026.

[eiser] was aanwezig met de advocaten mr. S.W. Holterman en mr. N. Verhage.

Aan de zijde van [gedaagde] waren aanwezig de heer [gedaagde] als bestuurder,

vertegenwoordigd door mr. M.J. Elkhuizen. De spreekaantekeningen die de advocaten

hebben voorgedragen zijn aan het dossier toegevoegd. De griffier heeft aantekeningen

gemaakt van wat tijdens de mondelinge behandeling is besproken.

2. De kern van de zaak

Partijen hebben afgesproken dat [gedaagde] de aandelen van [eiser] in [bedrijf 1] B.V. (hierna: [bedrijf 1] ) zal terugkopen voor een koopprijs van

€ 48.632,08. [gedaagde] én [eiser] willen dat deze aandelen geleverd worden, zij verschillen alleen van mening over de exacte voorwaarden waaronder dit moet gebeuren. [eiser] vindt dat de akte van levering een aantal bepalingen moet bevatten waarin haar – onder meer – décharge verleend wordt en haar aansprakelijkheid in de toekomst wordt beperkt. [gedaagde] wil deze bepalingen juist niet in de akte van levering, of in gewijzigde vorm. [gedaagde] krijgt grotendeels gelijk.

3. De beoordeling

In een kortgedingprocedure wordt gevraagd om een spoedmaatregel te nemen. De wet gaat ervan uit dat na de kortgedingprocedure een gewone rechtszaak zal komen, dit heet een ‘bodemprocedure’. Een kortgedingprocedure loopt op een bodemprocedure vooruit. De voorzieningenrechter in kort geding probeert in te schatten of een bodemrechter de vordering waarschijnlijk zal toewijzen. Een kortgeding uitspraak is daarom niet meer dan een voorlopige beslissing waarbij een spoedeisend belang bij de vorderingen aanwezig is. Daarom moeten belangrijke feiten duidelijk zijn, want tijd voor bewijslevering is er niet. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen.

Gelet op de samenhang van de vorderingen in conventie en reconventie zullen deze grotendeels gezamenlijk worden beoordeeld.

Spoedeisend belang

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter hebben [eiser] (bij haar vorderingen in conventie) en [gedaagde] (bij zijn vorderingen in reconventie) een spoedeisend belang. Beide partijen zijn het er ook over eens dat er een spoedeisend belang bestaat bij de overdracht van de aandelen, omdat het onwenselijk is dat [eiser] formeel bestuurder en aandeelhouder blijft van [bedrijf 1] . [gedaagde] is namelijk de feitelijk beleidsbepaler, en de verhouding tussen de twee is zeer gespannen. Partijen zijn familie van elkaar en wonen in hetzelfde dorp. Hierdoor is het niet in belang van de vennootschap en partijen dat de situatie nog lang voortduurt.

De overeenkomst tot koop van de aandelen

[gedaagde] is de oprichter van [bedrijf 1] . In 2021 heeft hij, in verband met een hiervan losstaand juridisch geschil, zijn aandelen overgedragen aan [eiser] . Op 10 mei 2021 zijn partijen een terugkoopoptie overeengekomen. Daarin hebben zij onder meer afspraken gemaakt over het salaris van [eiser] , en afgesproken dat [gedaagde] binnen 5 jaar de aandelen in [bedrijf 1] voor dezelfde prijs van [eiser] kan terugkopen. De voorzieningenrechter neemt naar aanleiding van hetgeen daarover ter zitting is verklaard aan dat het de bedoeling van partijen was dat [eiser] op papier de bestuurder en enig aandeelhouder zou worden van [bedrijf 1] , maar dat er feitelijk niets aan hun rollen zouden veranderen. Dat is ook niet gebeurd. Feitelijk is [gedaagde] beleidsbepaler van [bedrijf 1] gebleven en hij heeft altijd aan het roer van de vennootschap gestaan. In dit kader hebben [gedaagde] en [eiser] ook afspraken gemaakt over het salaris dat [eiser] ontving In maart 2025 doet [gedaagde] een beroep op deze voornoemde terugkoopoptie.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is de koopovereenkomst in maart 2025 tot stand gekomen. De koopoptie in de overeenkomst van 10 mei 2021 geldt namelijk als een optiebeding in de zin van artikel 6:219 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Dit houdt in dat [eiser] daarmee aan [gedaagde] een onherroepelijk aanbod heeft gedaan tot de terugkoop van de aandelen van [bedrijf 1] . Door aanvaarding van dat onherroepelijke aanbod komt de koopovereenkomst tot stand. De koopovereenkomst is dus tot stand gekomen door de aanvaarding van [gedaagde] in maart 2025. Vanaf dat moment bestond voor beide partijen de verplichting om mee te werken aan levering en dus de notariële akte daartoe te ondertekenen.

De voorwaarden in de akte van levering

Over het bestaan van de (verplichtingen uit de) koopovereenkomst zijn partijen het in principe eens, ook over de prijs. Zij twisten alleen over de voorwaarden van de levering. In conventie vordert [eiser] – kort gezegd – om [gedaagde] te gebieden volledige medewerking te verlenen aan het leveren van de aandelen in [bedrijf 1] op basis van de akte van levering die op 28 oktober 2025 is opgesteld door de notaris (hierna: de akte van levering). In reconventie vordert [gedaagde] – kort gezegd – om Van Velhuizen medewerking te verlenen aan het leveren van de aandelen in [bedrijf 1] op basis van diezelfde akte van levering, maar met verwijdering van artikelen 2 tot en met 4, en verwijdering van zinsnede waarin bepaald wordt dat [gedaagde] aan [eiser] décharge verleent. Het gaat om de volgende bepalingen:

“2. Behoudens het gestelde in voorgaande bepaling verleent de Verkoper aan de Koper geen enkele vrijwaring of garantie hoe ook genaamd, ook niet voorzover het betreft een garantie welke voortvloeit uit het bepaalde in artikel 7:17 van het Burgerlijk Wetboek, welk eventueel beroep van de zijde van de Koper op non-conformiteit door partijen uitdrukkelijk wordt uitgesloten.

3. Voor rekening van de Koper zijn vanaf heden alle baten en lasten van de Aandelen. In afwijking van het bepaalde in artikel 2:216 van het Burgerlijk Wetboek geldt, dat aan de Koper eveneens toekomen alle dividenden en andere uitkeringen op de Aandelen, welke heden nog niet zijn vastgesteld.

4. De kosten en belastingen vallende op deze verkoop en levering zijn voor rekening van de Koper. De Verkoper en Koper zijn volledig bekend met de vermogenspositie en verplichtingen van de Vennootschap en verlangen daarvan geen nadere omschrijving.

(…)

De Koper – thans als enig aandeelhouder van de Vennootschap – verleent de Verkoper als bestuurder van de Vennootschap décharge voor het tot en met heden gevoerde beleid van de Vennootschap voor zover bij Koper bekend.”

De vraag die aldus voorligt, is hoe om te gaan met deze nadere afspraken die in de notariële akte zijn neergelegd. [eiser] vindt dat [gedaagde] de notariële akte, inclusief deze bepalingen, moet ondertekenen. [gedaagde] heeft namelijk (via zijn advocaat) op 28 oktober akkoord gegeven op de inhoud van deze akte, waarna de advocaat van [eiser] op 30 oktober akkoord was. Op dat moment zou er sprake zijn van overeenstemming over de inhoud van de akte. [gedaagde] vindt dat deze bepalingen geschrapt moeten worden uit de akte van levering, of in elk geval moeten worden gewijzigd. Hij meent namelijk dat hij niet meer gehouden kan worden aan deze nadere afspraken door de gedragingen van [eiser] rondom het opstellen van de akte. Dit is onder meer het geval omdat [eiser] vanuit [bedrijf 1] dividend aan zichzelf heeft uitgekeerd zonder dat [gedaagde] daarvan op de hoogte was.

De vordering in conventie wordt afgewezen: [gedaagde] is niet gehouden aan de betreffende artikelen in de akte van levering

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is [gedaagde] niet gehouden aan het ondertekenen van de akte van levering voor zover deze de betreffende bepalingen bevat. Voor zover partijen deze voorwaarden al zijn overeengekomen na het akkoord van beide advocaten op 28 en 30 oktober 2025, acht de voorzieningenrechter het aannemelijk dat deze in de bodemprocedure (deels) vernietigd kunnen worden in verband met een wilsgebrek van [gedaagde] wegens dwaling. Daarom moet de leveringsakte wel ondertekend worden, maar in gewijzigde vorm. De voorzieningenrechter zal hierna uitleggen waarom hij tot die conclusie komt.

Op grond van artikel 6:228 BW is een overeenkomst vernietigbaar wanneer die tot stand is gekomen onder invloed van een onjuiste voorstelling van zaken en bij een juiste voorstelling van zaken niet zou zijn gesloten en als de wederpartij (in dit geval [eiser] ) in verband met wat zij over de dwaling wist, de dwalende ( [gedaagde] ) had behoren in te lichten. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is het aannemelijk dat hiervan sprake is in deze situatie, om de volgende redenen.

Er heerste een onjuiste voorstelling van zaken bij [gedaagde]

Tot augustus 2025 heeft [eiser] nimmer dividend aan zichzelf uitgekeerd, en werd [gedaagde] op de hoogte gehouden van alle financiële aangelegenheden die [bedrijf 1] aangingen. Onder die omstandigheden is de overeenkomst tot terugkoop op 10 mei 2025 tot stand gekomen. Vanaf medio augustus 2025 ontving [gedaagde] geen financiële overzichten meer van [bedrijf 1] . Hoewel partijen twisten over hoe regelmatig [gedaagde] deze hiervoor ontving ( [gedaagde] zegt wekelijks en [eiser] meent minder regelmatig), staat in elk geval vast dat hij deze sindsdien in het geheel niet meer ontvangen heeft, en dat hij vanaf 31 oktober helemaal geen toegang meer heeft tot de financiële administratie van [bedrijf 1] . [gedaagde] heeft meermaals om financiële informatie verzocht in september en oktober, maar op deze verzoeken is geen reactie gekomen. Omdat [gedaagde] argwaan kreeg door het gebrek aan financiële informatie heeft hij nader onderzoek verricht. Op 31 oktober, de ochtend voor de levering, ontdekte [gedaagde] een aantal ongebruikelijke overboekingen waar hij eerder nog niet van af wist. Op 10, 16, 18 en 19 september waren overboekingen geadministreerd van [bedrijf 2] , een andere vennootschap van [gedaagde] , naar [bedrijf 1] . Deze overboekingen betroffen een ‘aflossing van een lening van [bedrijf 1] aan [bedrijf 2] ’. Vervolgens bleek vanuit [bedrijf 1] tussen 19 september en 31 oktober in totaal € 4.570.000,00 te zijn uitgekeerd aan een niet-geadministreerde ontvanger, die later [eiser] bleek te zijn. Onderdeel van deze overboeking is een voorschot op een nader te nemen dividendbesluit, ter grootte van ruim € 3.775.000,00. Deze overboekingen heeft [eiser] niet aan [gedaagde] medegedeeld, althans niet op of voor 28 oktober 2025.

Hieruit blijkt dat op het moment van akkoord op de (bepalingen in) de akte van levering op 28 oktober 2025 een onjuiste voorstelling van zaken heerste bij [gedaagde] . Hij wist toen namelijk niet dat [eiser] vanuit [bedrijf 1] dividend aan zichzelf had uitgekeerd, en vanuit [bedrijf 2] een lening van [bedrijf 1] heeft afgelost. Partijen hebben allebei op de mondelinge behandeling verteld dat [gedaagde] de feitelijk leidinggevende was, en dat [gedaagde] altijd om toestemming werd gevraagd voor grote betalingen. Hij verkeerde daarmee in de veronderstelling dat hij precies op de hoogte was van het handelen van [eiser] als bestuurder en aandeelhouder, en het reilen en zeilen van [bedrijf 1] , daaronder de vermogenspositie van [bedrijf 1] mede begrepen. Onder die (verkeerde) voorstelling van zaken, heeft [gedaagde] ingestemd met de voorwaarden die eventuele aansprakelijkheid van [eiser] beperken (artikel 2), garanderen dat [gedaagde] volledig op de hoogte was van de vermogenspositie van [bedrijf 1] (artikel 4), en de bepaling die décharge verleent aan [eiser] voor haar handelen als bestuurder. Ook voor artikel 3 geldt dat dit een bepaling is waarvan [gedaagde] geen reden had om aan te nemen dat deze onderwerp zou worden van debat, en dat [eiser] zich op deze bepaling zou baseren om dividend aan zichzelf uit te keren.

Zonder deze voorstellingen was [gedaagde] niet akkoord gegaan

Het is aannemelijk dat [gedaagde] , als hij op de hoogte was geweest van deze uitkeringen, niet akkoord was gegaan met deze voorwaarden. Hij kon namelijk niet garanderen op de hoogte te zijn van de precieze vermogenspositie en verplichtingen van [bedrijf 1] (artikel 4) nu hij dat feitelijk niet was. Dat [gedaagde] ook niet akkoord zou zijn gegaan met de bepalingen over de aansprakelijkheidsbeperking (artikel 2), de dividenden (artikel 3) en de déchargeverlening is eveneens aannemelijk, omdat hij heeft geweigerd de akte van levering te ondertekenen toen hij op 31 oktober de betalingen ontdekte.

[eiser] had [gedaagde] moeten inlichten

Tot slot had [eiser] [gedaagde] als feitelijk leidinggevende en gezien hun taakverdeling op de hoogte moeten stellen van de betalingen. [eiser] heeft nog aangevoerd dat zij als aandeelhouder gerechtigd is om dividend aan zichzelf uit te keren, en dat zij dit dus niet had hoeven te delen met [gedaagde] . De voorzieningenrechter gaat hier niet in mee. De procedure in kort geding leent zich niet voor een uitgebreide beoordeling, eventueel met bewijslevering, van de vraag of [eiser] gerechtigd was om dividend uit te keren. Vast staat in elk geval dat vanuit [bedrijf 1] nooit eerder dividend is uitgekeerd, en [gedaagde] normaal gesproken om toestemming werd gevraagd voor elke grote betaling door [bedrijf 1] , hetgeen voor de dividenduitkeringen niet is gebeurd. Hieruit blijkt in elk geval dat [gedaagde] in de veronderstelling verkeerde dat [eiser] geen dividend zou ontvangen. [eiser] had hem, gezien hoe de taakverdeling altijd is vormgegeven, hiervan op de hoogte moeten stellen.

[eiser] heeft verder aangevoerd dat zij het niet nodig vond om de financiële informatie te verschaffen, omdat zij dacht dat [gedaagde] daar via zijn eigen administrateur wel inzicht in zou kunnen krijgen. Ook dit overtuigt de voorzieningenrechter niet. Vast staat dat [eiser] in elk geval vanaf 15 augustus geen informatie meer heeft gegeven aan [gedaagde] , en niet heeft gereageerd op herhaaldelijke verzoeken daartoe. Ook is gebleken dat [gedaagde] in elk geval vanaf 31 oktober helemaal geen toegang meer heeft tot de financiële gegevens van [bedrijf 1] .

Uit het voorgaande volgt dat [gedaagde] niet gehouden kan worden de akte van levering inclusief artikelen 2 tot en met 4 en de déchargebepaling te ondertekenen. De vordering in conventie zal dus worden afgewezen.

De vordering in reconventie wordt (deels) toegewezen: de artikelen in de akte van levering worden gewijzigd

Primair heeft [gedaagde] gevorderd dat de betreffende bepalingen uit de akte van levering worden geschrapt. Hier gaat de voorzieningenrechter niet in mee, gelet op de belangen van [eiser] , en de feitelijke situatie binnen [bedrijf 1] vóór 15 augustus. Zoals hiervoor benoemd, hebben beide partijen aangegeven dat [gedaagde] feitelijk de leiding had over [bedrijf 1] , en toegang had tot alle (financiële) gegevens van de vennootschap, ook terwijl [eiser] enig bestuurder en aandeelhouder was. Dit veranderde pas op 15 augustus 2025, toen de toegang van [gedaagde] tot de financiële administratie werd beperkt, zijn verzoeken om informatie werden genegeerd, en er financiële transacties plaatsvonden zonder zijn toestemming. Het zou daarom naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet redelijk zijn om de betreffende bepalingen in zijn geheel te schrappen uit de akte van levering. Het zou meer recht doen aan de situatie om de bepalingen aan te passen. Dat betekent dat de voorwaarden zullen worden gewijzigd op onderstaande wijze:

“2. Behoudens het gestelde in voorgaande bepaling verleent de Verkoper aan de Koper tot 15 augustus 2025 geen enkele vrijwaring of garantie hoe ook genaamd, ook niet voorzover het betreft een garantie welke voortvloeit uit het bepaalde in artikel 7:17 van het Burgerlijk Wetboek, welk eventueel beroep van de zijde van de Koper op non-conformiteit door partijen uitdrukkelijk wordt uitgesloten.

3. [geschrapt]

4. De kosten en belastingen vallende op deze verkoop en levering zijn voor rekening van de Koper. De Verkoper en Koper waren tot 15 augustus 2025 volledig bekend met de vermogenspositie en verplichtingen van de Vennootschap en verlangen daarvan geen nadere omschrijving.

(…)

De Koper – thans als enig aandeelhouder van de Vennootschap – verleent de Verkoper als bestuurder van de Vennootschap décharge voor het tot en met 15 augustus 2025 gevoerde beleid van de Vennootschap voor zover bij Koper bekend.”

Artikel 2, 4, en de déchargebepaling zijn in tijd beperkt tot 15 augustus 2025, omdat tussen partijen vast staat dat op dat moment [gedaagde] nog volledig op de hoogte was van het handelen van [eiser] , en de vermogenspositie van [bedrijf 1] . De wijzigingen zijn door de voorzieningenrechter onderstreept. Artikel 3 over dividend wordt, gelet op de belangen van [gedaagde] zoals hiervoor besproken, geschrapt. Of dividend uitgekeerd mocht worden, en in welke mate, is onderwerp van het debat tussen partijen en zal in een bodemprocedure beoordeeld moeten worden. De belangen van [eiser] in dit kader zijn voldoende beschermd, omdat dit recht van de aandeelhouder ook wettelijk is vastgelegd.

Belangenafweging

De belangenafweging maakt dit oordeel niet anders. Beide partijen hebben aangegeven dat zij een groot belang hebben bij het snel leveren van de aandelen. [eiser] heeft weinig aangevoerd waaruit haar belang bij de betreffende bepalingen zou blijken. Bovendien is haar positie tot 15 augustus 2025 beschermd, waardoor haar belangen niet opwegen tegen de belangen van [gedaagde] bij het wijzigen van de akte van levering.

De vordering in reconventie wordt toegewezen op straffe van een dwangsom

[gedaagde] heeft gevraagd de vorderingen toe te wijzen op straffe van een direct opeisbare dwangsom van € 100.000,00 per overtreding, te vermeerderen met € 10.000,00 per dag(deel) dat de overtreding voortduurt, met een maximum van € 1.000.000,00. De voorzieningenrechter wijst dit toe. [eiser] heeft geen verweer gevoerd tegen deze verzochte dwangsom en zij heeft overigens in conventie dezelfde dwangsom gevorderd. Bovendien zal zij geen nadeel ondervinden van de opgelegde dwangsom als zij de veroordeling naleeft.

[eiser] moet de proceskosten in conventie en reconventie betalen

[eiser] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten in conventie worden begroot op:

- griffierecht

714,00

- salaris advocaat

1.177,00

- nakosten

148,00

(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

2.039,00

De proceskosten van [gedaagde] in reconventie worden begroot op:

- salaris advocaat

1.177,00

- nakosten

148,00

(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

1.325,00

4. De beslissing

De voorzieningenrechter

in conventie

wijst de vorderingen van [eiser] af,

veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 2.039,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

in reconventie

gebiedt [eiser] volledige medewerking te verlenen, telkens binnen 48 uur na een eerste verzoek daartoe, aan al hetgeen door of namens [gedaagde] of de notaris aan [eiser] wordt gevraagd verband houdende met de (ver)koop en levering van de aandelen in [bedrijf 1] door [eiser] aan [gedaagde] voor een koopprijs van

€ 48.632,08, waaronder in ieder geval, maar niet uitsluitend begrepen het verstrekken van een volmacht ter ondertekening van de akte conform de concept akte van levering van 28 oktober 2025, met de wijzigingen zoals geformuleerd onder overweging 3.16 van dit vonnis,

veroordeelt [eiser] om aan [gedaagde] een dwangsom te betalen van

€ 100.00,00 per overtreding, te vermeerderen met € 10.000,00 per dag dat de overtreding voortduurt, met een maximum van € 1.000.000,00,

veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 1.325,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,

in conventie en in reconventie

veroordeelt [eiser] tot betaling van € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.J. Baken, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier op 9 februari 2026.

5827

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?