ECLI:NL:RBMNE:2026:5441

ECLI:NL:RBMNE:2026:5441

Instantie Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak 14-07-2026
Datum publicatie 12-08-2026
Zaaknummer C/16/611175 / FA RK 26-897
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Beschikking
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

afwijziging verzoek wijziging voorlopige voorziening, geen wijziging omstandigheden, geen sprake van onjuiste informatie

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familierecht

locatie Utrecht

zaaknummer: C/16/611175 / FA RK 26-897

Voorlopige voorzieningen

Beschikking van 14 juli 2026

in de zaak van:

[de vrouw] ,

wonende in [woonplaats] ,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. D. Rezaie,

tegen

[de man] ,

wonende in [woonplaats] ,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. A. Hashem Jawaheri.

1. De procedure

De rechtbank heeft de volgende stukken ontvangen:

het verzoekschrift van de vrouw (met bijlagen), binnengekomen op 5 mei 2026;

het verweerschrift van de man (met bijlagen) met daarin een aantal zelfstandige verzoeken (tegenverzoeken), binnengekomen op 24 juni 2026;

het bericht van mr. D. Rezaie van 29 juni 2026 waarin hij zich stelt als advocaat van de vrouw in plaats van mr. W. Matadien, de voormalige advocaat van de vrouw;

de bijlagen van de vrouw ontvangen op 29 juni 2026.

Het verzoek is behandeld tijdens de mondelinge behandeling (zitting) van 30 juni 2026. Daarbij waren partijen met hun advocaten aanwezig. Ook waren aanwezig de heer D. Hosseini als tolk voor de vrouw en de heer J. Labban als tolk voor de man.

2. Waar deze procedure over gaat

Partijen zijn met elkaar getrouwd. Er loopt een echtscheidingsprocedure tussen partijen (zaaknummers: C/16/607094 / FA RK 26-313 en C/16/614017 / FA RK 26-1389).

In de beschikking van deze rechtbank van 10 april 2026 zijn voorlopige voorzieningen getroffen en is bepaald dat de man uitsluitend gerechtigd is tot het gebruik van de woning aan de [adres] in [plaats] en de daarbij behorende inboedel, met bevel dat de vrouw die woning moet verlaten en deze verder niet mag betreden (zaaknummer: C/16/607328 / FA RK 26-348).

De vrouw verzoekt de rechtbank om de beschikking van 10 april 2026 te wijzigen en te beslissen dat alleen zij de woning en de daarbij behorende inboedel mag gebruiken.

De man is het niet eens met de verzoeken van de vrouw. Hij verzoekt de rechtbank om de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoek of om haar verzoek af te wijzen, met daarbij de veroordeling van de vrouw in de proceskosten.

3. De beoordeling

De beslissing

De rechtbank wijst het verzoek van de vrouw om de beschikking van 10 april 2026 te wijzigen en te beslissen dat alleen zij de woning mag gebruiken af. Hierna legt de rechtbank uit waarom zij dit doet.

Het juridisch kader

De rechtbank stelt voorop dat een voorlopige voorziening een ordemaatregel is die bedoeld is om rust en duidelijkheid te creëren in de vaak hectische echtscheidingsperiode. De procedure leent zich - in tegenstelling tot de bodemprocedure - niet voor een uitgebreid onderzoek. Daarnaast is hoger beroep tegen voorlopige voorzieningen niet mogelijk. Wel kan om wijziging van de voorlopige voorzieningen worden verzocht. Een dergelijke wijziging is alleen mogelijk als de omstandigheden na de datum van de beschikking zodanig zijn gewijzigd of als bij het geven van de beschikking van zodanige onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan dat, alle betrokken belangen in aanmerking genomen, de voorziening niet in stand kan blijven. Dit is een strenge toets. Met het opnemen van de zinsnede ‘in zodanige mate’ en ‘alle betrokken belangen in aanmerking nemend’ heeft de wetgever tot uitdrukking gebracht dat niet iedere onjuistheid of onvolledigheid van gegevens waarvan de rechtbank is uitgegaan tot een wijziging of intrekking kan leiden. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat het daarbij moet gaan om evidente, zeer sprekende gevallen en dat de wetgever een eventuele wijzigingsmogelijkheid aan een streng criterium heeft willen binden. Zou dit anders zijn, dan zou een verzoek tot wijziging van voorlopige voorzieningen kunnen worden gebruikt om een verzuim te herstellen of zou een verkapt hoger beroep mogelijk zijn.

In deze zaak is niet voldaan aan bovengenoemde criteria. Hierna wordt dit toegelicht.

Wijziging van omstandigheden

De rechtbank is van oordeel dat de vrouw niet heeft aangetoond dat de omstandigheden na de beschikking van 10 april 2026 zijn gewijzigd. De feiten en stellingen die vrouw in haar verzoekschrift als gewijzigde omstandigheden naar voren brengt, zijn in feite een herhaling van de feiten die in de eerdere voorlopige voorzieningenprocedure aan de orde zijn geweest en (deels) vastgesteld. Zij vormen een betwisting van de oordelen van de rechtbank in de beschikking 10 april 2026. De rechtbank beschouwt deze inhoud als een verkapt hoger beroep.

De rechtbank heeft de (nieuwe) advocaat van de vrouw op de zitting zo begrepen dat voor het beroep op een wijziging van omstandigheden nu nog enkel verwezen wordt naar de huidige psychische situatie van de vrouw. Hiertoe zijn een verklaring van de psycholoog en psychiater van 28 april 2026 en een verslag van de Arbodienst van 18 juni 2026 overgelegd. Daarin staat heel kort gezegd dat de vrouw een voorgeschiedenis van psychische klachten heeft en door de echtscheidingssituatie en de gebeurtenissen haar psychische belasting verder is vergroot. De rechtbank wijst er, net als de man, op dat de psychische situatie van de vrouw al precair was tijdens de eerdere voorlopige voorzieningenprocedure en daarom reeds meegewogen is in de belangenafweging in de beschikking van 10 april 2026. Bovendien lijkt de input van de producties die de vrouw heeft overgelegd ingegeven te zijn door de zienswijze van de vrouw dat de uitkomst van de vorige voorlopige voorzieningenprocedure, dat zij de woning moest verlaten, en het handelen van de man daarnaar volkomen onverwacht en onterecht is geweest. Dat is niet het geval. De uitkomst in de beschikking van 10 april 2026 was een mogelijkheid waar de vrouw rekening mee diende te houden en de man stond in zijn recht om uitvoering te geven aan de beschikking die de rechtbank heeft gewezen. De rechtbank begrijpt dat deze uitkomst en situatie voor de vrouw onprettig is en voor stress zorgt, maar dit betekent niet dat dit een gewijzigde omstandigheid is op grond waarvan de eerdere voorlopige voorziening gewijzigd dient te worden.

Onjuiste of onvolledige gegevens

De vrouw heeft ook niet aangetoond dat bij het geven van de beschikking van 10 april 2026 is uitgegaan van zodanige onjuiste of onvolledige gegevens.

De vrouw heeft aangevoerd dat de rechtbank de man onterecht in verschillende stellingen heeft gevolgd. Daarbij noemt zij de volgende drie punten waarbij de rechtbank is uitgegaan van onjuiste gegevens: a. de vakantiewoning, b. de psychische toestand van de man en c. de mogelijkheid voor de vrouw om elders te verblijven dan in de echtelijke woning. Hieronder gaat de rechtbank in op die punten.

De vrouw vindt dat de rechtbank onterecht ervan is uitgegaan dat de man niet langer meer in de vakantiewoning kan verblijven en ook dat hij niet bij zijn nieuwe partner kan verblijven. Volgens de vrouw had de man door de vakantiewoning juist een mogelijkheid om elders te verblijven en daarnaast had hij ook bij zijn nieuwe partner kunnen verblijven. De rechtbank constateert dat ten aanzien van die nieuwe partner, gelet op de betwisting door de man, ook in deze procedure door de vrouw geen informatie of stukken zijn overlegd. Daarom kan de rechtbank de stelling van de vrouw dat de man bij zijn nieuwe partner verbleef en kan verblijven niet vaststellen. Dat de man een vakantiewoning in België voor een aantal dagen heeft geboekt voor twee personen en een hond is onvoldoende om vast te stellen dat de man bij zijn nieuwe partner verbleef en kan verblijven. De man heeft voorts gesteld dat hij niet de lasten van zowel de woning als van het vakantiehuisje kon dragen. Daar is niets in veranderd. De rechtbank heeft hierbij dus de juiste gegevens gebruikt.

Verder vindt de vrouw dat de rechtbank er onterecht van uit is gegaan dat de man vanwege zijn medische toestand niet langer meer in een vakantiewoning kan verblijven. Dit omdat de man volgens de vrouw zijn medische klachten niet heeft onderbouwd. Anders dan de vrouw constateert de rechtbank dat de man zijn medische toestand heeft onderbouwd in de eerdere voorlopige voorzieningenprocedure door zijn behandelverslagen, informatie over zijn medicijngebruik en een brief van de Maag-, Darm- en Leverarts te overleggen. De vrouw heeft niet met informatie of stukken laten zien dat de inhoud van de stukken van de man onjuist is. Daarom gaat de rechtbank ervan uit dat in de eerdere beschikking is uitgegaan van de juiste gegevens.

Ook vindt de vrouw dat de rechtbank onterecht ervan is uitgegaan dat zij een mogelijkheid had om ergens anders te verblijven dan in de echtelijke woning. Zij zegt dat uit de brieven die man van vier personen uit het netwerk heeft overgelegd niet gebleken is dat de vrouw daar kon verblijven. Voor de rechtbank is onduidelijk of de vrouw of niet bij deze personen kan verblijven. Maar buiten deze mogelijkheden heeft de rechtbank eerder ook overwogen, en doet dat nu nogmaals, dat de vrouw voldoende inkomen heeft om zelfstandig een woonruimte te vinden en te betalen. De vrouw heeft namelijk gezegd dat zij een inkomen van ongeveer € 5.000,- per maand ontvangt. Op de vraag van de rechtbank waarom zij in de auto slaapt en niet met dit inkomen een andere woonruimte zoekt en betaalt, heeft de vrouw geantwoord dat het niet goed met haar gaat en dat zij haar eigen huis nodig heeft. Dit antwoord betekent echter niet dat de rechtbank in de eerdere beschikking is uitgegaan van onjuiste gegevens.

De rechtbank is dus van oordeel dat er geen sprake is van gewijzigde omstandigheden of dat in de eerdere beschikking is uitgegaan van zodanig onjuiste gegevens dat alle betrokken belangen in aanmerking genomen de voorziening niet in stand kan blijven. Dat betekent dat de rechtbank geen andere afweging maakt dan in de beschikking van 10 april 2026 is gedaan. Beide partijen hebben voldoende inkomen om een andere woonruimte te vinden en te betalen, als zij enkel voor die woning verantwoordelijk zijn. Beide partijen hebben belang bij het gebruik van de echtelijke woning. Deze belangenafweging is het in voordeel van de man uitgevallen.

De proceskosten

In zaken tussen (ex-)echtgenoten is het gebruikelijk dat de proceskosten worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten betaalt. De rechtbank ziet in deze zaak onvoldoende reden om van dit uitgangspunt af te wijken.

Hierna volgt de beslissing. De rechtbank gebruikt daar de begrippen uit de wet.

4. De beslissing

De rechtbank:

wijst het verzoek van de vrouw om de beschikking van 10 april 2026 te wijzigen en te beslissen dat alleen zij de woning mag gebruiken af;

compenseert de proceskosten, in die zin dat iedere partij de eigen kosten betaalt.

Dit is de beslissing van de rechtbank, genomen door mr. R.M. Maliepaard, (kinder)rechter, in samenwerking met mr. Ö. Duran, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 juli 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand