ECLI:NL:RBMNE:2026:5458

ECLI:NL:RBMNE:2026:5458

Instantie Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak 08-07-2026
Datum publicatie 12-08-2026
Zaaknummer C/16/609604 / KG ZA 26-184
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Kort geding
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

Eiser komt in kort geding op tegen beëindiging bankrelatie en registratie in anti-witwasregister; toewijzing

Uitspraak

2. De kern van de zaak

De bank heeft de bankrelatie met [eisende partij] opgezegd, omdat ze bij haar klantonderzoek in het kader van de Wet ter voorkoming van witwassen en financiering van terrorisme (Wwft) integriteitsrisico's heeft geconstateerd inzake de herkomst en bestemming van de financiële middelen en ten aanzien van de risicohouding bij de aanschaf van vastgoed. De bank heeft [eisende partij] ook geregistreerd op haar interne Client Acceptance and Anti-Money Laundering List (hierna: het CAAML-register en deze registratie: de CAAML-registratie). Volgens [eisende partij] mocht de bank dat niet doen. In deze kort gedingprocedure vordert hij voortzetting dan wel herstel van de bankrelatie en beëindiging van de CAAML-registratie. Deze vorderingen worden toegewezen.

3. Achtergrond

[eisende partij] houdt zich onder meer bezig met de handel in onroerende zaken en het verstrekken van (ook hypothecaire) leningen aan natuurlijke personen en rechtspersonen voor de aankoop van onroerende zaken. [eisende partij] houdt twee bankrekeningen aan bij de bank, één voor particulieren en een voor zijn eenmanszaak onder de naam [handelsnaam] .

De bank heeft vanaf 7 februari 2023 vragen gesteld aan [eisende partij] . Dit was onderdeel van een klantenonderzoek dat de bank vanaf begin 2023 heeft uitgevoerd naar [onderneming] B.V. (hierna: [onderneming] ). diens enige statutair bestuurder de heer [D] , diens broer [E] en andere vennootschappen en natuurlijke personen. Vanwege de transacties tussen deze vennootschappen en personen heeft de bank deze klanten aangemerkt als een zogenoemd klantcomplex.

De bank is dit onderzoek naar eigen zeggen gestart:

- vanwege ongebruikelijke transacties in de (vastgoed)activiteiten van [onderneming] en [D] in 2021;

- omdat het Openbaar Ministerie in 2021 beslag heeft laten leggen op 28 panden van [onderneming] en [D] . voor een vordering van €4.900.000,-:

- omdat [D] strafrechtelijk is vervolgd voor fraude bij hypotheekaanvragen in 2015, welke procedure op 22 maart 2023 met een vrijspraak is geëindigd: en

- omdat de bank eind 2022 uit de pers had vernomen dat de broer van [D] .

[E] , werd verdacht van georganiseerde internationale drugshandel (en daarvoor op 5 juni 2024 is veroordeeld tot twaalfjaar gevangenisstraf).2

Bij dat onderzoek heeft de bank geen bewijs gevonden voor betrokkenheid van anderen in het klantcomplex bij de drugshandel van [E] . De bank heeft wel geconcludeerd dat sprake is van een netwerk van vennootschappen en natuurlijke personen, dat voornamelijk met elkaar, binnen een gesloten circuit, zaken doet. Bovendien maakt de manier waarop zij dat doen het moeilijk voor de bank om de onderlinge geldstromen in beeld te krijgen. De bank heeft uiteindelijk de bankrelatie opgezegd met een aantal klanten partijen in het klantcomplex, waaronder dus ook die met [eisende partij] .

Naar aanleiding van die opzeggingen zijn er elf kortgedingprocedures bij deze rechtbank aanhangig gemaakt. In het kort geding van [onderneming] is de bank op 19 juni 2026 veroordeeld om de bankrelatie voort te zetten en de CAAML-registratie te beëindigen. In twee andere kort gedingen, waaronder het kort geding van [bedrijf] tegen de bank, zijn de vorderingen echter afgewezen.

4. De beoordeling

Spoedeisend belang

Een eis in kort geding kan worden toegewezen als de partij die de voorziening vraagt een spoedeisend belang heeft. [eisende partij] heeft voldoende aangetoond dat hij een spoedeisend belang heeft bij zijn vorderingen. De beëindiging en de registratie heeft niet alleen tot gevolg dat hij geen gebruik meer zal kunnen maken van zijn twee bankrekeningen bij de bank, maar ook dat het voor hem moeilijker wordt om in de toekomst van bank te wisselen. Als de bank - zoals [eisende partij] stelt - onvoldoende gronden had voor die beëindiging en de registratie, kan van hem niet worden verwacht dat hij de uitkomst van een bodemprocedure afwacht.

Toetsingskader

In een kort geding moet worden beoordeeld of de vorderingen in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat het gerechtvaardigd is om deze nu al, vooruitlopend op die beslissing van de bodemrechter, bij wijze van voorlopige voorziening toe te wijzen.

De kernvraag in deze zaak is dus of voldoende aannemelijk is dat de bodemrechter zal oordelen dat de bank de bankrelatie met [eisende partij] niet had mogen beëindigen, en dus de bankrelatie moet voortzetten. Daar geldt het volgende toetsingskader.

Banken hebben op grond van de Wwft een verantwoordelijkheid bij het signaleren van financieel-economische criminaliteit en andere integriteitsrisico's. Zij moeten zoveel mogelijk voorkomen dat het financiële systeem voor oneigenlijke doelen wordt gebruikt of misbruikt. Daartoe moeten zij onderzoek doen naar hun klanten. Het klantonderzoek houdt onder meer in dat de bank een voortdurende controle moet uitoefenen op de zakelijke relatie en op de transacties die tijdens de duur van de relatie worden verricht. De bank moet zich ervan verzekeren dat die transacties overeenkomen met de kennis die zij heeft van de klant en diens risicoprofiel.3 Een klantonderzoek moet intensiever zijn naarmate de risicofactoren hoger zijn. In bepaalde branches zijn die risicofactoren hoger dan in andere.4

Banken hebben geen formele opsporingsbevoegdheden en zijn bij het doen van het onderzoek afhankelijk van informatie die de bank heeft, informatie uit openbare bronnen en met name informatie van de klant zelf. De klant is daarom op grond van artikel 2, 3 en 7 van de Algemene Bankvoorwaarden (ABV) verplicht de bank te voorzien van de nodige informatie over - onder meer - zijn activiteiten en de manier waarop hij aan het geld is gekomen dat hij bij de bank onderbrengt.

Als een bank concludeert dat een klantonderzoek niet met een positief gevolg kan worden afgerond, dan moet de bank de relatie met die klant beëindigen op grond van artikel 5 lid 3 Wwft. De bank kan dan immers het risico van misbruik van de door haar aangeboden producten en diensten niet overzien. Het is voor de beëindiging niet noodzakelijk dat er concrete bewijzen zijn dat de klant betrokken is bij witwassen of andere criminele activiteiten.

Een bank kan om meerdere redenen tot de conclusie komen dat zij een klantonderzoek niet positief kan afronden. Dat kan het geval zijn als de klant geen antwoord geeft op vragen, als de klant vragen slechts gedeeltelijke of gebrekkig beantwoordt of onvoldoende stukken aanlevert die de antwoorden onderbouwen. De bank kan ook tot die conclusie komen als de klant wel duidelijke antwoorden geeft en stukken aanlevert die de antwoorden onderbouwen, maar de antwoorden ofwel de bank niet overtuigen, ofwel bepaalde zorgen of risico's niet wegnemen.

De bank moet bij de uitvoering van het klantonderzoek zorgvuldig handelen. Dat volgt onder andere uit de in artikel 2 ABV opgenomen verplichting zorgvuldig te zijn in de dienstverlening. De bank moet, bijvoorbeeld, de klant voldoende tijd geven vragen te beantwoorden, moet enige ruimte laten bestaan voor misverstanden, in het bijzonder als de klant een kleine ondernemer is en/of de Nederlandse taal minder goed machtig is, en moet de antwoorden en de stukken die de klant ter onderbouwing daarvan aanlevert goed bestuderen. Bij het trekken van de conclusie dat zij een klantonderzoek niet positief kan afronden moet de bank temeer zorgvuldig handelen. Als de bank de relatie wil beëindigen omdat de antwoorden bepaalde zorgen of risico’s niet wegnemen. moet de bank de klant in het voortraject, bij het stellen van de vragen, een reële kans hebben geboden zich over de feiten die bij de bank zorgen opleveren uit te laten. En de bank moet de opzegging deugdelijk motiveren. Naarmate de klant uitvoeriger antwoorden geeft op vragen die gaan over door de bank genoemde zorgen of risico's, zal de opzegging uitvoeriger gemotiveerd moeten zijn.

Als een bank een relatie met een klant opzegt omdat het klantenonderzoek niet of niet met een positief resultaat kan worden afgerond en de klant betwist dat de bank die conclusie heeft mogen trekken, moet de rechter onderzoeken of de bank juist en zorgvuldig heeft gehandeld. Het ligt dan op de weg van de bank om aannemelijk te maken dat zij een zorgvuldig onderzoek heeft verricht en daaruit onvoldoende informatie heeft verkregen om het klantenonderzoek (positief) te kunnen afronden. Het toetsmoment daarbij is het moment van de opzegging (toetsing `ex tunc').

Als de conclusie is dat de bank na een zorgvuldig onderzoek terecht heeft geconcludeerd het klantonderzoek niet behoorlijk positief te kunnen afsluiten, zal de rechter de bank in her gelijk stellen. Vragen zoals of de klant elders nog een bankrekening heeft of niet, of de opzegging naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is en of de zorgplicht van de bank niet aan de opzegging in de weg staat. komen niet aan de orde. De opzegging vloeit immers voort uit een wettelijke plicht (artikel 5 lid 3 Wwft), ook al is de contractuele grondslag van de opzegging gebaseerd op artikel 35 ABV. Een belangenafweging is daarom niet aan de orde. De zorgplicht van de bank en het belang van de klant bij het hebben van een bankrekening komen al aan bod bij de manier (zorgvuldig) waarop de bank het klantenonderzoek moet verrichten. Een bank die een opzegging baseert op artikel 5 lid 3 Wwft kan zich ten slotte niet met succes subsidiair beroepen op haar algemene opzeggingsbevoegdheid en haar contractsvrijheid. Daar is het de bank in zo'n artikel 5 lid 3 Wwft-zaak immers helemaal niet om te doen.

Het toetsmoment is 2 februari 2026

De opzeggingen waar het in deze zaak om gaat, zijn de beëindigingsbrieven van 2 februari 2026. De eerdere brief van 22 september 2025 is expliciet ingetrokken. De voorzieningenrechter volgt de bank niet in haar standpunt dat de brief van 2 februari 2026 moet worden gezien als slechts een nadere toelichting op de brief van 22 september 2025. Voor zover [eisende partij] het standpunt inneemt dat met de intrekking van de opzeggingsbrief van 22 september 2025 ook de aanvullende brief van 2 februari 2026 is komen te vervallen, en er dan geen opzegging meer is, gaat de rechter daar dus ook aan voorbij. Ook daarvoor heeft de bank de bankrelatie meerdere keren opgezegd om vervolgens naar aanleiding van bezwaren van [eisende partij] een nieuwe beslissing te nemen over beëindiging van de bankrelatie. De brief van 2 februari 2026 is simpelweg de meest recente beslissing en is daarom de beslissing waar in dit kort geding van uitgegaan moet worden. Dat de bank zich op deze manier herpakt, is op zichzelf niet in strijd met de zorgplicht die banken jegens hun klanten hebben. De voorzieningenrechter merkt ten overvloede op dat het jammer is dat die extra ruimte die de bank daarmee krijgt zich lang niet altijd terugbetaalt in de vorm van een beter gemotiveerde beslissing.

De ex-tune toetsing5 brengt voor deze zaak mee dat de bank aannemelijk moet maken dat zij op het moment van de opzeggingsbrief van 2 februari 2026 kon concluderen dat zij het klantenonderzoek niet positief kon afronden en dus niet kon voldoen aan haar verplichtingen als bedoeld in artikel 3 Wwft.

De beëindigingsgronden in de brieven van 2 februari 2026

In de brieven van 2 februari 2026 vermeldt de bank onder meer:

"Het feit dat de bank naar aanleiding van de ontvangen informatie en documentatie de geconstateerde integriteitsrisico's niet afdoende heeft kunnen wegnemen, betreft voor de bank een onacceptabel risico."

In de twee volgende alinea's van de brieven zet de bank verder uiteen om welke integriteitsrisico's het volgens haar gaat.

"Risico's omtrent de herkomst van de financiële middelen

Uit het klantenonderzoek is gebleken dat uw cliënt vastgoed in gezamenlijk bezit heeft met de heer [D] en diens partner. Tevens blijkt uit het rekeninggebruik dat uw cliënt, tussen 2020 en 2023, EUR 990.000 aan leningen heeft verstrekt aan [onderneming] B.V en EUR 555.000 aan de heer [D] (en diens partner) in privé. Uw cliënt heeft verder, tussen 2020 en 2023 EUR 1.080.000 aan lening aflossingen ontvangen van [onderneming] B.V op zijn privérekening. De risico's voor de bank zitten voornamelijk in de herkomst waarmee de verstrekte leningen zijn afgelost. Ten aanzien van de heer [D] heeft de bank integriteitsrisico's geconstateerd ten aanzien van de geldstromen. De bank is van mening dat dit tevens uitstraalt op uw cliënt. De bank heeft uw cliënt derhalve gevraagd om de leningen te onderbouwen middels documentatie. Enkel voor een lening ter hoogte van EUR 500.000, wat een langlopende lening betrof, heeft uw cliënt onderbouwende documentatie aangeleverd. Het overige bedrag betroffen kortlopende leningen. Ondanks het

verzoek van de bank om hier onderbouwende documentatie voor aan te leveren, heeft uw cliënt dit nagelaten. De kortlopende leningen zouden namelijk mondeling, op basis van vertrouwen, overeen zijn gekomen tussen de partijen. Dat uw cliënt de risico's, die gepaard gaan met mondelinge overeenkomsten, aan wil gaan, betekent niet dat de bank deze risico's ook dient te dragen.! Het valt de bank daarnaast op dat er, op de langlopende lening van EUR 500.000, een vergoedingspercentage van 20 procent zat. De bank vindt dit opmerkelijk hoog en kan de opmerking van uw cliënt, dat dit gebruikelijk zou zijn binnen de vastgoedsector, onvoldoende plausibel. Hoewel dergelijke constructies niet ongebruikelijk zijn is het binnen de zakelijke vastgoedmarkt wel gebruikelijk om een hypotheekrecht te vestigen op vastgoedobjecten als zekerheid Iets wat. in het geval van uw cliënt, niet is gebeurd.

In het kader van de vastgoedportefeuille van uw cliënt, heeft de bank uw cliënt tijdens het klantenonderzoek gevraagd om het formulier 'Cliëntenprofiel zakelijk vastgoed' in te vullen. Eén van de onderdelen van het formulier is gericht op de maatregelen die klanten treffen ten aanzien van de partijen waar zaken mee wordt gedaan, om zo de integriteit te waarborgen. Uw cliënt heeft verklaard altijd te zullen controleren of er geen onderzoeken lopen naar de relatie. Indien dit wel zo is, zou uw cliënt er niets van kopen. De bank acht deze verklaring onvoldoende concreet. Uw cliënt refereert enkel aan partijen waar uw cliënt iets van zou kopen, niet eventuele tussenpersonen, huurders, beleggers, aannemers en verkopers. Ook het antwoord van uw cliënt inzake ABC-constructies, is de bank van mening dat de verklaringen van uw cliënt onvoldoende comfort bieden. Op het formulier Cliëntenprofiel zakelijk vastgoed heeft uw cliënt aangegeven altijd te kijken naar het aankoopbedrag van de eerste partij en een marktonderzoek te zullen doen. De bank is van mening dat deze verklaring te algemeen is om de risico's ten aanzien van ABC-transacties beheersbaar te maken."

In de eerste alinea gaat de bank in op de zakelijke banden die [eisende partij] heeft met [onderneming] (met wie de bank de bankrelatie ook heeft beëindigd wegens integriteitsrisico's), haar statutair bestuurder [D] (die strafrechtelijk is vervolgd voor hypotheekfraude) en zijn echtgenote. Zij zijn samen met [eisende partij] gezamenlijk eigenaar van verschillende vastgoedobjecten en [eisende partij] heeft grote bedragen aan hen geleend.6

Dat [eisende partij] zaken doet met [onderneming] en [D] is op zichzelf niet voldoende om beëindiging van de bankrelatie te rechtvaardigen. De voorzieningenrechter van deze rechtbank heeft op 19 juni 2026 de bank veroordeeld om de bankrelatie met [onderneming] voort te zetten en zijn CAAML-registratie te beëindigen. Als het integriteitsrisico’s en de onduidelijkheid over de herkomst van gelden van [onderneming] onvoldoende zijn om de bankrelatie met [onderneming] zelf te beëindigen. valt al helemaal niet in te zien waarom zij wel voldoende kunnen zijn voor beëindiging van de bankrelatie met [eisende partij] , alleen vanwege zijn zakelijke relatie met [onderneming] .

Ook de zakelijke relatie met [D] is niet meer voldoende, nu zijn vervolging wegens hypotheekfraude op 22 maart 2023 is geëindigd in een vrijspraak.

De bank uit in die alinea ook haar bedenkingen bij de leningen van [eisende partij] aan [onderneming] en [D] , ten eerste omdat dat vrijwel alleen kortlopende leningen zijn, waarvan nooit schriftelijke leningsovereenkomsten zijn opgemaakt. Tijdens de mondelinge behandeling is echter gebleken dat die leningen wel op andere manieren schriftelijk zijn vastgelegd, namelijk in de overboekingen van bedragen en bijbehorende omschrijvingen waarover de bank beschikt. Dat zou voldoende moeten ondervangen dat er geen schriftelijke overeenkomsten zijn opgemaakt. De bank heeft onvoldoende uitgelegd waarom die schriftelijke leningsovereenkomsten zo belangrijk zijn - en het ontbreken daarvan zo verdacht is - dat beëindiging van de bankrelatie in beeld komt.

De bank heeft ook bedenkingen geuit bij de enige substantiële lening aan [onderneming] waarvan wel een leningsovereenkomst is opgemaakt. Volgens de bank is de rente die [eisende partij] op die lening ontvangt ongebruikelijk hoog, namelijk 20% en is het ook ongebruikelijk dat binnen de zakelijke vastgoedmarkt voor leningen als deze geen hypothecaire zekerheden zijn bedongen. De voorzieningenrechter deelt die bedenkingen niet. Die 20% rente die de bank in de brief noemt. berust op een onjuiste lezing van de leningsovereenkomst. Daarin hebben partijen afgesproken dat de rente over de lening van € 500.000,- in totaal € 100.000,- bedraagt. Dit is echter het totale rentebedrag voor de hele looptijd, van twee jaar. Uitgaande van samengestelde rente is de rente per jaar dan niet 20% maar 9,54%. Zo hoog is dat niet, zeker niet voor een lening met een korte looptijd en zonder behoorlijke hypothecaire zekerheid.7 Het is de voorzieningenrechter niet duidelijk waarom de bank de lening nog steeds verdacht vindt en welke vragen daarover nog onbeantwoord zijn.

De tweede alinea van het citaat onder 4.14 gaat over de antwoorden die [eisende partij] op 10 maart 2023 heeft gegeven op vragen in het cliënten profiel zakelijk vastgoed. Die antwoorden vindt de bank onvoldoende concreet en te algemeen. Zij lijkt te betogen dat de genoemde maatregelen onvoldoende zijn om de integriteit en moraliteit van (potentiële) zakenrelaties in beeld te brengen en de aan ABC-transacties verbonden risico's te beheersen, wat voor de bank weer leidt tot onbeheersbare risico's. De bank lijkt hierbij uit het oog te verliezen dat de vragen op het formulier ook algemeen en weinig concreet zijn. Het is dan ook niet verbazingwekkend dat de antwoorden daarop dat ook zijn. Daar komt nog bij dat de bank de afgelopen drie jaar op geen enkele manier is teruggekomen op de antwoorden. Zij heeft op dit punt geen vervolgvragen gesteld en heeft evenmin aangegeven wat [eisende partij] zou kunnen of moeten doen om die risico’s wèl goed te beheersen. [eisende partij] heeft dan ook niet voldoende gelegenheid gehad om op dit punt te reageren. In die zin heeft de bank haar klantenonderzoek dus niet voldoende zorgvuldig uitgevoerd.

Conclusie: de bank mocht de bankrelatie niet opzeggen

Gelet op het voorgaande is de slotsom dat de bank ten onrechte tot de conclusie is gekomen dat ze het klantenonderzoek niet met een positief resultaat kon afronden. Zij mocht de bankrelatie daarom niet opzeggen. De vordering tot herstel dan wel voortzetting van de relatie wordt dan ook toegewezen.

De bank moel de CAAML-registratie beëindigen

[eisende partij] vordert dat de bank haar gegevens van de CAAML-lijst verwijdert. De bank stelt dat zij er recht en belang bij heeft om de gegevens van [eisende partij] in die lijst op te nemen. Dit is een interne lijst die alleen zichtbaar is voor de bank (en de met haar verbonden rechtspersonen). Volgens de bank is de CAAML-registratie nodig om te voorkomen dat [eisende partij] in de toekomst per abuis wordt toegelaten als klant van de bank, omdat bij betreffende afdeling niet bekend is dat de bank haar bankrelatie juist kort geleden heeft beëindigd. De voorzieningenrechter is van oordeel dat als de redenen van de bank onvoldoende zijn om de bankrelatie met [eisende partij] te beëindigen, die redenen evenmin voldoende zijn om hem in het CAAML te registreren. De vordering om de CAAML-registratie van [eisende partij] te verwijderen, wordt dan ook toegewezen.

Geen dwangsommen

De bank heeft aangevoerd dat dwangsommen niet nodig zijn omdat dat zij rechterlijke veroordelingen altijd nakomt, of daar nu dwangsommen aan verbonden zijn of niet. De bank heeft in haar conclusie van antwoord uitdrukkelijk toegezegd dat zij, als zij in het ongelijk wordt gesteld, zal doen waartoe zij wordt veroordeeld. De voorzieningenrechter vindt die toezegging geloofwaardig, waarbij meeweegt mee dat de bank er met het oog op haar integriteit als financiële instelling groot belang bij heeft om dergelijke toezegging na te komen. De gevorderde dwangsommen worden dan ook afgewezen.

De bank krijgt ongelijk en moet een proceskostenvergoeding betalen

De bank is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom een proceskostenvergoeding (inclusief nakosten) betalen aan [eisende partij] . Die proceskosten worden begroot op:

- kosten van de dagvaarding

€

125,57

- griffierecht

€

341,00

- salaris advocaat

€

1.177,00

- nakosten

€

189,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

€

1.832,57

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

veroordeelt de bank om de bankrelatie met [eisende partij] binnen 48 uur na betekening van dit vonnis te continueren dan wel te herstellen en de betreffende bankrekeningen te heropenen,

veroordeelt de bank om binnen 48 uur na betekening van dit vonnis de CAAML-registratie van [eisende partij] te beëindigen,

veroordeelt de bank in de proceskosten van € 1.832,57, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als de bank niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend

veroordeelt de bank tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. O.P. van Tricht en in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026 door mr. M.S.T. Belt.

______________________

1. Zaak nummers C/ 16/609607 / KG ZA 26-185 [A] vs ABN AMRO Bank en C/ 16/609608 / KG ZA 26-186 [B] vs ABN Amro Bank. De zaken zijn niet gevoegd. De bank geeft in deze drie procedures een gelijkluidende conclusie van antwoord ingediend en dezelfde producties.

2 Rechtbank Overijssel 5 juni 2024. ECLl:NL:RBOVE:2024:2957.

3 Art. 3 lid 2 onder d Wwft

4. ECLl:NL:GHARL:2025:3542, rov. 3.7

5 Zie 4.9.

6 Volgens de bank heeft [eisende partij] in de jaren 2020-2023 € 990.000,- aan [D] uitgeleend en € 550.000,- aan [onderneming] . In diezelfde periode heeft [eisende partij] volgens de bank op die leningen circa € 1.080.000,- aan rente en aflossingen hebben ontvangen.

7 In artikel 3 van de leningsovereenkomst staat weliswaar: " [D] , als natuurlijke persoon, geeft hierbij als onderpand zijn deel van de objecten staande en gelegen aan de [adres] in [woonplaats] .", maar dat is niet de manier om zakelijk zekerheidsrecht op een aandeel in een onroerende zaak te vestigen. Dat moet immers met een hypotheekrecht, waarvoor een notariële hypotheekakte moet worden verleden en ingeschreven (artikel 3:89 en 3:98 BW). Niet gesteld of gebleken is dat dit hypotheekrecht is gevestigd.

JO/4972

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand