ECLI:NL:RBMNE:2026:5554

ECLI:NL:RBMNE:2026:5554

Instantie Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak 04-08-2026
Datum publicatie 15-08-2026
Zaaknummer 12269833 \ UV EXPL 26-147
Rechtsgebied Civiel recht; Arbeidsrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

Kort geding. Opgelegde loonstop is onterecht. Loonvordering van werknemer toegewezen.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Utrecht

Zaaknummer: 12269833 \ UV EXPL 26-147

Vonnis in kort geding van 4 augustus 2026

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende in [woonplaats] ,

eisende partij,

hierna te noemen: [eiseres] ,

gemachtigde: mr. H.A.A. Voermans,

tegen

[gedaagde] B.V.,

gevestigd in [vestigingsplaats] ,

gedaagde partij,

hierna te noemen: [gedaagde] ,

gemachtigde: mr. M.C.G.M. van den Heuvel.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

de dagvaarding van 2 juli 2026 met producties 1 tot en met 16;

de aanvullende producties 17 en 18 van [eiseres] ;

de productie 1 van [gedaagde] ;

de mondelinge behandeling van 21 juli 2026, waarvan de griffier aantekeningen heeft;

de pleitnota van [eiseres] ;

de pleitnota van [gedaagde] .

Tijdens de mondelinge behandeling van 21 juli 2026 was [eiseres] aanwezig met haar gemachtigde mr. Voermans. Namens [gedaagde] was mevrouw [A] (HR) aanwezig en haar gemachtigde mr. Van den Heuvel. Partijen hebben hun standpunten toegelicht, waarbij de gemachtigden gebruik hebben gemaakt van pleitnota’s. Partijen hebben ook op elkaar kunnen reageren en hebben vragen van de kantonrechter beantwoord. Aan het einde van de mondelinge behandeling is bepaald dat er een vonnis zal worden gewezen.

2. De kern van de zaak

[eiseres] is op 1 april 2017 bij [gedaagde] in dienst getreden als [functie] . Zij was laatstelijk werkzaam in de functie van [functie] . Vanaf

18 september 2025 is [eiseres] arbeidsongeschikt. Met ingang van 23 april 2026 heeft [gedaagde] het loon stopgezet. [eiseres] vindt dat niet terecht en vordert daarom in dit kort geding doorbetaling van haar loon. De kantonrechter komt tot het oordeel dat [gedaagde] de loonstop niet had mogen opleggen. [eiseres] krijgt dus gelijk, waardoor haar vorderingen zullen worden toegewezen.

3. De beoordeling

Het spoedeisend belang en het toetsingskader in kort geding

Een vordering in kort geding kan alleen worden toegewezen als de eisende partij (in dit geval [eiseres] ) daarbij een spoedeisend belang heeft. Het spoedeisend belang is aanwezig vanwege de aard van de vordering. Het gaat immers om betaling van loon aan [eiseres] .

Daarnaast geldt dat de kantonrechter in dit kort geding moet beoordelen of het in deze zaak aannemelijk is dat de vordering van [eiseres] in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen heeft dat, vooruitlopend daarop, toewijzing van de vordering in dit kort geding is gerechtvaardigd.

[gedaagde] heeft onterecht een loonstop opgelegd

[eiseres] is op 18 september 2025 arbeidsongeschikt geraakt tijdens een vergadering binnen de organisatie van [gedaagde] . Tijdens die vergadering is [eiseres] onwel geworden en heeft zij de controle over haar lichaam verloren. Vanaf de arbeidsongeschiktheid van [eiseres] is het loon inclusief de vaste provisie aan [eiseres] steeds doorbetaald. De bedrijfsarts (van [bedrijf] ) heeft in een rapport van 14 januari 2026 onder andere teruggekoppeld:

(…) De tijd is alleen nog niet rijp voor koffiemomenten. Ik moet werk/koffie nog volledig afraden. Graag spreek ik medewerker weer over een week of 4.

Nadien heeft de bedrijfsarts op 10 februari 2026 over het consult met [eiseres] teruggekoppeld:

De behandeling is intensief gaande en heeft vooralsnog volledig prioriteit. Mijn adviezen moet ik nog steeds wel handhaven. Graag spreek ik medewerker over 4 weken weer. Met haar heb ik besproken dat de insteek wel is om dan de koffiemomenten door te gaan zetten. We moeten een keer die stap gaan proberen.”

Vervolgens heeft de bedrijfsarts op 10 maart 2026 in zijn rapport geen advies gegeven over re-integratiemogelijkheden, omdat [eiseres] had medegedeeld dat zij afscheid wil nemen van [gedaagde] . Op 14 april 2026 heeft (de gemachtigde van) [gedaagde] daarop aan (de gemachtigde van) [eiseres] een mail gestuurd waarin staat:

“Onder verwijzing naar het recente advies van de bedrijfsarts, is er momenteel geen sprake van een situatie die werkhervatting in de weg staat. Aldus wordt uw cliënte donderdag 16 april 2026 weer op de werkvloer verwacht om haar werkzaamheden te hervatten.”

Nadat (de gemachtigde van) [eiseres] bij e-mail van 16 april 2026, met verwijzing naar de adviezen van de bedrijfsarts stelt dat een medische basis voor werkhervatting ontbreekt, heeft (de gemachtigde van) [gedaagde] vervolgens op 21 april 2026 aan (de gemachtigde van) [eiseres] een e-mailbericht verzonden waarin staat:

(…) De kern is dat het ‘er niet uitkomen’ - een en ander in lijn met de wens van uw cliënte om afscheid te nemen - niet maakt dat er medische redenen zijn die aan het maken van een start tot werkhervatting in de weg staan. (…) Uw cliënte wordt aldus donderdag 23 april 2026 verwacht op de werkplek om haar werkzaamheden in het kader van de re-integratie te hervatten. Indien zij hier wederom geen gehoor aan geeft, dient uw cliënte rekening te houden met een loonstop.”

Naar aanleiding van het e-mailbericht van 21 april 2026 en ondanks het bezwaar van [eiseres] tegen werkhervatting heeft [gedaagde] een loonstop opgelegd en het loon vanaf de maand mei 2026 niet meer betaald. Die loonstop acht de kantonrechter onterecht opgelegd. De kantonrechter begrijpt uit de stukken en wat er tijdens de mondelinge behandeling is gesteld dat de reden voor de loonstop is geweest dat [eiseres] niet heeft meegewerkt aan het starten van een koffiemoment en dat er geen contact met haar meer mogelijk leek te zijn. Maar in het e-mailbericht van 14 april 2026 wordt expliciet gesproken over (een onvoorwaardelijke vorm van) “werkhervatting”, wat na het e-mailbericht van (de gemachtigde van) [eiseres] in het e-mailbericht van 21 april 2026 iets subtieler wordt geformuleerd als “werkhervatting in het kader van de re-integratie”. [eiseres] heeft die verzoeken zo mogen begrijpen dat het ging om een daadwerkelijke werkhervatting en dus niet enkel om een koffiemoment. Daarnaast blijkt nergens uit dat [eiseres] vanuit een medische beoordeling van een bedrijfsarts of het UWV verplicht kon worden om deel te nemen aan koffiemomenten. Uit het advies van de bedrijfsarts van 10 februari 2026 kan niet worden geconcludeerd dat [eiseres] daadwerkelijk had moeten beginnen met het verschijnen voor koffiemomenten. Er wordt slechts vermeld dat de bedrijfsarts [eiseres] over vier weken weer wil spreken en dat dán de insteek is om koffiemomenten door te gaan zetten, terwijl expliciet de eerdere adviezen worden gehandhaafd. En die eerdere adviezen waren in ieder geval dat werk/koffie wordt afgeraden, zo blijkt uit de terugkoppeling van 14 januari 2026. Uit het bericht kan dus niet worden afgeleid dat van [eiseres] verlangd kon worden dat zij naar [gedaagde] ging voor een koffiemoment en ook kan niet worden geoordeeld dat [eiseres] vervolgens heeft geweigerd deel te nemen aan koffiemomenten. Het UWV concludeert vervolgens op 16 juli 2026 nog dat [eiseres] op 23 april 2026 niet geschikt was voor het uitvoeren van de bedongen arbeid en dat dit op de datum van het onderzoek nog steeds actueel is. Ook daaruit volgt dus dat [eiseres] niet zonder meer verplicht kon worden tot het starten van koffiemomenten.

De stelling van [gedaagde] dat aan het UWV de verkeerde onderzoeksvraag is voorgelegd, kan [eiseres] niet worden tegengeworpen. [gedaagde] was er bekend mee dat [eiseres] een onderzoek had aangevraagd bij het UWV en kon bij de aanvraag aan het UWV al zien wat de onderzoeksvraag was. Zij heeft daar toen niet op geacteerd. Bovendien is het [gedaagde] die stelt dat [eiseres] geen aanspraak kan maken op loon omdat zij re-integratie, al dan niet met een koffiemoment, zou hebben geweigerd. Het ligt dan op de weg van [gedaagde] om dit nader te onderbouwen. Ook als daarin al gelezen zou kunnen worden dat de koffiemomenten toen al opgestart konden worden, is verwijzing naar het e-mailbericht van de bedrijfsarts van 10 februari 2026 daarvoor onvoldoende, gelet op de handhaving van de eerdere adviezen en het rapport van het UWV. Gelet op deze omstandigheden is dus op geen enkele wijze gebleken dat [eiseres] op 23 april 2025 verplicht kon worden te starten met re-integratieverplichtingen. Aangezien dat wel de grond voor de loonstop lijkt te zijn geweest, is de conclusie dat die loonstop onterecht is geweest. De vordering tot (door)betaling van het loon aan [eiseres] dus daarmee toewijsbaar.

[gedaagde] moet het maandelijkse loon van € 5.765,32 én het maandelijkse provisiecomponent van € 500,00 aan [eiseres] betalen

[gedaagde] betwist niet dat het maandelijks loon van [eiseres] € 5.765,32 bruto is. Zij betwist ook niet dat er daarnaast een vast provisiecomponent van € 500,00 aan [eiseres] werd betaald. Daarom is de loonvordering, die ziet op de maand mei 2026 en op de periode vanaf juni 2026, aan de hand van deze bedragen toewijsbaar.

De gevorderde termijn van 48 uur na betekening van dit vonnis voor betaling van het loon over de maand mei 2026 acht de kantonrechter een redelijke termijn, zodat die wordt toegewezen.

De wettelijke verhoging is toewijsbaar over het loon van mei tot en met juli 2026

Omdat [gedaagde] niet tijdig aan haar loonbetalingsverplichting heeft voldaan, is zij de wettelijke verhoging van artikel 7:625 BW verschuldigd over het achterstallig loon. Dat gaat dus over het loon van mei 2026 tot en met juli 2026, omdat dit loon inmiddels opeisbaar is. De wettelijke verhoging zoals bedoeld in artikel 7:625 BW zal over deze maanden worden toegewezen tot het maximum van 50%. De wettelijke verhoging wordt niet toegewezen over het toekomstig loon (vanaf augustus 2026, gelet op de vonnisdatum), zoals [eiseres] wel heeft gevorderd. Het is nog niet bekend of [gedaagde] het loon vanaf augustus 2026 (tijdig) zal betalen en dus ook niet of zij wettelijke verhoging verschuldigd zal zijn. Verder is onvoldoende duidelijk hoe hoog die eventuele verhoging zal zijn. Een rechter kan de wettelijke verhoging namelijk (in een bodemprocedure) matigen (artikel 7:625 lid 1 BW). Daarbij kunnen alle omstandigheden worden betrokken.

[gedaagde] moet ook de maandelijkse netto onkostenvergoeding van € 150,00 aan [eiseres] betalen

De door [eiseres] gevorderde betaling van een vaste netto onkostenvergoeding van € 150,00 per maand wordt toegewezen. Tijdens de mondelinge behandeling is namelijk namens [gedaagde] verklaard dat het gaat om een vaste uitbetaling. Er wordt, met andere woorden, geen koppeling gemaakt tussen de uitbetaling van een onkostenvergoeding en de daadwerkelijk gemaakte onkosten. Het standpunt van [gedaagde] dat er geen onkosten zijn gemaakt en dat daarom geen recht bestaat op uitbetaling van een onkostenvergoeding, gaat dus niet op en leidt niet tot afwijzing van deze vergoeding. Bovendien heeft [eiseres] ter onderbouwing van deze vordering een verklaring overgelegd van de heer [B] (voormalig bestuurder van [gedaagde] en echtgenoot van [eiseres] ) en die verklaring heeft [gedaagde] onvoldoende weersproken. [B] heeft verklaard dat er tijdens ziekte nooit een netto onkostenvergoeding werd ingehouden bij medewerkers van [gedaagde] . [gedaagde] heeft tegenover deze verklaring geen verklaringen overgelegd waaruit het tegendeel blijkt. Dat [B] niet betrokken was bij de verloning tijdens arbeidsongeschiktheid betekent niet dat hij er geen weet van had en de enkele stelling dat hij een privébelang heeft vanwege zijn relatie met [eiseres] acht de kantonrechter onvoldoende om de verklaring in haar geheel terzijde te schuiven. Op grond hiervan is de kantonrechter van oordeel dat de netto onkostenvergoeding een vaste looncomponent is van [eiseres] en dat deze dus aan haar betaald moet worden. Deze vordering is dus toewijsbaar. De verwijzing naar het Handboek Loonheffingen maakt dat niet anders omdat [gedaagde] niet heeft toegelicht hoe het uitbetalen van de onkostenvergoeding als vaste looncomponent zich verhoudt tot haar stelling dat deze vaste component tijdens ziekte niet kan worden uitbetaald. Het betreft daarmee een blote betwisting.

De gevorderde termijn van 48 uur na betekening van dit vonnis voor betaling van de netto onkostenvergoeding acht de kantonrechter een redelijke termijn, zodat die wordt toegewezen.

[gedaagde] moet een gecorrigeerde loonstrook over de maand mei verstrekken en bruto/netto-specificaties vanaf 1 juni 2026

De vordering van [eiseres] om [gedaagde] te veroordelen tot het verstrekken van een gecorrigeerde loonstrook van mei 2026 en de bruto/netto-specificaties vanaf 1 juni 2026 zal worden toegewezen. De kantonrechter ziet geen aanleiding om een dwangsom te verbinden aan deze vordering. De termijn van vijf dagen na betekening van het vonnis acht de kantonrechter een redelijke termijn, zodat die wordt toegewezen.

De vordering van [eiseres] tot het verstrekken van ‘nadere correcte specificaties’, zoals geformuleerd onder III. in het petitum is voor de kantonrechter onduidelijk gebleven en zal worden afgewezen. Aangezien er ook een gecorrigeerde loonstrook van mei 2026 is gevorderd en deze toewijsbaar is, ziet de kantonrechter niet in dat er ook nog een andere correcte specificatie moet worden verstrekt.

[gedaagde] moet de vakantiebijslag van € 462,25 bruto betalen

Er staat niet ter discussie tussen partijen dat – in geval van een loonbetaling – [gedaagde] ook aan [eiseres] de vakantiebijslag moet betalen tijdens arbeidsongeschiktheid. In het petitum vordert [eiseres] een bedrag van primair € 461,25 bruto (en subsidiair een bedrag van € 501,25 bruto). De hoogte van het bedrag heeft [gedaagde] niet betwist, zodat dit bedrag aan vakantiebijslag wordt toegewezen. [gedaagde] moet ook hiervan een deugdelijke bruto/netto-specificatie verstrekken. Omdat het primair gevorderde bedrag wordt toegewezen komt de kantonrechter niet toe aan beoordeling van het hogere subsidiair gevorderde bedrag.

De gevorderde termijn van 48 uur na betekening van dit vonnis voor betaling van de vakantiebijslag acht de kantonrechter een redelijke termijn, zodat die wordt toegewezen.

De wettelijke rente is toewijsbaar over de toegewezen bedragen

Over de verschillende loonvorderingen, de vakantiebijslag en de onkostenvergoeding heeft [eiseres] telkens de wettelijke rente gevorderd. Die zal worden toegewezen zoals gevorderd, omdat [gedaagde] in verzuim is met betaling van deze bedragen.

[gedaagde] moet de buitengerechtelijke incassokosten betalen

[eiseres] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten van € 688,28. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). [gedaagde] betwist dat er een onderbouwing is gegeven van de buitengerechtelijke kosten, maar de kantonrechter volgt dat niet. [eiseres] heeft immers gesteld en onderbouwd met e-mailcorrespondentie dat er pogingen zijn gedaan om zonder gerechtelijke tussenkomst alsnog betaling te krijgen van haar loon. Het gaat dus niet, zoals gesteld door [gedaagde] , om kosten voor het opstellen van de dagvaarding of algemene instructies voor de procedure.

[eiseres] heeft dus recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. De hoogte van de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten is in overeenstemming met het Besluit. Daarom zal een bedrag van € 688,28 worden toegewezen.

[gedaagde] moet de proceskosten betalen

[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiseres] worden begroot op:

- kosten van de dagvaarding

155,67

- griffierecht

265,00

- salaris gemachtigde

577,00

- nakosten

144,00

(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

1.141,67

Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard

De kantonrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is gevorderd. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van partijen hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de kantonrechter geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.

4. De beslissing

De kantonrechter

veroordeelt [gedaagde] om binnen 48 uur na betekening van dit vonnis aan [eiseres] te betalen het in de loonstrook van mei 2026 ten onrechte ingehouden loon van € 5.765,63 bruto, te vermeerderen met de gebruikelijke vaste looncomponenten, waaronder de vaste provisiecomponent van € 500,00, te vermeerderen met de wettelijke verhoging als bedoeld in artikel 7:625 BW tot een maximum van 50% en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van de datum van opeisbaarheid, tot de dag van volledige betaling,

veroordeelt [gedaagde] tot doorbetaling van het loon vanaf 1 juni 2026 op de gebruikelijke betaaldatum van de 21e dag van de maand, uitgaande van een bruto maandsalaris van € 5.765,63, te vermeerderen met de gebruikelijke vaste looncomponenten, waaronder de vaste provisiecomponent van € 500,00, zolang de arbeidsovereenkomst voortduurt en zolang er geen rechtsgeldige grond voor loonopschorting of loonstop bestaat,

te vermeerderen met de wettelijke verhoging als bedoeld in artikel 7:625 BW tot een maximum van 50% over het loon over de maanden juni en juli 2026, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de verschuldigde bedragen, telkens met ingang van de datum van opeisbaarheid, tot de dag van volledige betaling,

veroordeelt [gedaagde] om binnen vijf dagen na betekening van dit vonnis aan [eiseres] te verstrekken een gecorrigeerde loonstrook van mei 2026 en de bruto/netto-specificaties vanaf 1 juni 2026,

veroordeelt [gedaagde] om binnen 48 uur na betekening van dit vonnis aan [eiseres] te betalen de nog ontbrekende vakantiebijslag van € 461,25 bruto, onder overlegging van een deugdelijke bruto/netto-specificatie, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag vanaf de datum van opeisbaarheid tot de dag van volledige betaling,

veroordeelt [gedaagde] om binnen 48 uur na betekening van dit vonnis aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 900,00 aan netto onkostenvergoeding over de periode vanaf

december 2025 tot en met mei 2026, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag vanaf iedere afzonderlijke datum van opeisbaarheid tot de dag van volledige betaling,

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 150,00 aan netto onkostenvergoeding vanaf 1 juni 2026 op de gebruikelijke betaaldatum van de 21e dag van de maand,

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 688,28 aan buitengerechtelijke kosten,

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.141,67, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.A.T. Werner en in het openbaar uitgesproken op 4 augustus 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl AR-Updates.nl 2026-1293 VAAN-AR-Updates.nl 2026-1293
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand