RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 12058055 \ UC EXPL 26-474
Vonnis van 5 augustus 2026
in de zaak van
de rechtspersoon naar buitenlands recht
DE VENNOOTSCHAP NAAR HET RECHT VAN HAAR VESTIGING [naam] LLP,
statutair gevestigd in [.] , Verenigd Koninkrijk, en kantoorhoudende in [plaats] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [eiseres] ,
gemachtigden: mr. A.I. Keur en mr. L.H.E. Drenthe,
tegen
de stichting
STICHTING PENSIOENFONDS ZORG EN WELZIJN,
statutair gevestigd in Utrecht en kantoorhoudende in Zeist,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: PFZW,
gemachtigde: mr. T. Huijg.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met 4 producties- de conclusie van antwoord in conventie tevens eis in reconventie met 10 producties
- de conclusie van antwoord in reconventie met producties 5 en 6- de akte overlegging productie 11 van PFZW- de mondelinge behandeling
- de pleitnota’s van de gemachtigden van beide partijen.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 6 juli 2026. Namens eiseres was aanwezig [A] , tandarts en mede-eigenaar van [eiseres] , bijgestaan door de gemachtigde, mr. Drenthe. Namens PFZW was aanwezig mr. [B] , pensioenjurist, bijgestaan door de gemachtigde, mr. Huijg. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat op de zitting is besproken.
Daarna is vonnis bepaald.
2. De kern van de zaak
[eiseres] valt onder de werkingssfeer van PFZW. Bij [eiseres] hebben twee Oekraïense tandartsen zonder BIG-registratie (hierna: de Werknemers) in loondienst gewerkt. PFZW heeft [eiseres] een premienota gestuurd voor de pensioenopbouw van deze Werknemers. Volgens PFZW hebben de Werknemers de functie vervuld van tandartsassistent(-plus) in de zin van het verplichtstellingsbesluit en zijn zij daarom verplicht pensioen op te bouwen in de regeling van PFZW. Volgens [eiseres] kunnen de werkzaamheden van de Werknemers niet gelijk gesteld worden met de werkzaamheden van een tandartsassistent. [eiseres] vordert daarom een verklaring voor recht dat PFZW ten onrechte heeft besloten tot premieplicht voor de Werknemers. Die vordering wordt afgewezen. De kantonrechter is van oordeel dat de Werknemers bij [eiseres] de functie van tandartsassistent(-plus) hebben vervuld in de zin van het verplichtstellingsbesluit. De reconventionele vorderingen van PFZW worden grotendeels toegewezen.
3. De achtergrond van de zaak
[eiseres] drijft een tandartspraktijk onder de handelsnaam [naam] . Bij [eiseres] zijn twee in Oekraïne (af)gestudeerde tandartsen in dienst geweest in de functie van tandheelkundig medewerker:
[C] vanaf 1 augustus 2023 en [D] vanaf 16 december 2024. [C] en [D] (hierna verder: de Werknemers) zijn inmiddels niet meer werkzaam bij [eiseres] . Zij waren tijdens hun dienstverband met [eiseres] niet als tandarts ingeschreven in het BIG-register.
PFZW is een bedrijfstakpensioenfonds in de zin van de Pensioenwet. De deelneming in PFZW is bij besluit van de Minister van SZW voor werkgevers en werknemers in de sector Zorg en Welzijn verplicht gesteld (het verplichtstellingsbesluit), op grond van de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000. In het verplichtstellingsbesluit is bepaald welke werkgevers en werknemers verplicht zijn deel te nemen aan de pensioenregeling van PFZW.
Het (gewijzigde) verplichtstellingsbesluit bepaalt hierover voor de periode waar het in deze zaak om gaat (vanaf 2023 tot eind 2025) het volgende:
“De deelneming in de Stichting Pensioenfonds Zorg en Welzijn is verplicht gesteld voor de hieronder gedefinieerde werkgevers en werknemers:
A. Werkgevers:
(..)
d. tandartsen
(..)
Deze werkgevers worden als volgt nader omschreven.
(..)
d. tandarts:
de natuurlijke persoon of rechtspersoon die als tandarts of tandarts-specialist tandheelkundige zorg verleent, voor wat betreft dat deel van de werknemers dat de functie vervult van tandartsassistent of tandartsassistent-plus (onderstreept, ktr);
(..).”
Werknemers:
ieder die een arbeidsovereenkomst volgens burgerlijk recht heeft met een onder A genoemde werkgever, (..).”
PFZW heeft [eiseres] een factuur gestuurd voor betaling van pensioenpremies voor de Werknemers omdat zij onder de werkingssfeer van het verplichtstellingsbesluit vallen waardoor voor hen een verplichte premieafdracht geldt. [eiseres] heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
4. De beoordeling
in conventie
[eiseres] vordert een verklaring voor recht dat voor de Werknemers geen premieplicht bestaat. [eiseres] legt aan haar vordering ten grondslag dat de werkzaamheden van de Werknemers inhoudelijk niet gelijk zijn te stellen aan die van een tandartsassistent, waardoor zij niet vallen onder de werkingssfeer van de verplichte pensioenregeling van PFZW.
PFZW voert hiertegen verweer. Het Pensioenfonds concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiseres] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiseres] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiseres] in de kosten van deze procedure. PFZW stelt dat de Werknemers wel de functie van tandartsassistent(-plus) als bedoeld in het bepaalde onder A sub d van het verplichtingsstellingsbesluit vervullen omdat zij onder leiding en supervisie van de BIG-geregistreerde tandartsen van [eiseres] deze tandartsen hebben geholpen.
Niet in geschil is dat [eiseres] onder de werkingssfeer van het verplichtstellingsbesluit valt en dat [eiseres] daarom verplicht is aangesloten bij PFZW. In deze zaak is in geschil of de Werknemers bij [eiseres] in de functie van tandartsassistent(-plus) hebben gewerkt.
De vordering van [eiseres] wordt afgewezen
De vordering van [eiseres] wordt afgewezen omdat de kantonrechter van oordeel is dat [eiseres] voor de Werknemers een werkgever is in de zin van het verplichtstellingbesluit van PFZW. De Werknemers zijn voor [eiseres] namelijk werkzaam geweest in de functie van tandartsassistent(-plus). De kantonrechter licht dit oordeel hierna als volgt toe.
Toetsingskader
Op grond van het bepaalde onder A sub d van het verplichtstellingsbesluit is de deelneming in PFZW verplicht gesteld voor werkgevers die als tandarts of tandarts-specialist tandheelkundige zorg verlenen, voor het deel van de werknemers dat de functie vervult van tandartsassistent of tandartsassistent-plus.
Voor de uitleg van een bepaling in een verplichtstellingsbesluit geldt volgens vaste rechtspraak dat in beginsel de bewoordingen daarvan en eventueel van de daarbij behorende schriftelijke toelichting, gelezen in het licht van de tekst van het gehele verplichtstellingsbesluit, van doorslaggevende betekenis zijn (de zogenoemde cao-norm). Het komt dus niet aan op de bedoelingen van de partijen bij de totstandkoming van het verplichtstellingsbesluit, voor zover deze niet uit de daarin opgenomen bepalingen of bijbehorende schriftelijke toelichting kenbaar zijn, maar op de betekenis die naar objectieve maatstaven volgt uit de bewoordingen van het verplichtstellingsbesluit. Bij deze uitleg kan onder meer worden gekeken naar de op andere plekken in het verplichtstellingsbesluit gebruikte formuleringen en op de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen waartoe de verschillende, op zichzelf mogelijke tekstinterpretaties zouden leiden.
Volgens de omschrijving in het Van Dale groot woordenboek, waarop PFZW in haar conclusie van antwoord heeft gewezen, betekent het woord ‘assistent’: ‘iemand die een ander onder diens leiding bij zijn werkzaamheden helpt’. Daarbij noemt het Van Dale woordenboek als voorbeeld van een ‘assistent’ een ‘tandartsassistent’, met als omschrijving: ‘iemand die de tandarts bijstaat’.
Uit deze betekenis van de woorden ‘tandartsassistent’ en ‘assistent’ volgt dat sprake is van een ‘tandartsassistent’ als een persoon een tandarts helpt onder leiding van die tandarts. Daarvan was bij de Werknemers sprake. [eiseres] heeft in haar bezwaarschrift van 15 augustus 2025 aan PFZW zelf geschreven dat de Werknemers ‘onder toezicht als tandarts hebben gewerkt’. [eiseres] heeft in de dagvaarding en in de conclusie van antwoord in reconventie gesteld dat de Werknemers hun werkzaamheden verrichtten ‘in samenwerking en onder supervisie van de wel BIG-geregistreerde tandartsen werkzaam in de praktijk van eiseres’. Daaruit blijkt dat de Werknemers bij [eiseres] geen zelfstandige bevoegdheid hadden om als tandarts te werken. Gelet op de doorslaggevende betekenis van de bewoordingen in het verplichtstellingsbesluit moeten de werkzaamheden van de Werknemers bij [eiseres] - onder leiding van de BIG-geregistreerde tandartsen - worden beschouwd als werkzaamheden die vallen onder de functie van tandartsassistent(-plus) als bedoeld in het verplichtstellingsbesluit.
Het is ook aannemelijk dat de Werknemers als tandartsassistent hebben gewerkt omdat zij ten tijde van hun werkzaamheden voor [eiseres] geen BIG-geregistreerde tandartsen waren, waardoor zij de titel ‘tandarts’ niet mochten voeren. Uit de functienaam ‘tandheelkundig medewerker’ in de arbeidsovereenkomsten en op de overgelegde loonstroken blijkt ook dat zij bij [eiseres] niet als tandarts in dienst waren, maar als medewerker. Die term duidt ook op een assisterende functie, in plaats van een zelfstandige functie als tandarts. Verder is door PFZW tijdens de zitting erop gewezen dat de Werknemers een laag uurloon ontvingen voor hun werkzaamheden, namelijk € 13,27 respectievelijk € 15,-, een hoogte die meer past bij het uurloon van een tandartsassistent
(€ 13,36 tot € 18,22) dan het uurloon van een tandarts (€ 30,- tot € 40,-). Het standpunt van [eiseres] dat de Werknemers niet de functie van tandartsassistent hebben vervuld is gelet op hun relatief lage uurloon ook niet aannemelijk. Dat in de arbeidsovereenkomsten van de Werknemers staat dat zij geen mogelijkheid hadden tot pensioenopbouw maakt dit oordeel niet anders omdat tandartsassistenten verplicht pensioen opbouwen in de regeling van PFZW.
Beide Werknemers, met name [C] , hebben in dienst van [eiseres] verschillende (voorbehouden) tandarts-verrichtingen uitgevoerd en/of bij hun werkzaamheden assistentie gekregen van andere tandartsassistenten. De Werknemers stonden bij zij deze verrichtingen en werkzaamheden steeds onder leiding van BIG-geregistreerde tandartsen en hadden dus geen zelfstandige bevoegdheid om die werkzaamheden te verrichten. Daarom hebben de Werknemers ook de (voorbehouden) tandarts-verrichtingen in de functie van tandartsassistent(-plus) gedaan.
De stelling van [eiseres] dat PFZW een feitenonderzoek naar de werkzaamheden van de Werknemers had moeten doen slaagt ook niet. Het staat niet ter discussie dat de Werknemers steeds hebben gewerkt onder leiding van de BIG-geregistreerde tandartsen. Gelet op de hiervoor genoemde toetsingsmaatstaf, de bewoordingen van het verplichtstellingsbesluit, ziet de kantonrechter geen aanknopingspunten om aan te nemen dat een nader onderzoek naar de feitelijke werkzaamheden tot een andere beoordeling had kunnen leiden.
De stelling van [eiseres] dat het standpunt van PFZW in strijd is met het Europese recht, is onvoldoende onderbouwd en kan daarom ook niet slagen. [eiseres] heeft niet toegelicht waarom het standpunt van PFZW over de werkingssfeer van het verplichtstellingsbesluit volgens haar strijd oplevert met een Europese rechtsregel.
Conclusie: [eiseres] is ook voor de Werknemers een werkgever in de zin van het verplichtstellingsbesluit
De conclusie van de kantonrechter is dat [eiseres] voor de Werknemers een werkgever is in de zin van het verplichtstellingsbesluit als bedoeld onder het bepaalde onder A sub d. Zij is daarom vanaf de aanvang van hun werkzaamheden voor de Werknemers verplicht voor hen premies af te dragen aan PFZW. De vordering van [eiseres] wordt daarom afgewezen.
Proceskosten
[eiseres] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van PFZW worden begroot op:
- salaris gemachtigde
€
576,00
(2 punten × € 288,00)
- nakosten
€
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
720,00
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
in reconventie
PFZW heeft in reconventie gevorderd [eiseres] te veroordelen om:
I. binnen 14 kalenderdagen na de datum van dit vonnis de Werknemers bij PFZW aan te melden via de online werkgeversportal MijnOrganisatie en daarbij alle gegevens over hen op te geven op de wijze als bepaald in deze portal. PFZW heeft daarbij gevorderd [eiseres] te veroordelen om binnen 60 dagen na betekening van het vonnis een controleverklaring van een registeraccountant te verstrekken om aan te tonen dat de aangeleverde gegevens juist en volledig zijn, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,- per dag of gedeelte van een dag dat [eiseres] daarmee in gebreke blijft, tot een maximum van
€ 50.000,-;
II. de uit petitum I. volgende (vervangende) premienota’s en kosten te voldoen.
De vorderingen in conventie worden grotendeels toegewezen
Gelet op wat hiervoor in conventie is geoordeeld, worden deze vorderingen - met uitzondering van de gevorderde dwangsom -, toegewezen. Het verweer van [eiseres] dat PFZW geen belang meer heeft bij deze vorderingen omdat de Werknemers al geruime tijd niet meer bij haar in dienst zijn, volgt de kantonrechter niet. Omdat [eiseres] voor de Werknemers onder de werkingssfeer van het verplichtstellingsbesluit valt, hebben beide werkneemsters met hun werkzaamheden bij [eiseres] pensioenaanspraken bij PFZW opgebouwd. PFZW heeft daarom belang bij het verkrijgen van de gevorderde gegevens om deze aanspraken en de premieverplichtingen van [eiseres] te kunnen vaststellen.
De kantonrechter wijst de gevorderde dwangsom af. [eiseres] heeft namelijk gesteld dat zij bij afwijzing van haar vordering in conventie het oordeel van de kantonrechter zal respecteren. PFZW heeft niet gesteld dat er reden is om daaraan te twijfelen. De kantonrechter ziet daarom geen redenen om aan de veroordeling in reconventie een dwangsom te verbinden.
Proceskosten
[eiseres] is ook in reconventie grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen. Die worden aan de kant van PFZW begroot op
€ 288,- aan salaris gemachtigde (1 punt x € 288,-).
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5. De beslissing
De kantonrechter
in conventie
wijst de vorderingen van [eiseres] af,
veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van € 720,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
in reconventie
veroordeelt [eiseres] om binnen veertien kalenderdagen na de datum van dit vonnis de Werknemers, [C] en [D] , bij PFZW aan te melden via de online werkgeversportal MijnOrganisatie, daarbij alle gegevens over hen op te geven op de wijze als bepaald in deze portal, en binnen zestig dagen na betekening van dit vonnis een controleverklaring van een registeraccountant te verstrekken waaruit blijkt dat de aangeleverde gegevens juist en volledig zijn,
veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van € 288,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
in conventie en in reconventie
veroordeelt [eiseres] tot betaling van de kosten van betekening als [eiseres] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt [eiseres] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.A.M. Pinckaers en in het openbaar uitgesproken op 5 augustus 2026.
40160