RECHTBANK Midden-Nederland
Civiel recht
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: C/16/590059 / HA ZA 25-148
Vonnis van 4 maart 2026
in de zaak van
1. de rechtspersoon naar buitenlands recht
DIRECTORS GUILD OF AMERICA,
te Los Angeles (Verenigde Staten),2. de rechtspersoon naar buitenlands recht
WRITERS GUILD OF AMERICA WEST,
te Los Angeles (Verenigde Staten),3. de rechtspersoon naar buitenlands recht
WRITERS GUILD OF AMERICA EAST,
te New York (Verenigde Staten),4. de rechtspersoon naar buitenlands recht
GESELLSCHAFT ZUR WAHRNEMUNG VON FILM - UND FERNSEH,
te München (Duitsland),
eisende partijen,
hierna samen te noemen: DGA c.s.
procesadvocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer,
behandelend advocaat: mr. A.P. Groen,
tegen
1. ZIGGO B.V.,
te Utrecht,2. ZIGGO SERVICES B.V.,
te Utrecht,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: Ziggo,
advocaten: mrs. S.C. van Loon, J. Sloëtjes en K. Heidary.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 18 februari 2025 met 7 producties- de conclusie van antwoord met 14 producties- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald
- het bericht van 31 oktober 2025 met 1 productie van DGA c.s.
- het bericht van 1 december 2025 met 4 producties van Ziggo- de mondelinge behandeling van 10 december 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
Daarna is bepaald dat vandaag vonnis wordt gewezen.
2. De kern van de zaak
Het gaat in deze zaak om de vraag of de Amerikaanse filmregisseurs en schrijvers (hierna: Amerikaanse filmmakers) op grond van artikel 45d lid 2 Auteurswet (hierna: Aw) recht hebben op een proportionele billijke vergoeding (hierna: vergoeding) van Ziggo. De rechtbank oordeelt dat dit niet het geval is en wijst de vordering van DGA c.s. af.
3. De beoordeling
De rechtbank is bevoegd
Omdat de eisende partijen in de Verenigde Staten en Duitsland gevestigd zijn, moet de rechtbank eerst bepalen of zij bevoegd is om een oordeel te geven in deze zaak.
Dat is het geval op grond van artikel 4 lid 1 EEX-Vo 2012 in samenhang met artikel 99 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), omdat Ziggo gevestigd is in Utrecht.
Wie heeft recht op de vergoeding?
Sinds 1 juli 2015 moet iedereen, die een filmwerk uitzendt op grond van artikel 45d lid 2 Aw een vergoeding betalen aan de makers van het filmwerk, die hun normale exploitatiehandelingen aan de filmproducent hebben overgedragen. Van dit recht kan geen afstand worden gedaan. Deze vergoeding is in de plaats gekomen van de vroegere kabeldoorgiftevergoeding, omdat die is vervallen als gevolg van het verdwijnen van de kabeltelevisie.
Voorwaarde voor dit vergoedingsrecht is dat de filmmaker zijn rechten aan de filmproducent heeft overgedragen. Dat is bijvoorbeeld niet het geval wanneer de filmmaker aan de filmproducent een licentie verstrekt om zijn werk te mogen uitzenden. De filmmaker heeft dan namelijk zelf nog steeds het openbaarmakingsrecht in handen. Het is ook niet het geval als de filmmaker zijn bijdrage in dienstverband heeft verricht. Op grond van artikel 7 Aw krijgt de werkgever dan van rechtswege het auteursrecht (inclusief het openbaarmakingsrecht) en niet de maker zelf. Wat je niet hebt gehad, kun je ook niet verkopen en overdragen. Daar staat dan weer tegenover dat de filmmakers in dienstverband profiteren van arbeidsvoorwaarden, die de zelfstandige filmmakers niet hebben.
In de Verenigde Staten geldt het work made for hire-beginsel
Eisende partijen 1 tot en met 3, de Guilds, zijn vakbonden voor regisseurs en schrijvers in de Verenigde Staten en zij vertegenwoordigen samen naar eigen zeggen ruim 30.000 filmmakers uit de Verenigde Staten. De Guilds onderhandelen namens hen met de filmstudio’s over onder meer pensioenen, ziektekostenverzekeringen en de financiële beloning voor de geleverde bijdragen. De daaruit voortkomende afspraken worden vastgelegd in collectieve standaardovereenkomsten, de zogenaamde Minimum Basic Agreements (MBA’s). De daarin vastgelegde financiële beloning bestaat enerzijds uit een vergoeding voor het maken van het werk en het ‘eerste gebruik’ en anderzijds uit vergoedingen voor het hervertonen en heruitzenden van filmwerken in binnen- en buitenland via verschillende media.
De creatieve bijdragen (werken) aan films worden in de Verenigde Staten beschouwd als een ‘work made for hire’ (WMFH) als (i) het werk door een werknemer binnen zijn of haar dienstverband is gemaakt of (ii) het gaat om een werk dat speciaal is besteld of opgedragen om te worden gebruikt als bijdrage aan een collectief werk en waarbij partijen uitdrukkelijk schriftelijk verklaren dat het werk een WMFH is. Wanneer het werk een WMFH is, wordt de werkgever respectievelijk de opdrachtgever als de maker beschouwd en daarmee de auteursrechthebbende. De filmmaker zelf krijgt daarvoor in de plaats de onder 3.5 genoemde financiële beloning. Partijen hebben hierover geen verschil van mening. DGA heeft in haar dagvaarding erkent dat in de twee genoemde situaties, de werkgever respectievelijk opdrachtgever de auteur en daarmee rechthebbende is.
Voor de tweede situatie maakt men in de Verenigde Staten gebruik van een opdrachtovereenkomst. In deze procedure hebben DGA c.s. een (voorbeeld van een) standaard opdrachtovereenkomst tussen een filmproducent en een regisseur/schrijver overgelegd (EP3). In die overeenkomst verklaren partijen dat de creatieve bijdrage een WMFH is (artikel 2), zoals voorgeschreven in het Amerikaanse recht. In hetzelfde artikel is ook een vangnetbepaling opgenomen die er op neerkomt dat de filmmaker de rechten aan de filmproducent overdraagt in het geval de bijdrage niet als een WMFH wordt gekwalificeerd.
Amerikaanse filmmakers hebben geen recht op de vergoeding
Hoewel de vraag in hoeverre een filmmaker recht heeft op de vergoeding van artikel 45d lid 2 Aw (logischerwijs) wordt beoordeeld naar Nederlands recht, geldt dit niet voor de vraag wie als maker of auteursrechthebbende is te beschouwen. Anders dan DGA c.s. menen, is de rechtbank van oordeel dat die vraag naar Amerikaans recht moet worden beoordeeld. De rechtbank verwijst hiervoor naar het arrest van het Hof Arnhem-Leeuwarden van 25 mei 2021. Door toepassing van de lex origines, waarbij één rechtstelsel bepalend is voor de vraag wie er bij aanvang als maker en auteursrechthebbende heeft te gelden, wordt voorkomen dat er ten aanzien van hetzelfde werk verschillende rechthebbenden zijn. Toepassing van dit “land van oorsprong”-principe is in de onderhavige casus te meer aangewezen: niet alleen speelt de rechtsverhouding tussen de filmmaker en de filmproducent zich volledig binnen de Amerikaanse rechtssfeer af en bestaat er binnen die verhouding geen enkele band met Nederland. De opdrachtovereenkomst, die standaard wordt gebruikt, bevat ook een specifieke bepaling waarin Amerikaans recht op de overeenkomst van toepassing wordt verklaard.
Zoals gezegd zijn de Amerikaanse filmmakers schriftelijk overeengekomen dat hun bijdrage een WMFH is en dat de filmproducent van rechtswege als de maker wordt beschouwd en auteursrechthebbende is. De Amerikaanse filmmakers zijn dus niet zelf als maker te beschouwen in de zin van artikel 45d lid 2 Aw. Zij zijn daardoor dus ook nooit auteursrechthebbende op hun bijdragen geweest. Van verkoop en overdracht van rechten aan de filmproducent kan dus niet worden gesproken. Die heeft niet plaatsgevonden. Dat betekent dat aan de voorwaarde voor het mogen ontvangen van de vergoeding niet wordt voldaan en er voor hen geen vergoedingsaanspraak op grond van artikel 45d lid 2 Aw ontstaat.
Het beroep op het overdrachtsvermoeden van artikel 45d lid 1 Aw door DGA c.s. slaagt daarom ook niet. Op grond van dit overdrachtsvermoeden wordt er van uitgegaan dat de filmmaker zijn rechten heeft overgedragen aan de producent. Maar dat vermoeden geldt alleen als de filmmaker en filmproducent niet anders zijn overeengekomen. En zoals uit het voorgaande blijkt, hebben de Amerikaanse filmmakers nu juist wel iets anders afgesproken met de filmproducent. Namelijk dat hun bijdrage aan de film een WMFH is en dat de filmproducent als maker en rechthebbende wordt beschouwd en de filmmakers daarom zelf geen rechten hebben (gekregen).
Dat wordt niet anders door de in de overeenkomst opgenomen vangnetbepaling.
Daarin staat dat alleen in het geval wordt vastgesteld dat het werk geen WMFH is, de rechten door de maker worden overgedragen aan de filmproducent:
“In the event Director’s services hereunder are hereafter determined not to have been made as a work-for-hire, Director hereby assigns to Company all rights in the works produced hereunder deemed to belong to Director, including but not limited to all copyrights.”
Volgens DGA c.s. zou deze bepaling in de overeenkomst zijn opgenomen zowel voor het geval dat niet alle Amerikaanse toepassingsvereisten zijn vervuld om het een WMFH te doen zijn, als voor het geval de situatie buiten het formele toepassingsbereik van de Amerikaanse wet valt. De rechtbank volgt die uitleg voor het eerst genoemde geval, maar niet met de uitleg dat deze bepaling ook zou zijn bedoeld voor de situatie dat de Amerikaanse wet niet van toepassing is. Dat volgt niet uit de tekst zelf en kan er naar het oordeel van de rechtbank ook niet in worden gelezen. De bepaling is namelijk volledig toegeschreven op de Amerikaanse wet, zodat duidelijk is dat het vangnet is opgenomen voor het – min of meer theoretische – geval dat in een bepaalde situatie niet aan de eisen van de Amerikaanse wet is voldaan.
De conclusie is dan ook dat de Amerikaanse filmmakers geen recht hebben op de proportionele billijke vergoeding van artikel 45d lid 2 Aw.
Het Unierecht geeft Amerikaanse filmmaker geen recht op vergoeding
Ook toepassing van het Unierecht leidt naar het oordeel van de rechtbank niet tot het toekennen van de vergoeding aan Amerikaanse filmmakers.
Volgens DGA c.s. vormt de in artikel 45d lid 2 Aw geregelde vergoeding een invulling van artikel 18 van de DSM-richtlijn en moet de bepaling daarom richtlijnconform worden uitgelegd. Hun redenering komt er in de kern op neer dat uit de jurisprudentie van het HvJ EU volgt dat voor de uitvoering van Unierechtelijke verplichtingen geen onderscheid mag worden gemaakt tussen Europese en niet-Europese onderdanen en dat deze aanspraken naar de regels van Europees recht moeten worden beoordeeld. Volgens DGA c.s. geldt dit principe ook voor het bepalen van wie als maker en/of auteursrechthebbende moet worden beschouwd. Vervolgens stellen zij dat uit het ONB-arrest volgt dat het uitgangspunt van het Europees recht is dat de auteursrechten altijd bij de feitelijke maker ontstaan en dat dit niet van rechtswege verlegd kan worden naar een rechtspersoon. Uniforme uitleg van het begrip ‘auteur’ in artikel 18 van de DSM-richtlijn leidt er volgens DGA c.s. toe dat Amerikaanse filmmakers recht hebben op de vergoeding, omdat auteursrechten altijd bij de maker ontstaan en deze rechten alleen nog maar kunnen worden overgedragen. En daarmee is dan aan beide voorwaarden (makerschap en overdracht) voldaan voor de aanspraak op de vergoeding.
De rechtbank gaat daar niet in mee. Zij onderschrijft het standpunt dat prof.mr. P.B. Hugenholtz heeft ingenomen in zijn op verzoek van Ziggo uitgebrachte opinie (GP8) en maakt dit tot het hare. Hugenholtz stelt zich op het standpunt dat het vergoedingsrecht uit artikel 45d lid 2 Aw niet door het Unierecht is voorgeschreven en ook niet afgeleid is van een door het Unierecht geharmoniseerd uitsluitend recht of een wettelijke beperking. Het is volgens Hugenholtz hooguit een van de door de Nederlandse wetgever gekozen instrumenten om aan de in artikel 18 lid 1 DSM-richtlijn opgelegde verplichting te voldoen om een billijke en evenredige vergoeding aan de auteurs te verstrekken wanneer zij hun exploitatierechten in licentie geven of overdragen. Uit lid 2 van dit artikel in samenhang met overweging 73 van de DSM-richtlijn volgt dat de lidstaten vrij zijn verschillende instrumenten te gebruiken en daarbij rekening te houden met de contractuele vrijheid en een billijk evenwicht tussen de verschillende rechten en belangen. Daarbij gaat het vooral om het opheffen van de ongelijkheid in de contractuele positie tussen de natuurlijke persoon als maker en de vaak grotere professionele exploitanten.
Gelet op het in artikel 18 lid 1 DSM-richtlijn genoemde overdrachtsvereiste is de rechtbank van oordeel dat ook als de vergoeding van artikel 45d lid 2 Aw wel als een Unierechtelijk vergoedingsrecht moet worden beschouwd, dit niet tot een vergoedingsaanspraak leidt voor de Amerikaanse filmmakers. Er wordt immers niet voldaan aan het overdrachtsvereiste, omdat contractueel is bepaald dat de filmproducent de maker en auteursrechthebbende is. Bovendien geldt dat de Amerikaanse filmmakers door tussenkomst van de Guilds recht hebben op een financiële vergoeding voor het maken en uitzenden via verschillende mediakanalen, zowel binnen als buiten de Verenigde Staten. In die zin ontvangen zij dus al een passende en evenredige vergoeding wat de achtergrond en bedoeling is geweest van de in de DSM-richtlijn opgenomen verplichtingen.
Het assimilatiebeginsel leidt ook niet tot een andere uitkomst
Tot slot het assimilatiebeginsel zoals vastgelegd in artikel 5 lid 1 van de Berner Conventie. Omdat Nederland aangesloten is bij de Berner Conventie heeft dit verdrag rechtstreekse werking in Nederland. Het assimilatiebeginsel houdt niet meer of minder in dan dat de verdragstaten door de Conventie beschermde buitenlandse auteurs voor hun werken dezelfde bescherming bieden als zij hun eigen auteurs bieden.
Er is zowel tussen partijen als in de literatuur discussie over de vraag of het vergoedingsrecht waar het in deze zaak om gaat wel een ‘recht’ is in de zin van de Berner Conventie. Als dat niet het geval is, dan kan ook het assimilatiebeginsel niet worden ingeroepen. De rechtbank laat beantwoording van deze vraag in het midden, omdat ook in het geval het assimilatiebeginsel wel van toepassing is, dit niet leidt tot een vergoedingsaanspraak van de Amerikaanse filmmakers. Concreet betekent dit namelijk dat de Amerikaanse filmmakers recht zouden hebben op de vergoeding als zij hun exploitatierechten hebben overgedragen (verkocht) aan de filmproducent. Zoals hiervoor onder 3.9 tot en met 3.11 al is besproken, is daarvan geen sprake omdat het gaat om WMFH. Daarmee voldoen zij niet aan de voorwaarden om aanspraak te maken op de vergoeding.
Conclusie
Ziggo is dus niet gehouden een proportionele billijke vergoeding af te dragen ten behoeve van de Amerikaanse filmmakers. De vordering voor recht te verklaren dat dit zo is wordt daarom afgewezen.
Proceskosten
DGA c.s. zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Ziggo heeft een vergoeding van haar volledige proceskosten gevorderd op grond van artikel 1019h Rv. Omdat er in deze zaak geen sprake is van handhaving van IE-rechten in de zin van artikel 1019 Rv, is artikel 1019h Rv niet van toepassing en worden de proceskosten van Ziggo begroot volgens het liquidatietarief. De proceskosten van Ziggo worden begroot op:
- griffierecht
€
714,00
- salaris advocaat
€
1.306,00
(2 punten × € 653,00)
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
2.209,00
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
4. De beslissing
De rechtbank
wijst de vordering van DGA c.s. af,
veroordeelt DGA c.s. in de proceskosten van € 2.209,00, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als DGA c.s. niet tijdig aan de veroordeling voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt DGA c.s. tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten vanaf de datum van dit vonnis,
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. N.A.J. Purcell, mr. J.A. Schuman en mr. M.M. Simon, bijgestaan door mr. C.E.M. Roeleveld, en in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2026.
CR (4529)