ECLI:NL:RBMNE:2026:5595

ECLI:NL:RBMNE:2026:5595

Instantie Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak 06-08-2026
Datum publicatie 17-08-2026
Zaaknummer 12049497 \ UE VERZ 26-11
Rechtsgebied Civiel recht; Arbeidsrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

Deelgeschil. Maaltijdbezorger is aangereden en heeft letsel opgelopen. Werkgever is aansprakelijk. Verzoeker is niet-ontvankelijk in zijn verzoeken gebaseerd op bestuurdersaansprakelijkheid.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Utrecht

Zaaknummer / rekestnummer: 12049497 \ UE VERZ 26-11

Beschikking van 6 augustus 2026

in de zaak van

[verzoeker] ,

die woont in [plaats 1] ,

verzoekende partij,

hierna te noemen: [verzoeker] ,

gemachtigde: mr. F.B. van Batenburg,

tegen

1. [verweerster sub 1] B.V.,

die is gevestigd in [plaats 1] ,2. [verweerster sub 2] B.V.,

die is gevestigd in [plaats 1] ,3. [verweerster sub 3] B.V.,

die is gevestigd in [plaats 2] ,

4. [verweerder sub 4],

bestuurder van verweerster sub 2,

die woont in [plaats 1] ,

5. [verweerder sub 5],

bestuurder van verweerster sub 3,

die woont in [plaats 1] ,

verwerende partijen,

hierna afzonderlijk te noemen: [verweerster sub 1] (sub 1), de andere vennootschappen (sub 2 en 3) en de bestuurders (sub 4 en 5),

hierna samen te noemen: verweerders,

gemachtigde: mr. X.M.C.I. Wakim.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift met 6 producties;

- het verweerschrift met 8 producties;

- de aanvullende stukken van verweerders van 20 mei 2026 (ontbrekende stukken bij productie 5);

- de aanvullende stukken van verweerders van 21 mei 2026 (productie 9);

- aanvullende stukken van [verzoeker] van 26 mei 2026 (producties 7 t/m 10);

- de mondelinge behandeling van 27 mei 2026, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt;

de spreekaantekeningen van [verzoeker] ;

de spreekaantekeningen van verweerders.

De beschikking is nader bepaald op vandaag.

2. De kern van de zaak

[verzoeker] is op 17-jarige leeftijd als maaltijdbezorger van [verweerster sub 1] op een elektrische Swapfiets aangereden door een bestelauto. Hij heeft daarbij letsel aan zijn arm en been opgelopen. In dit deelgeschil vraagt hij onder meer om voor recht te verklaren dat [verweerster sub 1] als werkgever aansprakelijk is voor zijn schade door het ongeval. Dat verzoek wordt toegewezen op de eerste grondslag (artikel 7:658 lid 2 BW), de tweede grondslag (artikel 7:611 BW) kan daarom onbesproken blijven. Zijn verzoeken op grond van werkgeversaansprakelijkheid tegen de andere vennootschappen worden afgewezen omdat zij geen werkgever van hem zijn. Zijn verzoek om een voorschot op de schadevergoeding wordt afgewezen omdat hij deze, gelet op de betwisting door [verweerster sub 1] , onvoldoende heeft onderbouwd en voor bewijslevering in deelgeschil geen ruimte is. [verzoeker] is niet-ontvankelijk in zijn verzoeken gebaseerd op bestuurdersaansprakelijkheid want die verzoeken vallen buiten de reikwijdte van de deelgeschilprocedure.

3. De achtergrond van het geschil

[verzoeker] was vanaf 1 januari 2022 tot en met 31 juli 2023 bij restaurant [verweerster sub 1] in dienst, laatstelijk in de functie van bezorger en spoelkeukenmedewerker. De bezorgwerkzaamheden waren van tijdelijke aard, zo heeft [verweerster sub 1] bij de mondelinge behandeling toegelicht. Door onzekerheden door de coronapandemie was [verweerster sub 1] in 2023 gestart met de bezorging van maaltijden en toen het restaurant weer goed draaide, is zij daarmee gestopt.

Op 17 februari 2023 is [verzoeker] als maaltijdbezorger van [verweerster sub 1] een ongeval overkomen. Hij fietste over het fietspad dat parallel loopt aan de [straat] in [plaats 1] . Om linksaf te slaan fietste hij over de groenstrook de weg op en daar is hij aangereden door een bestelauto. Achmea, de WAM-verzekeraar van de bestelauto, heeft op basis van artikel 185 Wegenverkeerswet de aansprakelijkheid voor 50 procent erkend. De andere helft komt volgens Achmea voor rekening van [verzoeker] omdat sprake is van eigen schuld.

De verzekering van [verweerster sub 1] biedt geen dekking voor de schade door het ongeval. In die periode had de onderneming het financieel moeilijk en een automatische overschrijving van de verzekeringspremie was toen achterwege gebleven.

[verzoeker] stelt zich op het standpunt dat verweerders gehouden zijn om de andere helft (de helft die Achmea niet vergoed) van de schade aan hem te vergoeden. Hij beroept zich ten eerste op artikel 7:658 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en stelt dat verweerders niet aan hun zorgplicht hebben voldaan. Ten tweede beroept hij zich op artikel 7:611 BW en stelt dat verweerders gehouden zijn zorg te dragen voor een behoorlijke verzekering. Dat hebben zij nagelaten. Daarnaast (in plaats van meer-subsidiair zoals hij bij de mondelinge behandeling zijn verzoekschrift heeft verduidelijkt) doet hij een beroep op bestuurdersaansprakelijkheid en stelt dat de bestuurders van verweerders privé aansprakelijk zijn omdat zij erop toe hadden moeten zien dat de verzekeringspremies werden betaald.

4. De beoordeling

Naast [verweerster sub 1] en de andere vennootschappen, heeft [verzoeker] de (indirect) bestuurders van [verweerster sub 1] voldoende duidelijk in de procedure betrokken

[verzoeker] heeft de (indirect) bestuurders van [verweerster sub 1] ( [verweerder sub 4] en [verweerder sub 5] ) niet als procespartij in de kop van zijn verzoekschrift vermeld, maar hij heeft ze daar wel als (indirect) bestuurders genoemd en hij heeft ze voor de mondelinge behandeling opgeroepen. Daar zijn zij verschenen en kennelijk was de verdere inhoud van het verzoek voor hen duidelijk genoeg om te begrijpen dat zij ook in privé als procespartij waren betrokken, want ook in de spreekaantekeningen van verweerders zijn zij als procespartij vermeld. De kantonrechter gaat er daarom van uit dat zij op een voor hen voldoende duidelijke wijze door [verzoeker] in de procedure zijn betrokken.

Het verzoek gegrond op werkgeversaansprakelijkheid leent zich voor een deelgeschil

[verzoeker] heeft zijn verzoekschrift gebaseerd op de Wet Deelgeschilprocedure voor letsel- en overlijdensschade opgenomen in artikel 1019w - 1019cc van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). De vereisten om via deze route een zaak aan de rechter voor te leggen, zijn dat het moet gaan om personenschade (schade door letsel of schade door overlijden) waarvoor wettelijke aansprakelijkheid bestaat en waarbij de onderhandelingen over de afwikkeling ervan zijn vastgelopen. De deelgeschilprocedure kan dus alleen worden gebruikt als aan al deze vereisten is voldaan.

[verzoeker] houdt zijn werkgever aansprakelijk voor zijn schade door het ongeval dat hem in de uitoefening van zijn werkzaamheden is overkomen. Zo’n verzoek kan in een deelgeschil aan de orde komen en met een oordeel hierover kan de hierover ontstane impasse tussen partijen worden doorbroken en kunnen de onderhandelingen in principe worden voortgezet. Het verzoek gegrond op werkgeversaansprakelijkheid leent zich daarom naar haar aard voor behandeling in deelgeschil en zal hierna inhoudelijk worden behandeld.

Het verzoek gegrond op bestuurdersaansprakelijkheid valt buiten de reikwijdte van de deelgeschilprocedure

Dat geldt niet voor het verzoek van [verzoeker] dat hij heeft gebaseerd op bestuurdersaansprakelijkheid. Volgens [verzoeker] zijn de bestuurders van [verweerster sub 1] op grond van artikel 2:9 BW in privé aansprakelijk. Hij stelt dat sprake is van onbehoorlijk bestuur omdat de bestuurders erop toe hadden moeten zien dat de premies werden betaald zodat er blijvend dekking bestond. Dit verzoek valt buiten de reikwijdte van de deelgeschilprocedure ex artikel 1019w Rv. De deelgeschilprocedure is bedoeld voor geschillen over de aansprakelijkheid voor schade door dood of letsel maar niet voor geschillen over de aansprakelijkheid voor schade als gevolg van handelen van de bestuurders van een vennootschap (in dit geval het niet regelen van een verzekeringsdekking voor werknemers). Een dergelijk verzoek kan niet in een deelgeschil aan de rechter worden voorgelegd. Daarvoor moet een gewone bodemprocedure (bij de rechtbank) aanhangig worden gemaakt. Op dit punt zal [verzoeker] dus niet-ontvankelijk in zijn verzoek worden verklaard.

[verzoeker] kan [verweerster sub 1] als zijn werkgever aanspreken maar de andere vennootschappen niet

Uit de arbeidsovereenkomst, die verweerders in het geding hebben gebracht, blijkt dat enkel [verweerster sub 1] ten tijde van het ongeval de werkgever van [verzoeker] was. [verzoeker] kan [verweerster sub 1] dus op grond van werkgeversaansprakelijkheid aanspreken. Dat geldt niet voor de andere vennootschappen. In de kop van het verzoekschrift heeft [verzoeker] vermeld dat de andere vennootschappen de bestuurders van [verweerster sub 1] zijn, maar hij heeft niet uitgelegd waarom hij ook hen op grond van werkgeversaansprakelijkheid kan aanspreken. De grondslagen gebaseerd op werkgeversaansprakelijkheid tegen de andere vennootschappen kunnen daarom niet slagen en zullen worden afgewezen. Zijn verzoek tegen [verweerster sub 1] zal hierna worden besproken.

Toetsingskader: artikel 7:658 BW

[verzoeker] beroept zich allereerst op artikel 7:658 BW. Het eerste lid van dat artikel komt erop neer dat de werkgever maatregelen moet nemen die redelijkerwijs nodig zijn om te voorkomen dat de werknemer bij de uitoefening van zijn werk schade lijdt. Het tweede lid bepaalt dat de werkgever aansprakelijk is voor schade die de werknemer lijdt in de uitoefening van zijn werkzaamheden, tenzij de werkgever aantoont dat hij aan zijn (in het eerste lid omschreven) zorgplicht heeft voldaan of dat de schade in belangrijke mate het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer.

[verzoeker] heeft schade geleden in de uitoefening van zijn werkzaamheden

[verzoeker] heeft voldoende gesteld dat hij in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade heeft geleden. [verweerster sub 1] heeft dat ook niet betwist. Dat betekent dat [verweerster sub 1] als werkgever in beginsel voor de schade aansprakelijk is, tenzij zij aantoont dat zij haar zorgplicht is nagekomen of dat de schade in belangrijke mate het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van [verzoeker] .

De zorgplicht van artikel 7:658 BW

Artikel 7:658 BW houdt een ruime zorgplicht in en in de rechtspraak wordt niet snel aangenomen dat de werkgever daaraan heeft voldaan. Het artikel beoogt daarentegen ook geen absolute garantie te scheppen voor de bescherming van de werknemer tegen gevaar. Welke veiligheidsmaatregelen de werkgever dient te treffen, hangt af van de omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de werkzaamheden, de kans dat zich een ongeval zal voordoen, de ernst die de gevolgen van een ongeval kunnen hebben en de mate van de bezwaarlijkheid van de te nemen veiligheidsmaatregelen.

Wanneer het gaat om gevallen waarin een werknemer in de uitoefening van de werkzaamheden deelneemt aan het wegverkeer, is de omvang van de zorgplicht van de werkgever beperkter. De werkgever heeft immers in de regel geen zeggenschap over de inrichting en daarmee samenhangende verkeersveiligheid van de openbare weg. Daarnaast kan een groot aantal andere factoren bijdragen aan het ontstaan van verkeersongevallen, zonder dat de werkgever daarop door het treffen van maatregelen of het geven van aanwijzingen effectief invloed kan uitoefenen. Er bestaat wel een directe verantwoordelijkheid voor de veiligheid van het voertuig dat hij eventueel aan de werknemer ter beschikking heeft gesteld en het geven van onderricht, instructies en voorschriften die de veiligheid van de werknemer kunnen bevorderen.

De Arbeidsomstandighedenwet

Over het geven en naleven van die instructies zijn in de Arbeidsomstandighedenwet (de Arbowet) enkele bepalingen opgenomen. Uit artikel 7:658 lid 1 BW in verbinding met artikel 8 van de Arbowet volgt dat de werkgever verplicht is om toezicht te houden op het naleven van instructies. In het eerste lid van artikel 8 van de Arbowet is bepaald dat de werkgever ervoor zorgt dat de werknemers doeltreffend worden ingelicht over de te verrichten werkzaamheden en de daaraan verbonden risico's, alsmede over de maatregelen die erop gericht zijn deze risico's te voorkomen of te beperken.

Artikel 8 lid 5 van de Arbowet bepaalt dat indien er binnen de onderneming werknemers jonger dan 18 jaar werkzaam zijn, de werkgever bij de uitvoering van de in de voorgaande leden genoemde verplichtingen in het bijzonder rekening houdt met de aan de jeugdige leeftijd inherente beperkte werkervaring en onvoltooide lichamelijke en geestelijke ontwikkeling van deze werknemers.

In artikel 5 van de Arbowet staat de verplichting opgenomen dat de werkgever schriftelijk een inventarisatie en evaluatie vastlegt welke risico’s de arbeid voor de werknemers met zich brengt (een RI&E).

In artikel 9 van de Arbowet is opgenomen dat de werkgever arbeidsongevallen die leiden tot de dood, een blijvend letsel of een ziekenhuisopname direct meldt aan de daartoe aangewezen toezichthouder (de Arbeidsinspectie).

[verweerster sub 1] heeft niet voldaan aan haar zorgplicht

[verweerster sub 1] heeft gesteld dat zij aan haar zorgplicht heeft voldaan. Deze stelling wordt getoetst aan het hierboven genoemde wettelijke kader. [verweerster sub 1] heeft bij de mondelinge behandeling toegelicht dat haar onderneming in de periode van het ongeval ongeveer twintig werknemers in dienst had, waarvan twee vaste. Zij heeft verder aangevoerd dat zij voor haar fietskoeriers veilige arbeidsmiddelen ter beschikking heeft gesteld, passende instructies heeft gegeven en herhaald, toezicht heeft gehouden en geen gevaarlijke werkomstandigheden heeft gecreëerd. Zij heeft toegelicht dat zij (in corona-tijd) bewust heeft gekozen voor Swapfietsen zodat bij eventuele defecten direct reparatie of vervanging mogelijk was. De fietsen werden dagelijks voor opening van het restaurant gecontroleerd op gebreken. Dat was die dag bij de fiets van [verzoeker] ook gebeurd en er waren geen gebreken. Zij heeft regelmatig gewezen op veiligheidsregels binnen [verweerster sub 1] en heeft diverse veiligheidsmaatregelen heeft getroffen, zoals:

de dagelijkse controle van de fietsen op (zichtbare) gebreken vóór opening van het restaurant,

de instructie dat de werknemer bij twijfel aan de deugdelijke staat van de fiets direct contact op moest nemen met Swapfiets en dat de bezorging dan zo nodig moest worden onderbroken,

dat de bezorgers niet per bestelling maar per gewerkt uur werden betaald, dus zonder financiële prikkel om sneller/risicovoller te rijden,

dat er voor gezorgd werd dat er voldoende bezorgers aanwezig waren, zodat er een geen bijzondere hoge werkdruk was,

dat [verweerster sub 1] regelmatig benadrukte dat verkeersregels strikt moesten worden nageleefd,

dat [verweerster sub 1] het gebruik van de telefoon tijdens het fietsen verbood behalve voor navigatie door gebruik te maken van de ter beschikking gestelde telefoonhouder.

Het staat niet vast of [verweerster sub 1] een telefoonhouder aan [verzoeker] heeft vertrekt, volgens [verweerster sub 1] is dat zo maar [verzoeker] betwist dat. Wel staat vast dat [verweerster sub 1] aan [verzoeker] geen helm en/of fluorescerend hesje heeft vertrekt. Dit zijn allemaal eenvoudige maatregelen die niet veel hoeven te kosten en niet bezwaarlijk zijn om te nemen, maar de vraag of [verweerster sub 1] deze of andere preventieve maatregelen heeft genomen of had moeten nemen, kan in het midden blijven. [verweerster sub 1] heeft namelijk niet aangetoond dat zij op het punt van de verkeersveiligheidsinstructies aan [verzoeker] aan haar zorgplicht heeft voldaan.

[verzoeker] betwist immers dat [verweerster sub 1] aan hem verkeersveiligheidsinstructies heeft verstrekt. Hij heeft bij de mondelinge behandeling toegelicht dat hij één keer is geïnstrueerd over het gebruik van de Swapfiets maar niet over veiligheid. Hij heeft er verder op gewezen dat [verweerster sub 1] geen op schrift gesteld RI&E (Risico-Inventarisatie en -Evaluatie) had waaruit blijkt dat zij herhaalde, concrete en gerichte instructies over de verkeersveiligheid heeft verstrekt.

Hierop heeft [verweerster sub 1] bij de mondelinge behandeling toegelicht dat zij aan de horecaregels voldeed, dat de koerierswerkzaamheden van tijdelijke aard waren rondom corona-tijd en dat zij voor haar fietskoeriers inderdaad geen schriftelijke RI&E had opgesteld.

Daarmee heeft [verweerster sub 1] , tegenover de betwisting van [verzoeker] , op geen enkele manier aangetoond dat zij [verzoeker] ooit, laat staan regelmatig, over de verkeersveiligheid heeft geïnstrueerd en op dit punt aan haar zorgplicht heeft voldaan. Gelet op de aard van de werkzaamheden én het gegeven dat werknemers (en zeker minderjarige werknemers) zelf niet altijd voorzichtig genoeg zijn, had het op haar weg gelegen om haar fietskoeriers doeltreffend in te lichten over de aan de werkzaamheden verbonden risico’s en had zij de maatregelen die erop gericht zijn deze risico's te voorkomen of te beperken schriftelijk in een RI&E op moeten nemen. Dat was zij zoals bepaald in artikel 5 van de Arbowet verplicht. Het nalaten daarvan komt voor haar risico.

De omstandigheid dat het mogelijk ging om koeriersdiensten van tijdelijke aard in/na corona-tijd brengt geen wijziging in de op [verweerster sub 1] rustende verplichtingen. Integendeel, haar zorgplicht weegt zwaarder omdat [verzoeker] ten tijde van het ongeval nog minderjarig was en een kwetsbare (en redelijk snelle) verkeersdeelnemer. Dat, zoals [verweerster sub 1] stelt, [verzoeker] een ervaren bezorger was met veel fietservaring die de routes in [plaats 1] kende en hij al bijna 18 jaar was, doet hier niet aan af. Daar komt nog bij dat [verweerster sub 1] valt te verwijten dat zij na het ongeval de Arbeidsinspectie niet heeft ingeschakeld. Dat lag wel voor de hand. [verweerster sub 1] wist immers van de opname van [verzoeker] in het ziekenhuis en de operaties en kon niet uitsluiten dat [verzoeker] mogelijk blijvend letsel aan het ongeval zou overhouden. Bij een onderzoek door de Arbeidsinspectie had de toedracht van het ongeval ook duidelijker kunnen worden. Ook dat is een omstandigheid die voor rekening en risico van [verweerster sub 1] komt.

Er is geen sprake van opzet of bewuste roekeloosheid van [verzoeker]

Als het ongeval is ontstaan door opzet of bewuste roekeloosheid van [verzoeker] dan staat dat in de weg aan de aansprakelijkheid van [verweerster sub 1] . Hierna wordt eerst ingegaan op de vraag of [verzoeker] het ongeval opzettelijk heeft veroorzaakt. [verweerster sub 1] heeft deze stelling op geen enkele wijze (feitelijk) onderbouwd. Daarom moet die stelling als ongefundeerd worden gepasseerd.

Ook het beroep van [verweerster sub 1] op bewuste roekeloosheid slaagt niet. Haar stelling dat [verzoeker] direct na het ongeval heeft verklaard dat hij ‘stom’ was geweest en uit de afwijzing van aansprakelijkheid door de WAM-verzekeraar volgt dat sprake is van eigen schuld van [verzoeker] , is daarvoor onvoldoende.

De lat voor het aannemen van bewuste roekeloosheid ligt immers hoog en artikel 7:658 lid 2 BW kent een van artikel 6:101 BW afwijkend eigenschuldregime. Bij eigen schuld (artikel 6:101 BW) gaat het om omstandigheden die er ieder op zich in meer of mindere mate aan bij hebben gedragen dat het incident heeft kunnen plaatsvinden. Het kan zijn dat één of meer van die omstandigheden voor risico van de benadeelde moet blijven, bijvoorbeeld omdat de aansprakelijke persoon geen enkele invloed op die omstandigheid had en de benadeelde wel. Hoewel daar een element van verwijtbaarheid in kan zitten (als de benadeelde anders had kunnen en moeten handelen), hoeft dat niet.

Bij bewuste roekeloosheid (artikel 7:658 lid 2 BW) draait het om verwijtbaarheid en bewustzijn. Van bewuste roekeloosheid is pas sprake als de werknemer zich, tijdens het verrichten van zijn onmiddellijk aan het ongeval voorafgaande gedraging, van het roekeloos karakter van die gedraging daadwerkelijk bewust is geweest. Uit de omschrijving in het proces-verbaal van het ongeval kan worden opgemaakt dat [verzoeker] zich als fietser onvoorzichtig heeft gedragen door via de groenstrook de weg over te steken. Daaruit blijkt echter niet dat hij zich onmiddellijk voorafgaand aan het ongeval daadwerkelijk bewust is geweest van het roekeloos karakter van zijn gedraging. Mede door het ontbreken van een rapport van de Arbeidsinspectie kan de exacte toedracht van het ongeval niet meer worden vastgesteld. Om deze redenen kan nu niet meer met voldoende zekerheid worden vastgesteld dat het ongeval is ontstaan als gevolg van het mogelijk bewust roekeloze verkeersgedrag van [verzoeker] . Op grond van wat nu bekend is van het ongeval moet het ervoor worden gehouden dat [verzoeker] in een ‘split second’ heeft beslist om via de groenstrook de weg over te steken, waar hij achteraf spijt van had en heeft.

De slotsom is dat [verweerster sub 1] niet aan haar zorgplicht heeft voldaan en dat niet is komen vast te staan dat het ongeval is veroorzaakt door opzet of bewuste roekeloosheid aan de zijde van [verzoeker] . Dit betekent dat [verweerster sub 1] op grond van artikel 7:658 BW aansprakelijk is voor de gevolgen van het ongeval dat [verzoeker] als maaltijdbezorger van [verweerster sub 1] is overkomen. Omdat de primaire grondslag slaagt, kan de subsidiaire grondslag van artikel 7:611 BW onbesproken blijven.

Het verzoek om een voorschot is niet toewijsbaar

[verzoeker] heeft zijn materiële schade begroot op € 31.292,48 waarvan Achmea € 7.500,00 heeft bevoorschot zodat € 23.792,48 resteert. Hij heeft voor zijn materiële kosten een schadeoverzicht in het geding gebracht en daarin bedragen opgenomen voor onder meer verlies aan verdienvermogen, studievertraging, huishoudelijke hulp en mantelzorg. Met verwijzing naar de Rotterdamse Schaal (Ordening smartengeld bij lichamelijk letsel en andere persoonsaantastingen) heeft zijn immateriële schade begroot op € 41.500,00. In totaal heeft hij zijn schade begroot op € 77.292,48 waarvan Achmea bereid is 50 procent te vergoeden, zodat de andere helft volgens [verzoeker] voor verweerders komt, te weten een bedrag van € 38.646,24 en dat is het bedrag dat hij in dit deelgeschil vraagt om als voorschot te voldoen.

Bij de beoordeling van de vraag of [verweerster sub 1] een voorschot op de schadevergoeding moet betalen is van belang dat de aard van deze procedure maakt dat de deelgeschilrechter zoveel mogelijk uitdrukkelijk en zonder voorbehoud oordeelt. Dit betekent dat op basis van de stukken die nu in het dossier zitten, vastgesteld moet kunnen worden dat [verzoeker] een aanspraak op schadevergoeding heeft. Voor bewijslevering is in een deelgeschilprocedure is geen plaats. Dat kan anders zijn als het gaat om een overzichtelijke, eenvoudige bewijskwestie maar dat is hier niet het geval.

Tegenover het uitgebreide en gemotiveerde verweer tegen de gestelde schadeposten heeft [verzoeker] nagelaten zijn schadeposten te onderbouwen. Daarnaast heeft hij op geen enkele manier inzichtelijk gemaakt welke bedragen Achmea heeft vergoed of wil vergoeden. Dat had wel op zijn weg gelegen. Zijn verzoek om een voorschot is daarom niet toewijsbaar. Gelet op zijn begroting lijkt hij in dit deelgeschil ook eerder om een volledige schadevergoeding te vragen dan om een voorschot. Deze discussie leent zich voor verdere bespreking in de onderhandelingen tussen partijen.

De kosten van het deelgeschil

De kantonrechter moet op grond van artikel 1019aa lid 1 Rv de kosten van de deelgeschilprocedure begroten. Dat geldt ook als een verzoek in deelgeschil (deels) wordt afgewezen. Alleen als de deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld, hoeven de kosten van de procedure niet te worden begroot. Van deze laatste situatie is in dit geval geen sprake. Bij de begroting van de kosten moeten de redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW in aanmerking worden genomen. Daarbij geldt de dubbele redelijkheidstoets; zowel het inroepen van de rechtsbijstand als de daarvoor gemaakte kosten moeten redelijk zijn.

De standpunten van partijen

De kosten voor dit deelgeschil bedragen volgens [verzoeker] € 7.125,00 exclusief btw (berekend met 25 uur x € 285,00), te vermeerderen met het griffierecht en de kosten van het deurwaardersexploot.

Verweerders wijzen erop dat aan [verzoeker] een toevoeging is verleend en dat de rechtsbijstandskosten in beginsel door de staat worden gedragen zodat niet duidelijk is waarom hij aanspraak maakt op betaling door verweerders van de kosten van het deelgeschil. Het aantal uren en uurtarief van 25 x € 285,00 exclusief btw vinden zij buitenproportioneel. Bij de mondelinge behandeling hebben verweerders toegelicht dat de advocaat van [verzoeker] is aangesloten bij de ASP (de vereniging van Advocaten voor Slachtoffers van Personenschade) en dat de ASP voor zaken met een financieel belang tussen € 25.000,00 en € 100.000,00 een tarief van € 232,80 exclusief btw adviseert. Ook het aantal uren staat volgens verweerders niet in verhouding tot de aard, omvang en complexiteit van de procedure. Maximaal 10 uur met een uurtarief van € 232,80 exclusief btw is volgens verweerders een juiste maatstaf voor berekening van de kosten.

In reactie hierop heeft de advocaat van [verzoeker] bij de mondelinge behandeling toegelicht dat hij naast ASP-advocaat (dus) ook LSA-advocaat is (de vereniging van Letselschade Advocaten) en al 26 jaar werkzaam is in het letselschaderecht. Het door verweerders genoemde uurtarief van de ASP van € 232,80 komt hem niet juist voor.

[verweerster sub 1] moet € 4.590,00 aan deelgeschilkosten betalen

De omstandigheid dat aan een verzoeker een toevoeging is verleend, maakt niet dat een begroting van de 1019aa-kosten achterwege dient te blijven.

De zaak is niet bijzonder complex. Hierbij is mede in aanmerking genomen dat deze deelgeschilprocedure zich niet leent voor de beoordeling van de vraag of een of meer bestuurders aansprakelijk zijn. Het is een deelgeschil van gemiddelde/bovengemiddelde zwaarte maar het rechtvaardigt niet het aantal bestede uren en het uurtarief die de advocaat van [verzoeker] in rekening wil brengen. De kantonrechter zal de kosten daarom matigen. In een zaak als deze, met een advocaat met ruime ervaring op het gebied van letselschade, acht de rechtbank een uurtarief van € 270,00 exclusief btw met een aantal uren van 17 passend. De totale deelgeschilkosten komen daarmee neer op € 4.590,00 exclusief btw. Daar moet het griffierecht van € 93,00 dat [verzoeker] aan de rechtbank heeft moeten betalen en de kosten van de deurwaarder van € 95,00 nog bij opgeteld worden. [verweerster sub 1] zal tot betaling daarvan aan [verzoeker] worden veroordeeld.

De verzochte veroordeling in de nakosten is niet toewijsbaar. Voor een begroting en veroordeling tot betaling van die kosten is geen plaats in een deelgeschilprocedure. De rechter moet bij het begroten van de kosten in een deelgeschilprocedure alle redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW in aanmerking nemen. Nakosten zijn geen vermogensschade in de zin van dat artikel. De wettelijke grondslag voor vergoeding van deze kosten vormt immers artikel 237 lid 4 Rv. Daarnaast is artikel 289 Rv betreffende de proceskostenveroordeling in de verzoekschriftprocedure, en daarmee de schakelbepaling naar artikel 237 Rv, niet van toepassing gelet op het karakter van de deelgeschilprocedure.

5. De beslissing

De kantonrechter

verklaart [verzoeker] niet-ontvankelijk in zijn verzoeken gegrond op bestuurdersaansprakelijkheid,

verklaart voor recht dat [verweerster sub 1] aansprakelijk is voor de door [verzoeker] geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade als gevolg van het hem op 17 februari 2023 overkomen arbeidsongeval,

begroot de kosten van dit deelgeschil op € 4.590,00 exclusief btw te vermeerderen met het door [verzoeker] betaalde griffierecht van € 93,00 en deurwaarderskosten van € 95,00 en veroordeelt [verweerster sub 1] tot betaling daarvan aan [verzoeker] binnen 14 dagen na de datum van deze beschikking;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.M.P. Drijkoningen en in het openbaar uitgesproken op 6 augustus 2026.

pvt 1299

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand