RECHTBANK Midden-Nederland
Afdeling Toezicht, Bureau Erfrecht
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: C/16/603483 / BE ZA 25-67
Vonnis van 15 juli 2026
in de zaak van
1. [procesdeelneemster 1] ,
wonende in [woonplaats 1] ,
hierna: [procesdeelneemster 1 (voornaam)] ,2. [procesdeelneemster 2],
in hoedanigheid van wettelijke vertegenwoordiger van [A] (hierna: [A (voornaam)] ) en [B] (hierna: [B (voornaam)] ),
wonende in [woonplaats 2] ,
hierna: [procesdeelneemster 2 (voornaam)] ,
eisende partijen in conventie,
verwerende partijen in incident,
verwerende partijen in voorwaardelijke reconventie,
advocaat: mr. I. Lieberwerth, werkzaam in Amersfoort,
tegen
[procesdeelneemster 3] ,
wonende in [woonplaats 3] ,
hierna: [procesdeelneemster 3 (voornaam)] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in incident,
eisende partij in voorwaardelijke reconventie,
advocaat: mr. N.C. Bouman-de Vos, werkzaam in Geldermalsen.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 t/m 11,- de conclusie van antwoord tevens incidentele vordering en voorwaardelijke eis in reconventie met producties 1 t/m 7,
- de conclusie van antwoord in incident tevens verzoek tot rectificatie met producties 12 t/m 20,
- de reactie op het verzoek tot rectificatie.
Daarna is bepaald dat uitspraak zal worden gedaan in het incident.
2. Waar de zaak over gaat
[procesdeelneemster 1 (voornaam)] en [procesdeelneemster 3 (voornaam)] zijn halfzussen. Hun moeder is op [overlijdensdatum] 2024 overleden.
[procesdeelneemster 1 (voornaam)] en [procesdeelneemster 3 (voornaam)] zijn haar erfgenamen samen met [A (voornaam)] en [B (voornaam)] , de dochters van de in 2020 overleden (half)broer van [procesdeelneemster 1 (voornaam)] en [procesdeelneemster 3 (voornaam)] . De erfgenamen hebben de nalatenschap zuiver aanvaard en zijn tot verdeling overgegaan. [procesdeelneemster 2 (voornaam)] is de moeder van [A (voornaam)] en [B (voornaam)] .
[procesdeelneemster 3 (voornaam)] heeft moeder vanaf juli 2023 geholpen bij haar financiën. Volgens [procesdeelneemster 1 (voornaam)] en [procesdeelneemster 2 (voornaam)] is hen na de verdeling gebleken dat [procesdeelneemster 3 (voornaam)] onrechtmatig gelden heeft onttrokken aan het vermogen van moeder en dat er schenkingen aan [procesdeelneemster 3 (voornaam)] gedaan, die door misbruik van omstandigheden tot stand zijn gekomen. Zij vorderen in deze procedure, samengevat, dat de rechtbank voor recht verklaart dat de in de dagvaarding genoemde schenkingen nietig zijn, [procesdeelneemster 3 (voornaam)] veroordeelt om in totaal € 28.480,49 aan de nalatenschap te voldoen door aan [procesdeelneemster 1 (voornaam)] € 14.240,25 te betalen en aan [A (voornaam)] en [B (voornaam)] ieder € 7.120,12, te vermeerderen met de wettelijke rente, en voor recht verklaart dat [procesdeelneemster 3 (voornaam)] haar aandeel ter zake heeft verbeurd.
[procesdeelneemster 3 (voornaam)] voert hiertegen verweer. Zij heeft onder meer aangevoerd dat aan [procesdeelneemster 2 (voornaam)] geen vertegenwoordigingsbevoegdheid toekomt, omdat [A (voornaam)] en [B (voornaam)] meerderjarig zijn en een andere wettelijke grond daarvoor ontbreekt. Dit ontvankelijkheidsverweer is volgens [procesdeelneemster 1 (voornaam)] en [procesdeelneemster 2 (voornaam)] terecht. Zij verzoeken de rechtbank daarom de partij-aanduiding van [procesdeelneemster 2 (voornaam)] te rectificeren, zodat [A (voornaam)] en [B (voornaam)] zelf partij worden naast [procesdeelneemster 1 (voornaam)] . [procesdeelneemster 3 (voornaam)] heeft daartegen bezwaar gemaakt.
[procesdeelneemster 3 (voornaam)] vordert in incident dat de rechtbank [procesdeelneemster 1 (voornaam)] veroordeelt om bewijsstukken van de waarde en de verkoopopbrengst van de stacaravan van moeder te verstrekken, op straffe van een dwangsom. Zij heeft voorwaardelijke tegenvorderingen ingesteld voor het geval uit die informatie blijkt dat de stacaravan op 1 maart 2024 meer waard was of voor meer is verkocht dan € 15.000,- en vordert dan, kort gezegd, nadere verdeling van het meerdere al dan niet na vernietiging van de verdeling. In reactie daarop heeft [procesdeelneemster 1 (voornaam)] stukken ingebracht met een toelichting daarbij over de waarde van de stacaravan.
De rechtbank zal de vordering in incident afwijzen vanwege gebrek aan belang en de proceskosten in het incident compenseren. In de hoofdzaak zal de rechtbank [procesdeelneemster 2 (voornaam)] niet-ontvankelijk verklaren in haar vorderingen en [procesdeelneemster 1 (voornaam)] in de gelegenheid stellen om [A (voornaam)] en [B (voornaam)] bij de procedure te betrekken door oproeping op de voet van artikel 118 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden. Hierna zal de rechtbank deze beslissingen toelichten.
3. De overwegingen
in het incident
Geen belang meer bij het gevorderde
[procesdeelneemster 3 (voornaam)] vordert in het incident dat [procesdeelneemster 1 (voornaam)] wordt veroordeeld om bewijs te verstrekken van de waarde van de stacaravan per 1 maart 2024 en van de verkoopopbrengst van de stacaravan, op straffe van een dwangsom, met veroordeling van [procesdeelneemster 1 (voornaam)] in de proceskosten. De stacaravan van moeder, die na aankoop op het erf van de woning van [procesdeelneemster 1 (voornaam)] is geplaatst, is voor een waarde van € 15.000,- in de verdeling betrokken. [procesdeelneemster 1 (voornaam)] betwijfelt of die door [procesdeelneemster 1 (voornaam)] opgegeven waarde niet te laag is geweest, omdat de stacaravan in 2023 voor € 30.000,- is gekocht en zij geen bewijs heeft gezien van de aankoop- en verkoopprijs. Volgens [procesdeelneemster 1 (voornaam)] zal er, als de waarde hoger blijkt te zijn, nog een nadere verdeling moeten plaatsvinden al dan niet na vernietiging van de verdeling vanwege benadeling als gevolg van dwaling over de waarde van de stacaravan.
[procesdeelneemster 1 (voornaam)] heeft bij de conclusie van antwoord in incident een bewijsstuk van de koopovereenkomst ingebracht en toegelicht dat de stacaravan € 25.000,- kostte en de aanleg van elektra, riolering en water € 5.666,56. Een bewijsstuk van de verkoopopbrengst is er niet, omdat de stacaravan niet apart is verkocht, maar bij de verkoop van de woning van [procesdeelneemster 1 (voornaam)] in maart 2024 is betrokken. [procesdeelneemster 1 (voornaam)] heeft toegelicht hoe zij tot de door haar opgegeven waarde van € 15.000,- is gekomen. Daarbij heeft zij een WhatsApp-bericht van de huidige eigenaar van het bedrijf waar de stacaravan is gekocht overgelegd en een e-mail van de betrokken makelaar, waarin zij zich hebben uitgelaten over de waarde. Meer bewijsstukken zijn er volgens haar niet.
Nu [procesdeelneemster 1 (voornaam)] de informatie waarover zij naar haar zeggen kan beschikken al heeft verstrekt, bestaat er geen belang meer bij veroordeling van [procesdeelneemster 1 (voornaam)] tot het overleggen van bewijsstukken ter zake. De rechtbank zal de vordering in incident daarom afwijzen.
De rechtbank ziet aanleiding om de proceskosten in het incident tussen partijen te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
in de hoofdzaak
Rectificatie kan in dit geval niet
Het staat vast dat [A (voornaam)] en [B (voornaam)] meerderjarig zijn en zelf als partij in een procedure kunnen en dus ook moeten optreden. [procesdeelneemster 2 (voornaam)] kon daarom niet in hoedanigheid van wettelijke vertegenwoordiger als formele procespartij namens hen deze vorderingen instellen tegen [procesdeelneemster 3 (voornaam)] . Dat is volgens [procesdeelneemster 1 (voornaam)] en [procesdeelneemster 2 (voornaam)] bij vergissing gebeurd. Die gemaakte fout kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden hersteld door de partij-aanduiding van [procesdeelneemster 2 (voornaam)] als eisende partij te wijzigen in die van [A (voornaam)] en [B (voornaam)] , zoals is verzocht. De reden daarvoor is dat niet duidelijk is gebleken dat [A (voornaam)] en [B (voornaam)] van deze procedure op de hoogte zijn en zelf ook deze vorderingen willen instellen tegen [procesdeelneemster 3 (voornaam)] . Dit betekent dat de rechtbank [procesdeelneemster 2 (voornaam)] niet-ontvankelijk zal moeten verklaren en dat [procesdeelneemster 1 (voornaam)] als eisende partij overblijft.
Mogelijkheid om ontbrekende deelgenoten in de procedure te betrekken
Het geschil gaat over de omvang van de gemeenschap van nalatenschap, de verdeling daarvan en mogelijke verbeurte van het aandeel van [procesdeelneemster 3 (voornaam)] in goederen van die gemeenschap. Dit raakt ook de belangen van [A (voornaam)] en [B (voornaam)] als mede-deelgenoten. De rechtbank kan alleen beslissen op de voorliggende vorderingen als alle deelgenoten partij zijn in de procedure, zodat de beslissing hen allemaal bindt. Daarom zal de rechtbank [procesdeelneemster 1 (voornaam)] gelegenheid geven om [A (voornaam)] en [B (voornaam)] in de procedure te betrekken door oproeping op de voet van artikel 118 Rv en de zaak daarvoor naar de rol verwijzen.
Als [A (voornaam)] en [B (voornaam)] in de procedure verschijnen, zullen zij een conclusie mogen nemen met daarin hun reactie op de vorderingen van [procesdeelneemster 1 (voornaam)] en van [procesdeelneemster 3 (voornaam)] . Zij kunnen ervoor kiezen om bij dezelfde advocaat te verschijnen als [procesdeelneemster 1 (voornaam)] en zich aan te sluiten bij de inhoud van de dagvaarding van [procesdeelneemster 1 (voornaam)] , maar zij kunnen ook een andere keuze maken. Omdat [procesdeelneemster 1 (voornaam)] in randnummer 17 van de conclusie van antwoord in incident tevens houdende verzoek tot rectificatie feitelijk al heeft gereageerd op de voorwaardelijke eis in reconventie, zal de zaak niet naar de rol worden verwezen voor een conclusie van antwoord in reconventie. In afwachting van de oproeping van [A (voornaam)] en [B (voornaam)] en hun eventuele conclusie zal de rechtbank iedere verdere beslissing aanhouden.
4. De beslissing
De rechtbank
in het incident
wijst de vordering af,
compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
in de hoofdzaak
verklaart [procesdeelneemster 2 (voornaam)] niet-ontvankelijk in de door haar ingestelde vorderingen,
stelt [procesdeelneemster 1 (voornaam)] in de gelegenheid om [A (voornaam)] en [B (voornaam)] op de voet van artikel 118 Rv, dus met inachtneming van de voor de dagvaarding geldende termijnen, op te roepen tegen de rolzitting van 26 augustus 2026,
bepaalt dat bij deze oproepingen afschriften van alle ingediende processtukken en een kopie van dit vonnis moeten worden meebetekend,
verwijst de zaak naar de rol van 26 augustus 2026 voor het overleggen door [procesdeelneemster 1 (voornaam)] van een kopie van de oproepingen,
bepaalt dat [A (voornaam)] en [B (voornaam)] , voor zover zij op de rolzitting van 26 augustus 2026 bij advocaat verschijnen, op de rolzitting van 7 oktober 2026 een conclusie mogen nemen met daarin hun reactie op de vorderingen van [procesdeelneemster 1 (voornaam)] en van [procesdeelneemster 3 (voornaam)] ,
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.F. Hermans en in het openbaar uitgesproken op
15 juli 2026.