RECHTBANK Midden-Nederland
Afdeling Toezicht, Bureau Erfrecht
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: C/16/583844 / BE ZA 24-70
Vonnis van 22 juli 2026
in de zaak van
1. [eiseres] ,
wonende te [plaats 1] ,2. [eiser],
wonende te [plaats 2] ,
eisende partijen in conventie,
verweerders in reconventie,
hierna: [eisers] ,
advocaat: mr. H.M. van Eerten,
tegen
1. [gedaagde 1] ,
wonende te [plaats 2] ,
gedaagde partij in conventie,2. [gedaagde 2],
wonende te [plaats 2] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna: [gedaagden] ,
advocaten: mr. N.C. Bouman-de Vos en mr. C van der Mark.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 1 november 2024 met producties 1 tot en met 7;
- de conclusie van antwoord in conventie, tevens conclusie van eis in reconventie en tevens overlegging producties in conventie en in reconventie met producties 1 tot en met 9;
- de conclusie van antwoord in reconventie tevens houdende akte uitlating producties in conventie tevens houdende akte wijziging eis in conventie tevens houdende verzoeken ex art. 22 Rv, met producties 8 tot en met 13;
- de conclusie uitlating in conventie en in reconventie van [gedaagden] , tevens overlegging productie in conventie en in reconventie, met productie 10;
- de schriftelijke reactie tevens houdende akte overlegging productie, akte wijziging eis van [eisers] , waarop de rechtbank in een e-mail van 17 november 2025 aan partijen heeft laten weten dat deze schriftelijke reactie – met uitzondering van de daarin opgenomen eiswijziging – buiten beschouwing wordt gelaten;
- de akte overlegging producties tevens uitlating (over de eiswijziging) in conventie en in reconventie met producties 9 tot en met 11 van [gedaagden] .
De mondelinge behandeling (zitting) heeft plaatsgevonden op 19 november 2025. De griffier heeft daarvan aantekeningen gemaakt. Tijdens deze zitting spraken partijen af om onder begeleiding van een mediator naar een oplossing te zoeken voor hun geschil. Die afspraak is vastgelegd in een verkort proces-verbaal van de zitting. De zaak is in verband met het mediation-traject meerdere keren aangehouden. Op 6 mei 2026 ontving de rechtbank het verzoek van partijen om alsnog uitspraak te doen, omdat zij er niet in zijn geslaagd het tussen hen bestaande geschil op te lossen.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De kern van de zaak
Deze zaak gaat over de afwikkeling van de nalatenschap van de vader en echtgenoot van partijen. [eisers] zijn broer en zus van elkaar en samen met moeder erfgenamen van hun vader. Hun broer [gedaagde 2] is onterfd. [eisers] hebben een aanvullend beroep gedaan op hun legitieme portie. Dat doen zij omdat op die manier rekening kan worden gehouden met een gift die vader volgens hen aan [gedaagde 2] heeft gedaan. Vader dreef samen met [gedaagde 2] een melkveehouderij en [gedaagde 2] heeft zijn aandeel in dit bedrijf op een gegeven moment overgenomen. Bij deze overname kwam vader met [gedaagde 2] een voorkeursrecht tot (terug)koop van de boerderij en grond overeen. Doordat vader later afstand heeft gedaan van dit voorkeursrecht, kon [gedaagde 2] volgens [eisers] percelen grond voor veel geld aan projectontwikkelaars verkopen.
[eisers] vorderen dat voor recht wordt verklaard dat [gedaagde 2] door deze afstand van het voorkeursrecht een gift heeft ontvangen van € 2.656.000 en dat deze gift in de berekening van hun legitieme portie moet worden betrokken. Omdat de legitieme porties niet uit de nalatenschap kunnen worden voldaan, willen [eisers] dat [gedaagde 2] en moeder het tekort aan hen voldoen. Zij vorderen daarom veroordeling van zowel moeder als [gedaagde 2] tot betaling van deze zogeheten inkortingsvordering. Moeder omdat zij op grond van de wettelijke verdeling (die vader in zijn testament van toepassing heeft verklaard) alle goederen van de nalatenschap heeft verkregen en een legitimaris dan een vordering heeft op de echtgenoot. En [gedaagde 2] omdat een legitimaris ook een vordering heeft op de begiftigde.
Gedaagden betwisten dat [gedaagde 2] een gift heeft ontvangen doordat vader afstand heeft gedaan van het voorkeursrecht. Zij wijzen er onder andere op dat niet [gedaagde 2] zelf de grond heeft verkocht, maar zijn vennootschap, en dat dit bovendien is gebeurd nadat de termijn waarbinnen het voorkeursrecht kon worden uitgeoefend was verstreken. [gedaagde 2] heeft zelf ook vorderingen ingesteld. Volgens hem heeft vader wel andere giften gedaan die moeten worden meegeteld bij de berekening van zijn legitieme portie, waarop ook hij als onterfd kind een beroep doet. Hij vordert dat zijn legitieme portie wordt vastgesteld. Daarnaast heeft [gedaagde 2] de uitvaartkosten betaald en volgens hem een te hoog bedrag afgelost op een lening van vader. Hij meent dat hij daarom een vordering heeft op de nalatenschap en vordert in dat verband een verklaring voor recht. Tot slot vordert [gedaagde 2] terugbetaling van [eisers] van bedragen die hij volgens hem onverschuldigd aan hen heeft betaald.
De rechtbank oordeelt dat [gedaagde 2] geen gift heeft ontvangen doordat vader afstand heeft gedaan van het voorkeursrecht. Alle vorderingen van [eisers] zullen daarom worden afgewezen. De legitieme vordering van [gedaagde 2] zal worden vastgesteld en bij de berekening daarvan zullen een aantal giften die [eisers] hebben ontvangen worden betrokken. Ook stelt de rechtbank vast dat de maatschap van [gedaagde 2] en zijn echtgenote de uitvaartkosten hebben betaald en dat [gedaagde 2] daarom een vordering heeft op de nalatenschap. De overige vorderingen van [gedaagde 2] zullen worden afgewezen.
Hierna zal worden uitgelegd hoe de rechtbank tot deze beslissingen is gekomen, maar voor de volledigheid zullen eerst (in 3.) de feiten worden weergegeven en zal (in 4.) worden vermeld wat partijen over en weer precies hebben gevorderd.
3. De feiten
Vader, [erflater] , is op [datum overlijden] 2022 in [plaats 2] overleden. Vader was tot zijn overlijden in gemeenschap van goederen gehuwd met moeder. Zoals uit het voorgaande al bleek, zijn [eiseres] , [eiser] en [gedaagde 2] hun kinderen.
Vader heeft met zijn testament van 17 februari 2020 over zijn nalatenschap beschikt. Daarin heeft hij moeder, [eisers] samen en voor gelijke delen tot erfgenamen benoemd. Zij hebben de nalatenschap zuiver aanvaard. Zoals vermeld, heeft vader zijn andere zoon, [gedaagde 2] , uitgesloten als erfgenaam.
Vader en [gedaagde 2] dreven lange tijd in maatschapsverband een melkveehouderij. Op 22 december 2014 hebben zij een overeenkomst tot bedrijfsoverdracht gesloten waarin afspraken zijn vastgelegd over de voortzetting van de onderneming als eenmanszaak door [gedaagde 2] per 1 januari 2015. In het kader van deze bedrijfsoverdracht heeft vader de (volle) eigendom van een boerderij met erf, tuin en grasland in [plaats 2] en nog twee nabij gelegen percelen grasland aan [gedaagde 2] overgedragen. Daarnaast heeft vader zijn aandeel in de (onverdeelde) eigendom van nog drie andere percelen grasland (in [plaats 3] en [plaats 1] ) aan [gedaagde 2] overgedragen. Deze percelen zullen hierna samen “de grond” worden genoemd. [gedaagde 2] heeft daarvoor een overnamesom van € 625.000 aan vader betaald.
De notariële akte van levering van 31 december 2015 vermeldt voor zover van belang:
“Voorkeursrecht tot koop Artikel 61. Indien zoon wenst over te gaan tot vervreemding van de door hem op grond van deze akte verkregen registergoederen of een deel daarvan is hij verplicht het betreffende object eerst te koop aan te bieden aan zijn vader of aan zijn moeder, hierna te noemen: “voorkeursgerechtigden”. […] Het voorkeursrecht tot koop geldt voor de duur van vijf jaar, te rekenen vanaf vandaag.
(…)
3. Als vervreemding geldt niet:
(…)
c. de inbreng door zoon in een maatschap of vennootschap aangegaan met zijn echtgenote en/of een of meer van zijn kinderen, noch de inbreng in een maatschap waarin zoon de overheersende zeggenschap heeft en zolang als hij deze behoudt;
(…)
4. Bij vervreemding door zoon van de registergoederen aan zijn echtgenote en/of kinderen moet deze aanbiedingsplicht aan deze nieuwe verkrijgers worden opgelegd. De nieuwe verkrijgers zijn verplicht zich alsdan te verbinden tot nakoming van de aanbiedingsplicht en zijn verplicht zich te verbinden om de aanbiedingsplicht zoals in dit artikel is omschreven eveneens aan hun rechtsopvolgers op te leggen; (…)”
Vader en moeder hebben op 10 januari 2019 een schriftelijke overeenkomst met [gedaagde 2] gesloten, waarin zij afstand hebben gedaan van het voorkeursrecht tot (terug)koop van de grond.
Op 1 januari 2020 heeft [gedaagde 2] de onderneming voortgezet met zijn echtgenote, [naam 1] , en wel in maatschapsverband (maatschap [naam 2] ). Uit de maatschapsovereenkomst volgt dat [gedaagde 2] onder meer de economische eigendom van de grond heeft ingebracht.
Op 16 april 2021 heeft de maatschap [naam 2] in een akte van economische eigendomsoverdracht de grond verkocht en geleverd aan [gedaagde 2] B.V. [gedaagde 2] is de bestuurder van deze vennootschap.
Uit een notariële akte van levering van 4 februari 2022 volgt dat [gedaagde 2] - mede handelend in zijn hoedanigheid van maat en van bestuurder van zijn vennootschap - een deel van de grond (namelijk de percelen gelegen in [plaats 2] , zie 3.3) heeft verkocht en in eigendom heeft overgedragen aan vier projectontwikkelaars voor een koopsom van € 5.784.017,50.
Op 8 maart 2023 is aangifte erfbelasting gedaan. Uit de aangifte volgt dat het saldo van de nalatenschap van erflater € 309.342 bedraagt. Daartoe is een ieder van de erfgenamen voor 1/3e deel gerechtigd, wat neerkomt op een bedrag van € 103.103 per erfgenaam.
4. Het geschil
In conventie
[eisers] vorderen – na wijziging van eis – dat de rechtbank bij een uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
I. voor recht verklaart dat 1) [gedaagde 2] is begiftigd met de verkrijging van de grond door middel van de leveringsakte van 31 december 2015 in samenhang met de overeenkomst van 10 januari 2019 waarbij vader en moeder afstand hebben gedaan van hun voorkeursrecht tot (terug)koop en dat 2) de waarde van deze gift voor de helft, te weten € 2.656.066,65, moet worden betrokken in de legitimaire massa van de nalatenschap van erflater;
II. moeder veroordeelt tot betaling van een inkortingsvordering aan elk van eisers ter hoogte van € 54.654,50 nadat deze opeisbaar zal zijn geworden en de wettelijke rente daarover;
III. [gedaagde 2] veroordeelt tot betaling van een inkortingsvordering aan elk van eisers ter hoogte van € 212.918,58 nadat deze opeisbaar zal zijn geworden en de wettelijke rente daarover.
[gedaagden] voeren verweer. Zij menen dat de vorderingen moeten worden afgewezen, met veroordeling van [eisers] in de proceskosten.
In reconventie
[gedaagde 2] heeft een vordering in reconventie (tegenvordering) ingesteld. Hij vordert dat de rechtbank bij een uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
I. zijn legitieme portie vaststelt op € 80.843,06 voor aftrek van “eigen giften”, dan wel op € 56.787,06 na aftrek van deze giften;
II. voor recht verklaart dat hij een vordering heeft op de nalatenschap van
€ 13.016,53 voor betaalde uitvaartkosten en van € 25.000 voor een te veel (onverschuldigd) betaald bedrag aan aflossing op een lening van erflater;
III. [eisers] ieder veroordeelt om aan hem een bedrag van € 100.000 terug te betalen vanwege onverschuldigde betaling;
IV. [eisers] hoofdelijk veroordeelt tot betaling van de proces- en nakosten en de wettelijke rente daarover.
[eisers] voeren op hun beurt hiertegen verweer. De vorderingen moet volgens hen worden afgewezen, met veroordeling van [gedaagde 2] in de proceskosten.
5. De beoordeling
In conventie
Heeft [gedaagde 2] wat betreft de grond een gift ontvangen?
Zoals vermeld, menen [eisers] dat [gedaagde 2] een gift heeft ontvangen doordat vader en moeder in 2019 afstand hebben gedaan van het voorkeursrecht. Door dit te doen, hebben zij [gedaagde 2] willen bevoordelen want daardoor kon hij de grond aan derden verkopen. Vanaf (ten minste) 2019 werd [gedaagde 2] namelijk benaderd door projectontwikkelaars die een deel van de grond wilden kopen om daarop woningbouw te realiseren. Volgens [eisers] ‘warmden de gronden op’ omdat destijds verwacht werd dat de gemeente [plaats 2] binnen afzienbare tijd de bestemming van percelen landbouwgrond in [plaats 2] zou wijzigen, zodat daar woningen konden worden gebouwd. De grond had in 2019 daarom al een niet-agrarische meerwaarde. Doordat het voorkeursrecht niet meer gold, stond het [gedaagde 2] vrij om de grond te verkopen. Dit heeft hij uiteindelijk ook gedaan en deze verkoop heeft hem (naast nog wat andere voordelen)
€ 5.784.017,50 opgeleverd. Vader was zich van de bevoordeling bewust en heeft dit willen compenseren. Dat blijkt wel uit het feit dat hij [gedaagde 2] in zijn testament heeft onterfd.
Hierin kunnen [eisers] niet worden gevolgd. Wat de precieze bedoeling van ouders was, kan in het midden blijven. [gedaagden] hebben er namelijk terecht op gewezen dat de verkoop niet mogelijk is gemaakt doordat vader en moeder in januari 2019 afstand hebben gedaan van het voorkeursrecht. Zoals vermeld, heeft [gedaagde 2] de melkveehouderij op 1 januari 2020 in maatschapsverband met zijn echtgenote voortgezet en heeft hij toen het economische eigendom van de grond in de maatschap ingebracht. De notariële akte van levering van 31 december 2015 bepaalt dat inbreng in een maatschap met zijn echtgenote niet geldt als vervreemding (zie 3.4). Dus ook als vader en moeder in januari 2019 geen afstand zouden hebben gedaan van het voorkeursrecht tot koop, had [gedaagde 2] de grond in de maatschap kunnen inbrengen zonder deze eerst aan vader en moeder te koop aan te bieden. Op grond van de akte van levering hoefde er geen aanbiedingsplicht aan de maatschap te worden opgelegd, iets wat wel had gemoeten als [gedaagde 2] de grond aan zijn echtgenote of kinderen had overgedragen (zie ook 3.4). De maatschap heeft de grond vervolgens in april 2021 ingebracht in de vennootschap van [gedaagde 2] en die vennootschap heeft het deel van de grond dat in [plaats 2] ligt uiteindelijk in februari 2022 verkocht en geleverd aan de projectontwikkelaars. Dit laatste is dus gebeurd (lang) nadat de termijn die voor het voorkeursrecht gold (vijf jaar, gerekend vanaf 31 december 2015) was verstreken.
De redenering van [eisers] gaat om twee redenen dus mank. De eerste overdracht (aan de maatschap) vond weliswaar voor 31 december 2020 plaats, maar daarbij ging het om een overdracht waarvoor het voorkeursrecht niet gold. Het stond [gedaagde 2] vrij om binnen de maatschap vervolgens met de grond te doen wat hij wilde. Hij kon de grond dus inbrengen in een vennootschap en daarna (deels) verkopen en leveren aan een derde, zoals hij heeft gedaan. Deze laatste verkoop en levering heeft bovendien plaatsgevonden ver nadat de termijn van vijf jaar was verstreken. Dat dit zo is gegaan, is niet veroorzaakt doordat de ouders afstand van het voorkeursrecht hebben gedaan. Het was op grond van de overeenkomst zélf al mogelijk. Dat deze overeenkomst met deze bepalingen op zichzelf (al) een gift inhield, hebben [eisers] niet (althans zeker niet concreet genoeg) gesteld.
Zij hebben er wel, zij het heel kort, op gewezen dat het feit dat ouders geen meerwaardeclausule in de overeenkomst hebben opgenomen, (ook) een gift inhoudt. Volgens hen is het gebruikelijk dat dit soort overeenkomsten (waarbij een kapitaalintensief landbouwbedrijf wordt overgedragen) een meerwaardeclausule bevat met een minimale looptijd van tien jaren. Nog los van de vraag of het bij bedrijfsovername in de agrarische sector gebruikelijk is om een meerwaardeclausule te bedingen, is het echter van belang of vader en moeder van een meerwaardeclausule hebben afgezien uit vrijgevigheid. Met andere woorden: of zij bij de bedrijfsovername door [gedaagde 2] in de positie verkeerden om een meerwaardeclausule te bedingen. [gedaagde 2] en moeder betwisten dat dit het geval was en [eisers] hebben dit verder niet onderbouwd. De stelling dat de onderneming destijds al schuldenvrij was en de vermogenspositie van vader en moeder riant was, is daarvoor in ieder geval onvoldoende.
Omdat [gedaagde 2] niet is begiftigd doordat de ouders afstand hebben gedaan van het voorkeursrecht (en ook niet doordat de overeenkomst geen meerwaardeclausule bevatte), zullen de vorderingen van [eisers] worden afgewezen. Al deze vorderingen zijn namelijk gegrond op de stelling dat dit wel zo was.
In reconventie
Vader (en moeder) hebben geld geschonken
[gedaagde 2] stelt dat vader en moeder giften aan de kinderen en kleinkinderen hebben gedaan die bij de berekening van de legitimaire massa en vaststelling van de legitieme porties moeten worden betrokken. [gedaagde 2] verwijst daarvoor naar een overzicht van de boekhouder dat hij als productie 9 in het geding heeft gebracht. Volgens [gedaagde 2] hebben vader en moeder in totaal € 699.504 geschonken en is de helft daarvan (€ 349.752) toe te rekenen aan vader. Volgens de berekening van [gedaagde 2] bedraagt zijn legitieme portie daarmee € 80.843,06 en zijn legitimaire vordering € 56.787,06, na aftrek van een gift die hij van vader heeft ontvangen en vermeerdering van een gift die hij aan vader heeft gedaan. Hierna zal eerst worden besproken welke giften vader aan [eiser] heeft gedaan. Daarna komen de giften aan [eiseres] en [gedaagde 2] zelf aan de orde.
Giften aan [eiser]
[eiser] erkent dat hij twee giften van zijn ouders heeft ontvangen, namelijk een bedrag van € 125.300 bij de aankoop van zijn woning in november 2011 en een bedrag van € 49.700 op grond van een overeenkomst van schenking van 20 december 2014. Uit het schenkingsoverzicht dat [gedaagde 2] heeft overgelegd volgt dat vader en moeder jaarlijks aan ieder van hun kinderen en kleinkinderen giften deden. Met uitzondering van 2009 waarin hij een bedrag van € 4.556 en 2021 waarin hij een bedrag van € 6.500 ontving van zijn ouders, ontving [eiser] jaarlijks van hen een bedrag van € 5.000. De rechtbank beschouwt dit als gebruikelijke en niet-bovenmatige giften. Dat betekent dat € 175.000, waarvan de helft
(€ 87.500) aan vader kan worden toegerekend, moet worden betrokken bij de berekening van de legitimaire massa en dat de andere giften dus buiten beschouwing blijven.
Volgens [gedaagde 2] hebben vader en moeder ook een gift aan [eiser] gedaan doordat zij hem geen huur in rekening hebben gebracht terwijl hij in een woning woonde waarvan zij eigenaar waren. Volgens [gedaagde 2] hebben vader en moeder daarmee aan [eiser] een bedrag van (74 maanden x € 1.500 kale huur per maand =) € 111.000 geschonken.
[eiser] betwist dat de door zijn ouders betaalde huisvestingslasten als een gift moet worden gekwalificeerd. Volgens hem leverde hij daarvoor een tegenprestatie doordat hij tot circa 2013 anderhalve dag tot twee dagen per week zijn ouders hielp met allerlei werkzaamheden op de boerderij. Maar dit heeft [gedaagde 2] weersproken en heeft [eiser] verder niet onderbouwd. Doordat de ouders zijn woonlasten hebben betaald, hebben zij [eiser] begiftigd omdat zij hiermee kennelijk de bedoeling hadden hem te bevoordelen. Tegen de omvang van het genoemde bedrag van € 111.000 heeft [eiser] geen afzonderlijk verweer gevoerd. Dat betekent dat het feit dat vader en moeder de woonlasten van [eiser] van in totaal € 111.000 hebben betaald aangemerkt moet worden als een gift. De helft hiervan ( € 55.000) moet aan vader worden toegerekend en moet bij de berekening van de legitimaire massa in aanmerking worden genomen.
[eiser] voert aan dat als de door vader en moeder voor hem betaalde woonlasten als een gift wordt aangemerkt, hetzelfde moet gelden voor de woonlasten van [gedaagde 2] . In de periode tot aan de eigendomsverkrijging van de boerderij op 31 december 2015 heeft [gedaagde 2] nooit voor zijn eigen huisvesting betaald. Daarnaast heeft hij ook niet bijgedragen in de kosten van de verbouwing van de boerderij in 1998/1999 om deze voor dubbele bewoning geschikt te maken. [gedaagde 2] heeft echter gesteld dat hij in 1999 is toegetreden tot de maatschap met zijn vader en dat dit meebracht dat hij net als vader in de boerderij mocht wonen. De kosten van de verbouwing zijn door de maatschap, en daarmee voor de helft door hem, gedragen. Dit alles hebben [eisers] vervolgens niet weersproken. Daarom kan niet worden vastgesteld dat [gedaagde 2] ter zake van zijn woonlasten een gift heeft ontvangen.
Giften aan [eiseres]
[eiseres] erkent dat zij twee giften van vader en moeder heeft ontvangen, namelijk een bedrag van € 35.000 in 2011 en een bedrag van € 50.000 in 2014, in totaal een bedrag van € 85.000. Uit het schenkingsoverzicht volgt verder dat vader en moeder naast deze grotere bedragen, net zoals zij bij [eiser] deden, [eiseres] ook jaarlijks
€ 5.000 schonken (met uitzondering van een bedrag van € 4.556 in 2009 en een bedrag van € 6.500 in 2021). Zoals vermeld, zijn deze giften gebruikelijk en niet bovenmatig. Dat betekent dat [eiseres] een bedrag van € 85.000 aan giften heeft ontvangen. Omdat de helft hiervan (€ 42.500) kan worden toegerekend aan vader, zal dit bedrag bij de berekening van de legitimaire massa worden betrokken.
Meetellen giften aan [eisers] niet onaanvaardbaar
[eisers] menen dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat de giften die zij hebben ontvangen bij de berekening van de legitieme portie worden betrokken. [gedaagde 2] heeft volgens hen namelijk geen inzicht gegeven in de voorwaarden waaronder hij de grond van vader heeft overgenomen. De rechtbank kan deze redenering niet volgen. Simpel gezegd heeft het ene onderwerp namelijk niets te maken met het andere.
Giften aan [gedaagde 2]
Uit het schenkingsoverzicht van [gedaagde 2] volgt dat vader en moeder in totaal een bedrag van € 66.056 aan hem hebben geschonken. Dit totaalbedrag bestaat uit de giften van € 5.000 die vader en moeder jaarlijks in de periode 2009 – 2021 aan hun kinderen hebben gedaan (met uitzondering van een bedrag van € 4.556 in 2009 en een bedrag van
€ 6.500 in 2021). Zoals hiervoor al is overwogen, zijn deze giften gebruikelijk en niet bovenmatig. Dat betekent dat deze giften voor de berekening van de legitimaire massa en legitieme portie niet meetellen.
[eisers] hebben erop gewezen dat uit de akte van levering van 31 december 2015 blijkt dat vader en [gedaagde 2] op 15 november 2013 een (nieuwe) maatschapsovereenkomst hebben gesloten. [eisers] hebben begrepen dat [gedaagde 2] bij het sluiten van hetzij die nieuwe maatschapsovereenkomst, hetzij de overeenkomst van bedrijfsoverdracht van 2014 (die ook in de akte van levering wordt genoemd), hetzij beide, een deel van de verschuldigde overnamesom geschonken heeft gekregen. Volgens hen moet [gedaagde 2] daarom worden bevolen om beide overeenkomsten in het geding te brengen. Het is opvallend dat [eisers] dit slechts in reconventie hebben aangevoerd, terwijl een dergelijke schenking vooral invloed heeft op de omvang van hun eigen legitieme portie (waar het in conventie over gaat). Maar los hiervan: dat [gedaagde 2] een deel van de overnamesom geschonken heeft gekregen heeft hij betwist en uit de akte van levering van 31 december 2015 blijkt dat ook niet. Daarin staat dat hij de overnamesom aan vader heeft voldaan. Mogelijk bedoelen [eisers] dat deze overnamesom op een te laag bedrag is vastgesteld (iets wat door inzage in de door hen genoemde overeenkomsten misschien zou kunnen worden vastgesteld) en dat dit een gift behelst. Dat hebben zij echter niet gesteld en het debat is daar dus ook niet over gegaan.
Giften aan kleinkinderen
Uit het schenkingsoverzicht volgt dat vader en moeder een totaalbedrag van
€ 81.000 aan kleinkinderen hebben geschonken. Dat totaalbedrag is opgebouwd uit jaarlijkse giften van € 2.000 aan ieder kleinkind, met uitzondering van 2021 waarin ieder kleinkind € 3.000 ontving. Ook deze giften moeten worden aangemerkt als gebruikelijke en niet bovenmatige giften. Dat betekent dat zij niet bij de berekening van de legitimaire massa betrokken zullen worden.
Ongedefinieerde giften
Tot slot is in het schenkingsoverzicht vermeld dat vader en moeder over de jaren 2004 tot en met 2008 een totaalbedrag van € 69.336 aan ongedefinieerde giften hebben gedaan. Het overzicht vermeldt daarbij alleen het totaalbedrag aan giften van het desbetreffende jaar; een verdere specificatie ontbreekt. Volgens [gedaagde 2] heeft de boekhouder dit zo opgesteld. Omdat uit het overzicht niet volgt aan wie welk bedrag is geschonken en [gedaagde 2] dit tijdens de zitting ook niet kon vertellen, kan de rechtbank niet beoordelen of deze giften bij de berekening van de legitieme portie in aanmerking moeten worden genomen. Deze giften worden daarom buiten beschouwing gelaten.
Tussenconclusie: vader heeft een bedrag van € 185.500 geschonken.
Uit het voorgaande volgt dat de giften van vader die bij de berekening van de legitimaire massa moeten worden betrokken in totaal (€ 87.500 + € 55.500 aan [eiser] +
€ 42.500 aan [eiseres] =) € 185.500 bedragen.
Gelet op het bovenstaande kan de legitieme portie van [gedaagde 2] als volgt worden berekend.
€ 309.342,00 testamentaire massa overeenkomstig aangifte erfbelasting
€ 143.000,00 giften aan [eiser]
€ 42.500,00 giften aan [eiseres]
€ 494.842,00 legitimaire massa
€ 61.855,25 legitieme portie (1/2 x ¼)
Schulden van de nalatenschap
[gedaagde 2] stelt dat hij de uitvaartkosten ter hoogte van € 13.016,53 heeft betaald en een bedrag van € 25.000 te veel heeft afgelost op een lening van vader. Volgens [gedaagde 2] zijn dit schulden van de nalatenschap en moeten deze bedragen aan hem worden vergoed. Hij vordert daarover een verklaring voor recht.
Uit de bankoverschrijvingen die [gedaagde 2] en moeder hebben overgelegd, blijkt dat maatschap [naam 2] , de maatschap van [gedaagde 2] en zijn echtgenote, de uitvaartkosten van vader ter hoogte van € 13.016,53 heeft betaald. [eisers] voeren aan dat uit de aangifte erfbelasting volgt dat de uitvaartkosten ten laste van het ontbonden huwelijksaandeel van vader zijn gebracht. Dat is ook logisch, omdat dit een schuld is van de nalatenschap. Het zegt echter niets over wie deze kosten (aanvankelijk) heeft voldaan. Omdat [eisers] niet hebben gesteld dat dit bedrag al is vergoed, zal dat alsnog moeten gebeuren. De rechtbank zal voor recht verklaren dat de betaalde uitvaartkosten (als schuld van de nalatenschap) aan [gedaagde 2] (in zijn hoedanigheid van maat van de maatschap [naam 2] ) moeten worden vergoed.
Dat [gedaagde 2] een bedrag van € 25.000 te veel heeft afgelost, heeft hij niet onderbouwd. De door hem op dit punt gevorderde verklaring voor recht zal daarom niet worden gegeven.
De betalingen van € 100.000 aan [eisers] zijn niet onverschuldigd gedaan.
[gedaagde 2] stelt tot slot dat hij onverschuldigd aan [eisers] ieder
€ 100.000 heeft betaald. Hij vordert dat zij daarom worden veroordeeld tot terugbetaling. Volgens [eisers] heeft [gedaagde 2] de genoemde betalingen aan hen gedaan op aandringen van moeder, omdat de erfdelen van [eisers] (van ieder € 103.103) nog niet opeisbaar zijn en moeder op die manier iets heeft willen compenseren.
Dat [gedaagde 2] de betalingen aan [eisers] onverschuldigd heeft gedaan, volgt de rechtbank niet. [gedaagde 2] betwist niet dat hij de bedragen heeft uitgekeerd op verzoek van moeder. Tijdens de zitting heeft hij verklaard dat hij dit heeft gedaan als blijk van goede wil. Omdat [eisers] vorderingen tegen hem hebben ingesteld, heeft hij daar spijt van gekregen. De rechtbank leidt uit het voorgaande af dat [gedaagde 2] door deze bedragen aan [eisers] over te maken een gift aan hen heeft gedaan. Dat betekent dat deze niet zonder rechtsgrond zijn verricht, ook niet als [gedaagde 2] daar nu spijt van heeft. De rechtbank zal deze vordering daarom afwijzen.
Proceskosten in conventie en in reconventie
Omdat partijen familie van elkaar zijn, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd. Dit betekent dat iedere partij de eigen kosten draagt.
6. De beslissing
De rechtbank
in conventie
wijst de vorderingen van [eisers] af,
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
in reconventie
verklaart voor recht dat de legitieme portie van [gedaagde 2] € 61.855,25 bedraagt,
verklaart voor recht dat [gedaagde 2] in zijn hoedanigheid van maat in de maatschap [naam 2] een vordering heeft op de nalatenschap van € 13.016,53 wegens betaalde uitvaartkosten,
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.F. Hermans en in het openbaar uitgesproken op 22 juli 2026.
41825