RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
[eiseres] , uit [plaats] , eiseres
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Almere, verweerder
Samenvatting
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummers: UTR 26/5863 en UTR 26/5864
uitspraak van de voorzieningenrechter van 19 augustus 2026 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaken tussen
(gemachtigde: mr. G.A. Verhoeven),
en
(gemachtigde: mr. J.H.S. Biervliet en K.K. Bahora).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres. Eiseres heeft urgentie (voorrang) aangevraagd voor een woning vanwege de medische situatie van haar dochter. Eiseres woont met haar dochter bij haar schoonouders. Haar dochter is autistisch en eiseres stelt dat de woonsituatie bij haar schoonouders te weinig structuur geeft voor haar dochter en slecht is voor haar gezondheid. Daarom wil eiseres zo snel mogelijk met haar dochter ergens anders gaan wonen. Het college heeft de aanvraag afgewezen omdat eiseres niet over een zelfstandige woonruimte beschikt en dus ook geen zelfstandige woonruimte achterlaat als zij urgentie krijgt. Eiseres is het niet eens met de afwijzing en heeft daarom beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter beoordeelt de afwijzing van de aanvraag aan de hand van de door eiseres aangevoerde gronden.
De voorzieningenrechter komt in deze uitspraak tot het oordeel dat uit de Huisvestingsverordening Almere 2024 (Hvv) niet volgt dat eiseres voor een urgentieaanvraag op medische gronden over een zelfstandige woonruimte moet beschikken of deze moet achterlaten. Het college heeft dit onterecht aan eiseres tegengeworpen. Eiseres krijgt daarom gelijk en het beroep is dus gegrond. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Omdat de voorzieningenrechter meteen uitspraak doet op het beroep, wijst hij het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Procesverloop
2. Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor urgentie voor een woning op medische gronden. Het college heeft deze aanvraag afgewezen. Eiseres heeft daartegen bezwaar gemaakt.
Op 28 mei 2026 heeft het college op het bezwaar van eiseres beslist en is zij bij de afwijzing van de aanvraag gebleven (het bestreden besluit).
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening. Het college heeft hierop gereageerd met een verweerschrift.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 30 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, J. Matti als tolk en de gemachtigden van het college.
Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, beslist hij ook meteen op het beroep van eiseres.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Spoedeisend belang?
3. De voorzieningenrechter moet bij een verzoek om een voorlopige voorziening eerst beoordelen of eiseres een spoedeisend belang heeft bij een eventuele voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter neemt aan dat eiseres een spoedeisend belang heeft omdat zij met verklaringen van verschillende instanties heeft onderbouwd dat haar woonsituatie tot ontwikkelingsachterstanden bij haar dochter kunnen leiden en zij daarom acuut een andere woonruimte nodig heeft.
Voldoet eiseres aan de algemene voorwaarden voor urgentie?
4. Het is tussen partijen verder niet in geschil dat eiseres voldoet aan de algemene voorwaarden voor urgentie. In deze zaak zijn dus alleen de specifieke voorwaarden voor urgentie op medische gronden in geschil.
Is het achterlaten van een zelfstandige woonruimte vereist?
5. Eiseres voert aan dat het college haar urgentieaanvraag onterecht heeft afgewezen omdat zij niet beschikt over een zelfstandige woonruimte en die dus ook niet achterlaat als zij urgentie zou krijgen. Uit de Hvv volgt namelijk niet dat eiseres moet beschikken over een zelfstandige woonruimte of deze moet achterlaten om urgentie te krijgen op medische gronden. Ook is het feit dat eiseres inwoont bij haar schoonouders geen situatie die in de Hvv is uitgezonderd van het kunnen verkrijgen van urgentie op medische gronden. Bovendien verblijft eiseres in een woning die voldoet aan de definitie van een zelfstandige woonruimte uit de Hvv. Het college had de aanvraag van eiseres niet mogen afwijzen omdat zij niet beschikt over een zelfstandige woonruimte, maar had inhoudelijk moeten beoordelen of de huidige woonsituatie van eiseres en haar dochter medisch onhoudbaar is.
Het college stelt daarentegen dat de aanvraag terecht is afgewezen omdat eiseres niet beschikt over een zelfstandige woonruimte en dus ook geen zelfstandige woonruimte achterlaat. Tijdens de zitting heeft het college toegelicht dat zij de slaapkamer in de woning van de schoonouders van eiseres, waar eiseres met haar dochter slaapt, als onzelfstandige woonruimte beschouwd. Dat betekent dat eiseres voor voorzieningen als een keuken, toilet en badkamer buiten de slaapkamer moet zijn en de slaapkamer daarmee dus geen zelfstandige woonruimte is. Dat betekent ook dat eiseres niet beschikt over een zelfstandige woonruimte en die dus ook niet kan achterlaten als zij urgentie zou krijgen voor een woning. Tijdens de zitting heeft het college verder toegelicht dat uit de Hvv hoe dan ook blijkt dat het de bedoeling is om voor urgentie op medische gronden te eisen dat een woningzoekende moet beschikken over een zelfstandige woonruimte.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat de uitwerking van artikel 11, derde lid onder c, van de Hvv, die staat in bijlage II, derde punt, onder a, van de Hvv, in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel. Daarin staat namelijk niet dat een woningzoekende moet beschikken over een zelfstandige woonruimte of een zelfstandige woonruimte moet achterlaten om in aanmerking te komen voor urgentie op medische gronden. Het is tussen partijen niet in geschil dat eiseres inwoont bij haar schoonouders, maar ook de situatie van inwoning wordt niet uitgesloten in de Hvv.
Omdat de bepaling in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel, moet deze bepaling buiten toepassing worden gelaten. Het college mag eiseres dus niet meer tegenwerpen dat zij niet over een zelfstandige woonruimte beschikt of dat zij geen zelfstandige woning achterlaat. Dit vereiste volgt namelijk niet duidelijk uit de Hvv. Er staat alleen dat de woningzoekende vanwege haar medische situatie dringend op zoek moet naar een (andere) zelfstandige woonruimte. Daarbij suggereert het feit dat andere tussen haakjes staat, dat er geen sprake hoeft te zijn van een situatie waarin de woningzoekende al beschikt over een zelfstandige woonruimte. Daarnaast wordt in de bijlage gesproken over een medisch onhoudbare situatie als de huidige zelfstandige ‘woonsituatie’ schade veroorzaakt aan de gezondheid. Een woonsituatie kan heel breed zijn en wat een zelfstandige woonsituatie dan precies is, wordt verder niet uitgelegd in de Hvv. Ook dat deel van de uitwerking van artikel 11, derde lid, onder c, van de Hvv duidt er dus in ieder geval niet duidelijk op dat het is vereist dat de woningzoekende over een zelfstandige woonruimte moet beschikken of deze moet achterlaten.
De voorzieningenrechter volgt het college ten slotte ook niet in haar standpunt dat uit de Hvv blijkt dat het de bedoeling van de gemeenteraad is geweest om voor urgentie op medische gronden te eisen dat een woningzoekende over een zelfstandige woonruimte beschikt of deze achterlaat. Bij andere urgentiecategorieën in de Hvv staat namelijk wel duidelijk dat een woningzoekende een woning moet achterlaten of dat een woning bijvoorbeeld op naam van de woningzoekende moet staan om in aanmerking te komen voor die urgentiecategorie. Daaruit blijkt dat voor die categorieën duidelijk is gekozen om dat soort vereisten in de Hvv op te nemen. Omdat deze voorwaarde niet specifiek is opgenomen als voorwaarde voor het verlenen van urgentie op medische gronden, volgt de voorzieningenrechter het standpunt van het college niet dat dit wel zo was bedoeld. Als de gemeenteraad deze voorwaarde wil stellen voor het verlenen van urgentie op medische gronden, zal dit specifiek neergelegd moeten worden in de Hvv.
Aangezien deze beroepsgrond slaagt, zal de rechtbank de overige gronden verder niet inhoudelijk bespreken.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel. De voorzieningenrechter vernietigt daarom het bestreden besluit. De voorzieningenrechter ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. De voorzieningenrechter bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat het college een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. Het college mag bij het nemen van het nieuwe besluit eiseres niet meer tegenwerpen dat zij moet beschikken over een zelfstandige woonruimte of dat zij deze moet achterlaten.
De voorzieningenrechter geeft het college acht weken voor het nemen van het nieuwe besluit. In afwachting daarvan is er geen aanleiding een voorlopige voorziening te treffen.
Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 2.802,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend, een verzoek om een voorlopige voorziening heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt het college op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 400,- aan eiseres moet vergoeden;
- veroordeelt het college tot betaling van € 2.802,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A.J. Woutersen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E.S. Dorsman, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 19 augustus 2026.
De griffier is verhinderd
deze uitspraak te ondertekenen.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.