RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de voorzieningenrechter van 20 augustus 2026 in de zaken tussen
Als derde-partij neemt aan de zaken deel: de gemeente Soest (vergunninghouder)
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummers: UTR 26/6595 en UTR 26/6606
1. Stichting Ontwikkeling en Behoud Erfgoed Soest-Soesterberg (SOS), uit Soesterberg, verzoekster in de zaak met nummer UTR 26/6606
(gemachtigde: mr. T.W.S. Mol),
2. [verzoeker sub 2.1] en mr. [verzoeker sub 2.2], uit [woonplaats] , verzoekers in de zaak met nummer UTR 26/6595,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Soest (het college), verweerder
(gemachtigde: mr. P. Blom).
(gemachtigden: D.P.R.M. van den Herik en drs. L.A.F. Vorster).
Procesverloop
1. Met het besluit van 15 juli 2026 heeft het college aan de gemeente Soest een omgevingsvergunning verleend voor het plaatsen van een tijdelijk dassenraster (voor een periode van 15 jaar, te weten tot en met 15 juli 2041), om de eerste bouwfase (fase A) van de ontwikkeling Oude Tempel heen op de locatie tussen Oude Tempellaan en Korndofferlaan in Soesterberg (gemeente Soest). Voor deze locatie heeft de gemeenteraad eerder het bestemmingsplan ‘Oude Tempel’ vastgesteld, waarmee de bouw van maximaal 300 woningen in het landgoedbos planologisch mogelijk is gemaakt. Om te voorkomen dat dassen het bouwterrein van fase A betreden en gewond raken, wil vergunninghouder een dassenraster om de bouwlocatie plaatsen. Het dassenraster bestaat uit houten palen met (transparant) wildgaas van circa 1 meter hoog.
2. Verzoekster en verzoekers hebben afzonderlijk bezwaar gemaakt tegen de omgevingsvergunning voor het dassenraster. Ook hebben zij de voorzieningenrechter verzocht om de omgevingsvergunning bij wijze van voorlopige voorziening te schorsen om onomkeerbare gevolgen voor de dassenpopulatie in het gebied te voorkomen.
3. Omdat vergunninghouder op 20 juli 2026 is gestart met de werkzaamheden voor het plaatsen van het dassenraster, heeft de voorzieningenrechter als ordemaatregel de omgevingsvergunning met de uitspraak van 20 juli 2026 per direct geschorst.
4. De voorzieningenrechter heeft de verzoeken op 6 augustus 2026 op een zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: - de gemachtigde van verzoekster en namens verzoekster [A] (bestuurder), alsmede ir. [B] (dassenexpert), - verzoekers, - de gemachtigde van het college, en mr. P.A. Phielix (jurist bij de gemeente Soest) en - de gemachtigden van vergunninghouder.
5. Omdat verzoekers op de zitting hebben verklaard dat zij zich aansluiten bij hetgeen verzoekster heeft aangevoerd, doet de voorzieningenrechter één uitspraak op beide verzoeken om een voorlopige voorziening.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Wat beoordeelt de voorzieningenrechter?
6. Een voorlopige voorziening is een spoedmaatregel om te voorkomen dat er onomkeerbare dingen gebeuren als gevolg van een besluit, voordat op de bezwaren is beslist. In deze zaken moet het college nog een beslissing nemen op de bezwaren die verzoekster en verzoekers tegen de omgevingsvergunning hebben gemaakt en het college moet heroverwegen of de omgevingsvergunning in stand kan blijven. Voor het treffen van een voorlopige voorziening in de fase van bezwaar is in beginsel alleen aanleiding als het besluit zo gebrekkig is dat dit in de heroverweging in bezwaar naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet of niet volledig in stand kan blijven. De bezwaarfase is immers een volledige heroverweging, zodat het college eventuele gebreken daarin nog kan herstellen.
7. Na enkele overwegingen over de ontvankelijkheid van het bezwaar van verzoekers, beoordeelt de voorzieningenrechter in deze uitspraak of de bezwaren van verzoekster en verzoekers een redelijke kans van slagen hebben. Dat wordt ook wel de rechtmatigheidstoets genoemd. Na de rechtmatigheidstoets beoordeelt de voorzieningenrechter of het belang van verzoekster en verzoekers om de omgevingsvergunning te schorsen al dan niet zwaarder moet wegen dan het belang van het college en vergunninghouder om de omgevingsvergunning niet te schorsen. Hoe zekerder de voorzieningenrechter is over de rechtmatigheid van het besluit, hoe minder ruimte er is om de belangen die pleiten voor het treffen van een voorziening mee te wegen.
Ontvankelijkheid van het bezwaar van verzoekers
8. De voorzieningenrechter stelt voorop dat een bezwaar alleen kan worden ingediend door een belanghebbende. Onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Volgens vaste rechtspraak is degene die rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van de activiteit die het besluit toestaat, in beginsel belanghebbende bij dat besluit. Het criterium ‘gevolgen van enige betekenis’ dient als correctie op dat uitgangspunt. Gevolgen van enige betekenis ontbreken als de gevolgen wel zijn vast te stellen, maar de gevolgen van de activiteit voor de woon- en leefsituatie van betrokkene dermate gering zijn dat een persoonlijk belang bij het besluit ontbreekt.
9. Verzoekers wonen allebei aan [adres 1] in [woonplaats] . Niet in geschil is dat tussen de woning van verzoekers en de rand van [adres 2] andere woning ligt. Op de zitting hebben verzoekers verklaard dat de afstand van hun woning/perceel tot het dichtstbijzijnde nog te plaatsen dassenraster 24 meter bedraagt met daartussen een mandelig pad, waarvan zij mede-eigenaren zijn. Verzoekers verwachten dat zij vanuit hun woning zicht hebben op het dassenraster, omdat het bos niet dichtbegroeid is. Het college heeft op de zitting erkend dat de afstand tussen de woning/ het perceel van verzoekers en het nog te plaatsen dassenraster om en nabij 24 meter is, maar stelt zich op het standpunt dat verzoekers geen gevolgen van enige betekenis van het dassenraster voor hun woon- en leefsituatie ondervinden. Daarbij betrekt het college dat tussen de woning/het perceel van verzoekers en het (dichtstbijzijnde deel van het) dassenraster zich nog een vrij grote schuinvormige kavel met een woning bevindt, waardoor het zicht van verzoekers op het dassenraster wordt geblokkeerd, en dat geen van de bomen aan deze kant van Oude Tempel wordt gekapt. Het college stelt zich dan ook voorlopig op het standpunt dat de bezwaren van verzoekers niet-ontvankelijk zijn omdat zij geen belanghebbenden zijn.
10. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het aan het college is om in het nog te nemen besluit op bezwaar te motiveren waarom verzoekers wel of geen belanghebbenden zijn. De voorzieningenrechter wil op die beoordeling niet vooruitlopen. Omdat tussen partijen niet in geschil is dat het collectief belang dat verzoekster zich statutair ten doel stelt te behartigen bij de omgevingsvergunning is betrokken en verzoekers zich hebben aangesloten bij de bezwaargronden van verzoekster, beoordeelt de voorzieningenrechter hierna de rechtmatigheid van het besluit.
Rechtmatigheid
11. De omgevingsvergunning is verleend voor de volgende activiteiten:- bouwactiviteit;- omgevingsplanactiviteit (buitenplans);- omgevingsplanactiviteit voor het uitvoeren van een werk, niet zijnde bouwwerk, of werkzaamheid.
12. Voordat de voorzieningenrechter de standpunten van partijen uiteenzet en tot haar oordeel komt over de rechtmatigheid van de omgevingsvergunning, legt zij het wettelijk kader kort uit.
13. Het omgevingsplan van de gemeente Soest (het omgevingsplan) bepaalt dat het verboden is om zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten. Om die reden is het bouwen van een dassenraster een omgevingsplanactiviteit. Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een bouwactiviteit, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als de activiteit niet in strijd is met de in het omgevingsplan gestelde regels over bouwen. De bouwregels staan in het bestemmingsplan ‘Oude Tempel’ dat deel uitmaakt van het tijdelijk deel van het omgevingsplan. Het dassenraster valt binnen de bestemmingen ‘Bos- Bostuin’, ‘Groen-Wijkgroen’, ‘Natuur’, ‘Verkeer’ en ‘Woongebied- Oude Tempel’. Een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit kan alleen verleend worden met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.De verleende omgevingsvergunning ziet naast het bouwen van het dassenraster ook op kleinschalige graafwerkzaamheden ten behoeve van de plaatsing van het raster. Dat is een omgevingsplanactiviteit, omdat daarvoor een omgevingsvergunning is vereist op grond van het bestemmingsplan Oude Tempel voor de bestemmingen ‘Bos-Bostuin’, ‘Groen-Wijkgroen’, ‘Natuur’ en ‘Woongebied-Oude Tempel’.
14. Omdat bouwen op gronden binnen de bestemmingen ‘Bos-Bostuin’ en ‘Natuur’ niet is toegestaan en het bestemmingsplan Oude Tempel geen afwijkingsmogelijkheid bevat, heeft het college zekerheidshalve het gehele dassenraster aangemerkt als strijdig met de regels van het omgevingsplan. Dat betekent dat sprake is van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Omdat het dassenraster door het materiaalgebruik (transparant gaas) en de geringe bouwhoogte een beperkte visuele impact heeft en daarmee zorgvuldig is ingepast in de bosrijke omgeving, stelt het college zich op het standpunt dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
15. Verzoekster en verzoekers vrezen voor de gevolgen van het vergunde dassenraster voor (het essentiële leefgebied van) de das. De omgevingsvergunning leidt volgens hen tot het opzettelijk doden en het beschadigen van voortplantings- of rustplaatsen van de das, terwijl de das een beschermde diersoort in Nederland is. Verzoekster en verzoekers geven aan bekend te zijn met de rechtspraak onder de Omgevingswet dat als gevolg van het loslaten van de onlosmakelijke samenhang er een beperktere ruimte is om de belangen die zien op flora en fauna mee te wegen bij een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Dat neemt niet weg dat natuurbelangen volgens verzoekster en verzoekers onder de toetsingsmaatstaf van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties vallen en in dat kader beoordeeld dient te worden of de vergunde activiteit uitvoerbaar is. Volgens verzoekster en verzoekers is sinds de inwerkingtreding van de Omgevingswet in de rechtspraak de lijn ingezet dat het college in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet motiveren waarom een flora- en fauna-activiteit niet op voorhand aan de uitvoerbaarheid van de omgevingsvergunning in de weg staat. Op de zitting hebben verzoekster en verzoekers verduidelijkt dat de uitvoerbaarheidstoets volgens hen inhoudt dat het college moet onderbouwen dat geen omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit nodig is. Wanneer die omgevingsvergunning wel nodig is, moet het college inzichtelijk maken dat die vergunning daadwerkelijk kan worden verleend. Omdat dit in het besluit volstrekt onvoldoende is onderbouwd, kan de omgevingsvergunning volgens hen in bezwaar geen stand houden.
16. Het college stelt zich op het standpunt dat onder de Omgevingswet nog slechts een lichte uitvoerbaarheidstoets geldt. In tegenstelling tot wat verzoekster en verzoekers aanvoeren, hoeft niet op voorhand duidelijk te zijn dat een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit daadwerkelijk verleend zal worden als een vergunning voor die activiteit nodig is. De uitvoerbaarheidstoets beperkt zich volgens het college tot de vraag of sprake is van een apert onuitvoerbaar bouwplan. Daarvan is volgens het college bij het dassenraster geen sprake. Ter onderbouwing wijst het college op de ‘Actualisatie Natuurtoets’ van Viridus die aan de vergunning ten grondslag is gelegd en waaruit volgens het college volgt dat de bestaande dassenburchten zich uitsluitend in het gebied van fase B bevinden en door de aanleg van het nu vergunde dassenraster niet in hun functionaliteit worden aangetast.
17. De voorzieningenrechter ziet zich voor de vraag gesteld of het college bij de beoordeling van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het kader van de buitenplanse omgevingsplanactiviteit moet beoordelen of het ontbreken van een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit op voorhand de uitvoering van de aangevraagde omgevingsvergunning onmogelijk maakt. Die vraag beantwoordt zij ontkennend en zij zal uitleggen waarom.
18. Per 1 januari 2024 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) ingetrokken en is de Omgevingswet in werking getreden. Artikel 5.7 van de Omgevingswet maakt het mogelijk om omgevingsvergunningen voor verschillende activiteiten los van elkaar aan te vragen. Uit de Memorie van Toelichting van de Omgevingswet volgt dat in dit artikel het uitgangspunt is vervat dat de aanvrager volledige vrijheid heeft bij het aanvragen van een omgevingsvergunning voor de activiteit of activiteiten waarvoor hij een omgevingsvergunning nodig heeft. Hij kan ervoor kiezen om voor elke activiteit afzonderlijk een omgevingsvergunning aan te vragen, of voor verschillende activiteiten tegelijk. De wet biedt de aanvrager hiermee flexibiliteit. Anders dan in artikel 2.7, eerste lid, van de Wabo wordt niet langer meer de eis gesteld dat de aanvrager ervoor dient te zorgen dat voor zogeheten onlosmakelijke activiteiten gelijktijdig een vergunning wordt aangevraagd. Onder de Wabo gold de eis dat als een natuurvergunning nodig was en deze nog niet was aangevraagd of verleend, die vergunning meeliep met (‘aanhaakte bij’) de omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit. Dit ‘aanhaken’ geldt niet meer onder de Omgevingswet. Vanwege het ontbreken van de eis in de Omgevingswet dat onlosmakelijke activiteiten gelijktijdig worden aangevraagd, is het aan de aanvrager om te bepalen wat wel en wat niet gelijktijdig met de buitenplanse omgevingsplanactiviteit wordt aangevraagd. Het staat de aanvrager dus vrij om afzonderlijk van de buitenplanse omgevingsplanactiviteit een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit aan te vragen.
19. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de wetgever met artikel 5.7 van de Omgevingswet kennelijk heeft beoogd te breken met het uitgangspunt van de Wabo dat onlosmakelijke activiteiten gelijktijdig moeten worden aangevraagd. De voorzieningenrechter ziet dan ook geen aanleiding om de bestaande Wabo-rechtspraak over de uitvoerbaarheid van een bouwplan in relatie tot flora- en fauna onder de Omgevingswet voort te zetten. De uitvoerbaarheidstoets onder de Omgevingswet beperkt zich naar het oordeel van de voorzieningenrechter tot een beoordeling of bij voorbaat sprake is van een evident onuitvoerbaar bouwplan, omdat in geen geval tot uitvoering kan worden overgegaan. Bij die toets hoeven de gevolgen voor flora-en fauna niet betrokken te worden, omdat voor die activiteit een afzonderlijke vergunningplicht met een eigen beoordelingskader geldt met een ander bevoegd gezag en het de aanvrager vrij staat die vergunning afzonderlijk aan te vragen.
20. Omdat het besluit van het college ziet op een buitenplanse omgevingsplan-activiteit, beoordeelt de voorzieningenrechter in deze procedure alleen die activiteit en betrekt zij daarbij niet ook de mogelijke gevolgen voor aanwezige flora- en fauna. De argumenten van verzoekster en verzoekers over de ecologische gevolgen van het dassenraster vallen dus buiten de omvang van dit geding. Omdat verzoekster en verzoekers geen bezwaren hebben tegen de buitenplanse omgevingsplanactiviteit, zoals bijvoorbeeld over de bouwhoogte of de inpassing van het dassenraster in de groene omgeving, kan de voorzieningenrechter niet anders dan concluderen dat de bezwaren geen kans van slagen hebben.
21. De voorzieningenrechter wijst er op dat een aanvrager zelf verantwoordelijk is voor het beschikken over de vereiste vergunningen voor alle activiteiten die hij verricht. Indien dit niet het geval is, kan hiertegen handhavend worden opgetreden, omdat het niet is toegestaan om zonder benodigde omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten. Voor verzoekster en verzoekers staat dus een andere weg open om op te komen voor de das en van die mogelijkheid hebben zij ook gebruik gemaakt. Voor de beoordeling of sprake is van een vergunningplichtige flora- en fauna-activiteit is het college van gedeputeerde staten van de provincie het bevoegd gezag. Verzoekster heeft tegen het plaatsen van het dassenraster een verzoek om handhaving bij het college van gedeputeerde staten van de provincie Utrecht ingediend, zodat een geschil over het wel of niet nodig zijn van een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit in die procedure aan de orde komt.
Belangenafweging
22. Mede op basis van het oordeel over de rechtmatigheid van de omgevingsvergunning, weegt de voorzieningenrechter de belangen van het college en vergunninghouder die pleiten tegen het treffen van een voorlopige voorziening zwaarder dan de belangen van verzoekster en verzoekers die pleiten vóór het treffen daarvan. Het belang van het college is het voorkomen van vertraging van woningbouw op Oude Tempel en dat van vergunninghouder om in november/december 2026 te kunnen starten met de kap van 1.923 bomen ten behoeve van de woningbouw. Het dassenraster moet volgens vergunninghouder vóór die tijd geplaatst zijn, zodat de dassen aan het raster hebben kunnen wennen en zij niet gewond raken door de werkzaamheden. Voor zover verzoekers als belang hebben aangevoerd dat zij zicht zullen hebben op het dassenraster, geldt dat het college dit aspect in het kader van de ontvankelijkheid van de bezwaren nader zal moeten beoordelen. De voorzieningenrechter vindt dit belang in ieder geval ondergeschikt aan het algemeen en maatschappelijk belang van woningbouw dat het college en vergunninghouder beogen te beschermen.
Opheffen ordemaatregel
23. Gelet op het hiervoor gegeven rechtmatigheidsoordeel en het belang van het college en vergunninghouder om het dassenraster te plaatsen ten behoeve van woningbouw, zal de voorzieningenrechter de bij wijze van ordemaatregel getroffen voorziening opheffen.
Conclusie en gevolgen
24. De voorzieningenrechter zal de verzoeken afwijzen en de bij wijze van ordemaatregel getroffen voorziening opheffen. Dat betekent dat de gemeente gebruik mag maken van de omgevingsvergunning voor het plaatsen van het tijdelijk dassenraster. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.C.A. van Kuijeren, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S.N. van Ooijen, griffier. Uitgesproken in het openbaar op
20 augustus 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: