RECHTBANK Midden-Nederland
Civiel recht
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: C/16/590341 / HA ZA 25-159
Vonnis van 4 februari 2026
in de zaak van
[eiser] ,
te [plaats] ,
eisende partij in conventie,
gedaagde partij in reconventie,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. P.P.J. van der Rijt,
tegen
[gedaagde] B.V.,
te [plaats] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. W.J. de Vries.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 19 november 2025;
- de akte na tussenvonnis van [gedaagde] ;
- de antwoordakte na tussenvonnis van [eiser] .
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De verdere beoordeling
In het tussenvonnis van 19 november 2025 heeft de rechtbank het volgende geoordeeld:
[eiser] heeft de aannemingsovereenkomst rechtsgeldig ontbonden omdat voldaan is aan de voorwaarden voor ontbinding, namelijk dat er sprake is van een verbintenis, van een tekortkoming in de nakoming van die verbintenis (gebreken in de uitvoering van de werkzaamheden) en van verzuim. De gevorderde verklaring voor recht dat de aannemingsovereenkomt tussen [gedaagde] en [eiser] rechtsgeldig is ontbonden, kan worden toegewezen.
Door de ontbinding zijn ongedaanmakingsverbintenissen ontstaan. Voor [gedaagde] betekent dit dat de door [eiser] betaalde bedragen moeten worden terugbetaald. Dit is in totaal € 15.500,-. Voor [eiser] geldt dat zijn ongedaanmakingsverplichting er uit bestaat dat hij de waarde moet vergoeden van de door [gedaagde] geplaatste nieuwe achterdeur en nieuwe draaikiepdeur.
De rechtbank kon op het moment van het tussenvonnis niet inschatten wat de waarde van deze door [eiser] ontvangen prestatie was.
[gedaagde] moet ook een schadevergoeding betalen op grond van artikel 6:277 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).
[gedaagde] moet daarnaast de deskundigenkosten, betekeningskosten en buitengerechtelijke kosten betalen.
De gevorderde verklaring voor recht dat [gedaagde] aansprakelijk is voor de kosten van de advocaat van [eiser] als zijnde kosten ter vaststelling van aansprakelijkheid, nader op te maken bij staat, zal worden afgewezen.
De vordering van [gedaagde] in reconventie tot betaling van de restantaanneemsom zal eveneens worden afgewezen.
In 3.16 van het tussenvonnis van 19 november 2025 heeft de rechtbank partijen in de gelegenheid gesteld om zich nog kort uit te laten over de waarde van de achterdeur en de draaikiepdeur. Op grond van art. 6:272 BW is [eiser] immers verplicht tot teruggave van de ontvangen prestatie, en als dat niet kan, de waarde daarvan te vergoeden.
Antwoordakte van [eiser]
[eiser] heeft zich in de antwoordakte na tussenvonnis over veel meer uitgelaten dan over dit onderwerp. De rechtbank zal hier niet verder op ingaan, aangezien deze opmerkingen niet zien op de opdracht aan partijen. Overigens ziet de rechtbank ook geen aanleiding om terug te komen op haar tussenvonnis, voor zover [eiser] dit had beoogd. De enige correctie die de rechtbank zal toepassen in de uiteindelijke schadeberekening, is dat op het schadebedrag van € 30.796,90 (de door [A] berekende herstelkosten) niet een bedrag van € 29.000,- in mindering zal worden gebracht maar het bedrag dat in de offerte van [gedaagde] zag op het vernieuwen van de schuifpui (€ 25.118,17). De offerte van [A] zag immers slechts op het verwijderen van de door [gedaagde] aangebrachte hefschuifpui en het plaatsen van een nieuwe schuifpui, en niet tevens op het vervangen van de achterdeur en de draaikiepdeur.
De waarde van de ontvangen prestatie
[gedaagde] concludeert dat [eiser] € 14.099,62 moet betalen, als zijnde de waarde van de nieuwe achterdeur en draaikiepdeur. De specificatie van dit bedrag is terug te vinden in de door haar overgelegde productie 4, en de inkoopkosten van de deuren blijken uit de producties 6 en 7. De rechtbank is met [eiser] van oordeel dat dit alleen al niet realistisch voorkomt gelet op de totale aanneemsom van € 29.000,- en de omstandigheid dat het aanbrengen van de hefschuifpui en alle daarmee gepaard gaande werkzaamheden veruit het grootste deel van de aanneemsom zouden moeten uitmaken. De rechtbank zal wel de inkoopprijs van de kozijnen en het glas overnemen, aangezien deze kosten zijn onderbouwd met facturen. Deze materiaalkosten zijn € 2.358,94. Daarbovenop zal een bedrag van
€ 150,- voor kosten klein materiaal worden meegenomen. Het komt de rechtbank niet reëel voor om uit te gaan van materieelkosten van € 4.500,- (kosten mobiele kraan, glaszuigers, opslagcontainer, zaagmachines) en kleine materiaalkosten van € 730,- (zoals kitspuiten, schroeven, zaagbladen, pluggen) voor dit project en ook niet om van dit soort kosten 2/3 deel toe te rekenen aan de achterdeur en draaikiepdeur. [gedaagde] heeft dit ook op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt. Verder gaat de rechtbank met betrekking tot de arbeidskosten uit van 6 uur arbeid met twee medewerkers. De rechtbank is van oordeel dat met de voorbereiding, uitvoering en afronding van deze werkzaamheden, die niet bepaald complex zijn, en de reistijd, niet meer dan in totaal 12 uur gemoeid zou moeten zijn. Uitgaande van het door [gedaagde] genoemde uurtarief komt dit neer op 12 uur x € 85,- = € 1.020,-. Dat telt op tot een bedrag van € 3.528,94 (€ 2.358,94+ € 150,-+ € 1.020,-). Daarover zal een opslag voor algemene kosten (huisvestingskosten, energiekosten e.d.) en winst van in totaal 10% worden berekend (€ 352,89). Om zowel voor algemene kosten als voor winst een opslag van 10% te berekenen acht de rechtbank wat fors. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat van de totale aanneemsom van € 29.000,- een bedrag van € 3.881,83 (3.528,94 + 352,89) zag op de plaatsing van de nieuwe achterdeur en de draaikiepdeur. Dit bedrag zal als de waarde van de door [gedaagde] geleverde prestatie worden genomen.
Anders dan [eiser] betoogt, kan voor de waarde van de ontvangen prestatie niet enkel de inkoopprijs van de deuren worden genomen. Deze zijn immers ook geplaatst door [gedaagde] en de oude deuren zijn afgevoerd. De rechtbank heeft dit ook niet gesuggereerd in het tussenvonnis. Daar staat immers dat [gedaagde] een akte mag nemen en daarbij bijvoorbeeld inkoopfacturen kan inbrengen. Dat betekent niet dat voor de schatting van de waarde enkel en alleen de inkoopprijs van belang is.
Wat moet [gedaagde] aan [eiser] betalen
Het voorgaande betekent dat [gedaagde] ter voldoening aan haar ongedaanmakings-verplichting een bedrag van € 11.618,17 (€ 15.500 -/- € 3.881,83) aan [eiser] zal moeten betalen. Daarnaast is zij schadevergoeding verschuldigd op grond van artikel 6:277 BW. Die schadevergoeding bedraagt in dit geval € 30.796,90 (de herstelkosten van de pui) minus het deel van de aanneemsom dat zag op enkel de pui (€ 25.118,17). De totale aanneemsom bedroeg immers € 29.000,- en het deel dat zag op de twee deuren is hiervoor vastgesteld op € 3.881,83. Het verschil van € 25.118,17 wordt dan geacht te zien op de schuifpui. Anders dan in 3.22 van het tussenvonnis is genoemd, bedraagt de schadevergoeding na uitvoering van de ongedaanmakingsverbintenissen dus € 5.678,73 (€ 30.796,90 -/- € 25.118,17).
Verder moet [gedaagde] ook de kosten voor de deskundigen betalen van € 1.196,01. Deze kosten komen op grond van artikel 6:96 lid 2 sub b BW voor vergoeding in aanmerking. Dat heeft de rechtbank al geoordeeld in overweging 3.26 van het tussenvonnis. Op grond van hetzelfde wetsartikel komen ook de betekeningskosten van € 159,80 voor vergoeding in aanmerking, zoals de rechtbank heeft bepaald in overweging 3.27 van het vonnis. In totaal bedraagt de hoofdsom € 18.652,71 (€ 11.618,17 + € 5.678,73 + € 1.196,01 + € 159,80).
In 3.27 van het tussenvonnis heeft de rechtbank geoordeeld dat [gedaagde] buitengerechtelijke kosten verschuldigd is over de toewijsbare hoofdsom, die lager zal zijn dan gevorderd. De buitengerechtelijke kosten over de hoofdsom van € 18.652,71 bedragen
€ 961,53 (€ 875 + 1% over (€ 18.652,71- € 10.000).
Kortom, op grond van het voorgaande is het bedrag dat [gedaagde] aan [eiser] moet betalen als volgt opgebouwd:
[eiser] moet terugontvangen op grond van artikel 6:271 BW:
€ 15.500 - € 3.881,83 = € 11.618,17
[eiser] heeft recht op schadevergoeding op grond van artikel 6:277 BW:
Herstelkosten schuipui: € 30.796,90
Aanneemsom [gedaagde] hiervoor: € 25.118,17-/-
€ 5.678,73
Subtotaal € 17.296,90
Kosten deskundigen € 1.196,01
Betekeningskosten € 159,80
Totaal hoofdsom € 18.652,71
Buitengerechtelijke incassokosten € 961,53
Totaal hoofdsom + buitengerechtelijke incassokosten € 19.614,24
De wettelijke rente over de toegewezen bedragen
De wettelijke rente over de vordering van [eiser] op [gedaagde] van € 11.618,72 is verschuldigd vanaf de datum van het ontstaan van de ongedaanmakingsverbintenis. Dat is de datum van de ontbinding van de aannemingsovereenkomst, namelijk 3 februari 2025. De wettelijke rente over de schadevergoeding op grond van artikel 6:277 BW is toewijsbaar vanaf het moment dat [gedaagde] in verzuim is met de betaling van de schadevergoeding. Bij een vordering tot schadevergoeding treedt het verzuim in wanneer de vordering opeisbaar is en niet meteen wordt nagekomen. Wanneer de vordering tot schadevergoeding opeisbaar is, is afhankelijk van het moment waarop de schade wordt geacht te zijn geleden. Dat is in dit geval op het moment dat [eiser] de kosten moest betalen aan aannemer [A] . De offerte van [A] is van 1 februari 2025 en [eiser] moest als aanbetaling 25% voldoen. Gelet op de datum van de offerte (1 februari 2025) zal de rechtbank de wettelijke rente toewijzen vanaf de gevorderde datum (3 februari 2025). De wettelijke rente over de kosten van de deskundigen en de betekeningskosten is als vermogensschade toewijsbaar vanaf de dag van de dagvaarding of zoveel eerder als men in verzuim is en voor zover die kosten voordien daadwerkelijk zijn gemaakt. Over het moment van verzuim is niets gesteld door [eiser] . De rechtbank sluit daarom aan bij de datum van de dagvaarding, namelijk 10 maart 2025. Voor de wettelijke rente over de buitengerechtelijke incassokosten geldt dat de rente gaat lopen vanaf het moment dat de betreffende schade is geleden. Dat is het moment waarop deze kosten door de schuldeiser zijn betaald. Over dat moment heeft [eiser] niets gesteld. Daarom zal de wettelijke rente over de buitengerechtelijke incassokosten worden toegewezen vanaf de datum van de dagvaarding, dus 10 maart 2025.
[gedaagde] moet in conventie € 2.188,47 aan proceskosten betalen aan [eiser]
[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten in conventie betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
144,47
- griffierecht
€
331,00
- salaris advocaat
€
1.535,00
(2,5 punten × € 614,00)
Totaal
€
2.010,47
in reconventie
[gedaagde] moet in reconventie € 307,- aan proceskosten betalen aan [eiser]
In overweging 3.29 van het tussenvonnis van 19 november 2025 heeft de rechtbank reeds geoordeeld dat de vordering tot betaling van de restant aanneemsom moet worden afgewezen. Ook de vorderingen tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten en de wettelijke rente over de tegenvorderingen worden afgewezen.
[gedaagde] is in reconventie ook in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten van [eiser] in reconventie betalen. De reconventie hangt samen met de conventie. Om die reden halveert de rechtbank de proceskostenveroordeling. In reconventie heeft [eiser] één conclusie genomen. Twee punten x 0,5 x het toepasselijke tarief van € 614,- leidt tot een proceskostenvergoeding in reconventie van € 614,-. De wettelijke rente over de proceskosten in reconventie wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
in conventie en reconventie
[gedaagde] moet € 278,- aan nakosten betalen
[gedaagde] moet ook de nakosten van [eiser] betalen. Dat komt neer op een bedrag van € 278,- in conventie en reconventie samen. De gevorderde wettelijke rente over de nakosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
3. De beslissing
De rechtbank:
in conventie
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van:
- € 17.296 vanwege de verplichtingen tot ongedaanmaking en schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van 3 februari 2025, tot de dag van volledige betaling;
- € 2.317,34 aan deskundigenkosten, betekeningskosten en buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag met ingang van 10 maart 2025, tot de dag van volledige betaling;
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 2.010,47, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
wijst het meer of anders gevorderde af,
in reconventie:
wijst de vorderingen in reconventie af,
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten in reconventie van € 614,-,
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten in reconventie als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
in conventie en reconventie
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de nakosten van € 278,-, te vermeerderen met
€ 92,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de nakosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, met uitzondering van 3.3 en 3.4.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.S.T. Belt en in het openbaar uitgesproken op 4 februari 2026.