RECHTBANK Midden-Nederland
Civiel recht
Zittingsplaats Lelystad
Zaaknummer: C/16/601002 / HL ZA 25-272
Vonnis in incident van 11 februari 2026
in de zaak van
1. [eiseres sub 1] B.V.,
te [plaats] ,2. [eiseres sub 2] B.V.,
te [plaats] ,
eisende partijen in de hoofdzaak,
verwerende partijen in het incident,
hierna samen te noemen: [eiseressen] ,
advocaat: mr. P.J. Hoepel,
tegen
[gedaagde] B.V.,
te [plaats] ,
gedaagde partij in de hoofdzaak,
eisende partij in het incident,
hierna te noemen: [gedaagde] .,
advocaat: mr. H. Scheper.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding met producties 1 t/m 5;
de incidentele conclusie met producties 1 t/m 4;
de incidentele conclusie van antwoord.
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.
2. De beoordeling in het incident
Waar het incident over gaat
Deze rechtbank heeft bij vonnis van 30 april 2025 de vorderingen van [gedaagde] toegewezen en [eiseressen] met twee andere gedaagden hoofdelijk veroordeeld tot betaling van € 100.000,00, buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten. Op 15 september 2025 hebben [eiseressen] een verzetdagvaarding uitgebracht. [gedaagde] vindt dat deze dagvaarding is uitgebracht nádat de verzettermijn was verstreken. Als gevolg daarvan zijn [eiseressen] volgens [gedaagde] niet-ontvankelijk in hun verzet. [gedaagde] vordert daarom dat [eiseressen] niet-ontvankelijk worden verklaard in het door hen ingestelde verzet, vermeerderd met kosten.
De ontvankelijkheid van [eiseressen]
Allereerst moet worden beoordeeld of [eiseressen] tijdig verzet hebben ingesteld. [eiseressen] voeren aan dat zij op 25 augustus 2025 bekend is geworden met het verstekvonnis toen door de Rabobank een bedrag aan de gerechtsdeurwaarder is overgemaakt. De verzet termijn is daarom op 25 augustus 2025 aangevangen. Urk c.s. zou met de dagvaarding van 15 september 2025 dus tijdig in verzet gekomen zijn. [gedaagde] voert aan dat de verzettermijn al op 1 augustus 2025, en uiterlijk op 6 augustus 2026 is gaan lopen.
De verzettermijn vangt aan hetzij (i) door de betekening van het verstekvonnis in persoon (artikel 143 lid 2 Rv), hetzij (ii) door een door de bij verstek veroordeelde in persoon (in dit geval [eiseressen] ) gepleegde daad van bekendheid met het verstekvonnis of de aangevangen tenuitvoerlegging (artikel 143 lid 2 Rv), hetzij (iii) op de dag waarop het verstekvonnis ten uitvoer is gelegd (artikel 143 lid 3 in verbinding met artikel 144 Rv). In dit geval is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een daad van bekendheid met het verstekvonnis door [eiseressen] op 6 augustus 2025. Hieronder wordt uitgelegd waarom.
[gedaagde] stelt terecht dat de verzettermijn op 6 augustus 2025 is aangevangen. Vast staat dat de juridisch vertegenwoordiger van [eiseressen] op die datum, namens [eiseressen] , heeft gereageerd naar de executerend deurwaarder door een betalingsregeling voor te stellen. [eiseressen] hebben aangevoerd dat nergens in dit bericht letterlijk verwezen wordt naar het verstekvonnis, maar dat overtuigt de rechtbank niet. Het bericht geeft blijk van bekendheid met de tenuitvoerlegging van het verstekvonnis. De executerende deurwaarder was een andere deurwaarder dan de deurwaarder die de oorspronkelijke dagvaarding heeft betekend, en niet gebleken is dat de executerend deurwaarder op een andere wijze eerder al bij [eiseressen] in beeld was. Dit onderstreept dat de bekendheid niet louter is gebaseerd op de eerdere procedure, maar een direct gevolg is van de kennisname van het gewezen verstekvonnis en in ieder geval de daaropvolgende executie. Uit het voorgaande volgt dat de verzettermijn bij het uitbrengen van de verzetdagvaarding op 15 september 2025 was verstreken.
[eiseressen] zullen daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in hun verzet.
De proceskosten
[eiseressen] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- salaris advocaat
€
653,00
(1 punt × € 653,00)
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
842,00
3. De beslissing
De rechtbank
verklaart [eiseressen] niet-ontvankelijk in hun verzet,
veroordeelt [eiseressen] in de proceskosten van € 842,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiseressen] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
Dit vonnis is gewezen door mr. G.J. Baken, rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier op 11 februari 2026.
5827