RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Familierecht
locatie Utrecht
zaaknummer: C/16/606632 / FA RK 26-243
Beschikking van 22 juli 2026
in de zaak van:
[de vrouw] ,
wonende in [plaats 1] ,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat mr. R.W.A. Offermanns,
tegen
[de man] ,
volgens het verzoekschrift wonende in [plaats 2] ,
hierna te noemen: de man
1. Het verloop van de procedure
De rechtbank heeft ontvangen:
- het verzoekschrift van de vrouw, binnengekomen op 6 februari 2026.
Er heeft geen mondelinge behandeling plaatsgevonden.
2. De beoordeling
De vrouw heeft een verzoekschrift tot echtscheiding ingediend. De rechtbank verklaart de vrouw niet-ontvankelijk in haar verzoek. Dat betekent dat de rechtbank haar verzoek niet inhoudelijk behandeld. De rechtbank zal deze beslissing toelichten.
Op grond van de wet moeten bij de indiening van een verzoekschrift tot echtscheiding een aantal stukken worden overgelegd (artikel 815 lid 2 en 6 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv)). De vrouw heeft geen ouderschapsplan (een plan met afspraken over de kinderen, zoals wie wanneer de kinderen ziet) en geen afschriften van de huwelijksakte en de geboorteaktes van de kinderen overgelegd, ook niet nadat de rechtbank haar een herinnering heeft gestuurd. Daarnaast had de vrouw op grond van artikel 4.2. van het Procesreglement Echtscheiding het betekeningsexploot (het officiële stuk waaruit blijkt dat de deurwaarder het verzoekschrift aan de man heeft betekend) moeten overleggen. Ook dat heeft zij nagelaten. De vrouw heeft tot slot evenmin klemmende redenen aangevoerd waarom zij niet aan de hiervoor genoemde verplichtingen kon voldoen (artikel 2.3. van het Procesreglement Echtscheiding).
3. De beslissing
De rechtbank:
verklaart de vrouw niet-ontvankelijk in haar verzoek.
Dit is de beslissing van de rechtbank, genomen door mr. D.S. Terporten-Hop, (kinder)rechter, in samenwerking met mr. F. de Kleijn, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 juli 2026.
Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.