RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 11821056 \ UC EXPL 25-6289 RvdH/1037
Vonnis van 11 februari 2026
in de zaak van
[eiser] ,
wonende in [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: R. Wisse van Effect Group,
tegen
ASR SCHADEVERZEKERING N.V.,
gevestigd in Utrecht,
gedaagde partij,
hierna te noemen: ASR,
gemachtigde: mr. J.H. Tuit.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 26, - de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 4, - de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,
- de akte van 2 januari 2026 van [eiser] met producties 27 tot en met 34,
- de akte van 5 januari 2026 van [eiser] met productie 35,
- de akte vermeerdering van eis van 13 januari 2026 van [eiser] ,
- de mondelinge behandeling van 14 januari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
De kantonrechter heeft tijdens de mondelinge behandeling beslist dat de akte met productie 35 niet wordt toegelaten, omdat die binnen de termijn van tien dagen voor de zitting is ingediend. Dat is te laat. ASR heeft hierdoor niet de gelegenheid gehad om de productie aan haar expert voor te leggen. De akte vermeerdering van eis van 13 januari 2026 wordt evenmin toegelaten. De akte is zo laat ingediend, dat ASR niet de gelegenheid heeft gehad om deze inhoudelijk te bestuderen en te voorzien van een inhoudelijke reactie, terwijl de nieuwe vorderingen dat wel vereisen. ASR zou door toelating van de wijziging in de verdediging worden geschaad.
De kantonrechter heeft besloten dat de uitspraak vandaag is.
2. Waar gaat deze zaak over?
[eiser] is sinds 2013 eigenaar van kajuitmotorboot [naam] (bouwjaar 2000). Hij heeft een pleziervaartuigverzekering afgesloten bij [bedrijf 1] (hierna: [bedrijf 1] ). ASR is de risicodragende verzekeraar.
Op 25 augustus 2021 heeft [eiser] ongeveer 600 liter biodiesel (B7 of B10) getankt bij [locatie] in [plaats] . In september 2021 is hij daarmee van Willemstad naar Vlissingen gevaren voor de jaarlijkse winterstalling. In de zomer van 2022 is er ook met de biodiesel gevaren. Begin oktober 2022 voer [eiser] opnieuw van Willemstad naar Vlissingen. Na ongeveer 40 kilometer varen kon de motor niet meer elektrisch worden uitgeschakeld via de stopspoel. [eiser] heeft de winterstalling wel bereikt. Vlak daarvoor heeft hij ‘gewone’ diesel (B0) getankt om de boot met een volle tank te kunnen stallen.
Op of omstreeks 20 april 2023 heeft [eiser] de stopspoel laten demonteren. Toen werd vastgesteld dat het onderdeel niet meer werkte als gevolg van vervuiling. Ook werd er onder de motor een restje brandstof met zichtbare schimmelvorming aangetroffen.
[eiser] heeft een monster van de brandstof uit de tanks laten analyseren door het [deskundige] (hierna: [deskundige] ). In het testrapport van 22 april 2023 schrijft het [deskundige] dat het monster is getest op bacteriën, schimmels, gisten en srb’s en het testresultaat voor die stoffen is ‘geen besmetting’. Bij het testresultaat is de volgende opmerking geplaatst:
‘Door de vervuiling (blind monster) is het percentage Fame niet meetbaar. Wij hebben wel de oxidatiestabiliteit geanalyseerd. Hieruit blijkt dat de brandstof aan het oxideren is, <40 minuten. Volgens specificatie moet dit minimaal 60 minuten zijn. De vervuiling in het monster is oxidatieresidu.’.
In het testrapport is vermeld dat de testuitslag uitsluitend betrekking heeft op het aangeleverde monster. Het advies van [deskundige] luidt om de brandstof te vervangen en de tanks te reinigen.
[eiser] heeft hierna de schade telefonisch bij [bedrijf 1] gemeld. Namens ASR is vervolgens Kersten expertise ingeschakeld. Ir. [deskundige] (hierna: [deskundige] ) heeft het onderzoek verricht. De conclusie van het voorlopig rapport van [deskundige] van 2 mei 2023 luidt dat de afwezigheid van bacteriën, schimmels, gisten en srb’s in het brandstofmonster kan worden verklaard doordat [eiser] regelmatig een toevoeging heeft gebruikt. [deskundige] is vooralsnog van mening dat er sprake is van verouderde diesel. Volgens [deskundige] moeten de tanks worden opgemaakt voor controle en inspectie.
Vervolgens heeft [eiser] de brandstoftanks laten openen en laten reinigen door [bedrijf 2] , het bedrijf waar [eiser] doorgaans zijn boot stalt en laat onderhouden. [eiser] heeft op 4 mei 2023 foto’s van de vervuilde tanks en van de stopspoel naar [deskundige] verstuurd met de mededeling dat het in eerste instantie roest of aantasting lijkt te zijn, maar dat het gewoon ‘sludge of slury’ is. [eiser] voorziet [deskundige] hierna nog van foto’s na demontage van verschillende motoronderdelen. [eiser] en [deskundige] corresponderen hierna verder. Op 26 september 2023 heeft [eiser] de factuur van [bedrijf 2] voor de herstelwerkzaamheden naar [deskundige] verstuurd. Op de factuur staat dat het volledige dieselsysteem is vervuild: vanuit de tanks tot aan de verstuivers van de generator, de hoofdmotor en de kachel. [bedrijf 2] heeft alles gereinigd en waar nodig vernieuwd en brengt daarvoor € 16.694,79 in rekening.
[deskundige] heeft op 7 november 2023 een definitief expertiserapport uitgebracht. Hierin zijn onder meer de foto’s van de tanks en motoronderdelen betrokken. De conclusie luidt dat er sprake is van problemen met het brandstofsysteem door jarenlange ophoping van vervuiling in de brandstoftanks. [deskundige] concludeert dat de werkzaamheden waarvoor [eiser] de factuur heeft ingediend, gerelateerd zijn aan vervuiling van het brandstofsysteem en dat van directe schade geen sprake is.
[eiser] is het niet eens met de conclusie van het definitieve expertiserapport. Hierna volgt onder andere de volgende correspondentie tussen [eiser] en [deskundige] :
- [deskundige] raadpleegt de heer [A] van [bedrijf 3] en [eiser] neemt ook contact met hem op,
- [deskundige] legt de foto’s van de vervuilde brandstoftanks voor aan het bedrijf ‘ [bedrijf 4] ’,
- [eiser] overlegt een verklaring van 27 februari 2024 van een medewerker van [bedrijf 2] over het onderhoud.
Op 27 maart 2024 laat [bedrijf 1] aan [eiser] weten dat de verzekering geen dekking biedt en dat het dossier wordt gesloten. Bij het bericht is een laatste, definitieve, verklaring van [deskundige] gevoegd.
ASR heeft [eiser] op 8 november 2023 aangeboden om een contra-expert in te schakelen. Op 29 maart 2024 herhaalt ASR dat het [eiser] vrij staat om een contra-expert in te schakelen. [eiser] heeft geen gebruik gemaakt van deze mogelijkheid.
[eiser] stelt dat er sprake is van schade die voor vergoeding in aanmerking en vordert in deze procedure dat ASR wordt veroordeeld tot betaling van € 16.964,79 (de kosten voor herstel, zie 2.6), de wettelijke rente en de buitengerechtelijke incassokosten.
3. De beoordeling
Uitgangspunten bij de beoordeling
De verzekerde moet stellen en zo nodig bewijzen dat zich een gebeurtenis heeft voorgedaan en dat de verzekering voor de gevolgen daarvan in beginsel dekking biedt. De verzekeraar kan zich daar tegenover op het standpunt stellen dat er zich feiten hebben voorgedaan die hem van zijn verplichting tot vergoeden van de schade ontheffen, waaronder vanwege de uitsluitingsgronden in de verzekeringspolis. Het is dan aan de verzekeraar om de feiten te bewijzen die hem van zijn verplichting tot vergoeding van de schade ontheffen.
Daarbij is relevant dat voor bewijs in het burgerlijk procesrecht niet steeds is vereist dat de te bewijzen feiten en omstandigheden onomstotelijk komen vast te staan, maar dat ermee kan volstaan dat deze voldoende aannemelijk worden.
De schade wordt niet gedekt door de verzekering
ASR stelt dat de door [eiser] gevorderde schade onder een uitsluitingsgrond valt en verwijst hierbij naar artikel 7 van de polisvoorwaarden:
Het betreft schade aan onderdelen van de aandrijfinstallatie
[eiser] heeft niet weersproken dat de schadeposten die hij opvoert uitsluitend zien op onderdelen van de aandrijfinstallatie. Volgens artikel 7.3 van de polisvoorwaarden dekt de verzekering geen schade aan de aandrijfinstallatie, als het onderdeel dat geleidelijk is achteruitgegaan deel uitmaakt van de aandrijfinstallatie. De vraag is of er sprake is van geleidelijke achteruitgang. De kantonrechter beantwoordt die vraag bevestigend en hierna wordt uitgelegd waarom.
Er is sprake van geleidelijke achteruitgang veroorzaakt door oxidatie
Het begrip geleidelijke achteruitgang wordt in de polisvoorwaarden als volgt gedefinieerd:
[eiser] erkent dat de schade aan de onderdelen van de aandrijfinstallatie is ontstaan door oxidatie. Er is volgens hem sprake van oxidatieresidu (ook: sludge) en dat residu heeft schade veroorzaakt aan diverse motorcomponenten en aanverwante onderdelen. [eiser] betwist echter dat er sprake is van geleidelijke achteruitgang. Volgens hem is de schade het gevolg van een relatief snel inwerkend proces na het tanken van de biodiesel in augustus 2021.
[eiser] heeft over de oorzaak van de schade aanvankelijk gesteld dat de brandstof die hij op 25 augustus 2021 bij Jachthaven [plaats] heeft getankt over de houdbaarheidsdatum zou zijn geweest. Later heeft [eiser] het standpunt ingenomen dat uit het rapport van [deskundige] niet blijkt dat er sprake is van verouderde diesel, maar van afbraak van een specifiek component van de biodiesel (de kantonrechter begrijpt: die [eiser] op 25 augustus 2021 heeft getankt). De stellingen van [eiser] in deze procedure zijn steeds gebaseerd op die aanname, maar de kantonrechter leest die niet terug in de conclusie van het [deskundige] . Het [deskundige] stelt alleen vast dat de vervuiling in het brandstofmonster bestaat uit oxidatieresidu, maar concludeert niet hoe en binnen welke tijdspanne dat residu is ontstaan.
ASR heeft daarentegen voldoende gesteld en onderbouwd dat het vervuild raken van de tank en de onderdelen van de aandrijfinstallatie – door oxidatie – een langzaam inwerkend proces is geweest. ASR onderbouwt haar stelling in de eerste plaats met de bevindingen van [deskundige] . Over de schadeoorzaak schrijft [deskundige] in het definitieve expertiserapport van 7 november 2023:
‘De vervuiling in beide tanks is aanzienlijk. De wanden zijn sterk aangeslagen en op de bodem ligt een dik residu van bezinksel. De mate van vervuiling is door de jaren heen ontstaan en kan niet afkomstig zijn van recente vervuilde/slechte brandstof. Het feit dat bij het brandstofonderzoek geen bacteriën, schimmels, gisteren of Srb’s zijn aangetroffen geeft aan dat de biocide toevoeging heeft gewerkt. Op de verstuivers, in de filters en in de brandstofpomp is de vervuiling aangetroffen. De verklaring voor het “plotseling” optreden van de storing (uitval motor) is dat het bezinksel los is gekomen met als gevolg de verstoppingen en blijven hangen van de stop solenoid.’
Op verzoek van [eiser] heeft [deskundige] toegelicht hoe hij tot de conclusie kon komen dat er sprake is van jarenlange vervuiling. [deskundige] schrijft op 9 november 2023:
‘De vervuiling in de tanks, op de wanden en de grote hoeveelheid smurrie/sludge op de bodem van de tanks geven aan dat het hier op een langdurig proces gaat. Door de jaren heen hebben wij redelijk veel geopende tanks gezien met meer of mindere vervuiling. Ik was dan ook zeer verbaasd over de omvang van de vervuiling in uw tanks, zo erg had ik het nog nooit gezien. […]
Op de foto’s van de binnenzijde van de tanks zijn minimaal 4 duidelijke aftekeningen te zien van een vloeistofniveau. Mogelijk zitten er meer, de gehele wand staat nl. niet op de foto’s. het lijkt mij evident dat dit niet in een korte tijd kan zijn ontstaan. […]
Wanneer er sprake is van “recente” vervuiling in schone tanks dan zie je eerder een zweem van vervuiling en mogelijk wat bezinksel wanneer biocide is toegevoegd.’
[deskundige] heeft derden geraadpleegd en hen voorzien van de foto’s van de tank van de boot. [deskundige] sprak in dat kader met de heer [A] van [bedrijf 3] B.V. [deskundige] heeft de uitkomst van dat gesprek op 13 februari 2024 met [eiser] gedeeld:
‘De aanslag in de tank is ernstig en ten aanzien van de “ouderdom” is hier sprake van lange tijd. Het is bekend dat door de hogere vochtopname van bio diesel er sludge kan ontstaan in de tank. De suldge bestaat uit restanten van dieselbacterie, ook kan drab ontstaan door het klonteren van dieselmoleculen door de snelle veroudering. Dit zal zeker meegespeeld hebben. Dat de aangetroffen aanslag en residu het gevolg is van een (1) tankbeurt en over de winter heen wordt onwaarschijnlijk genoemd. Een eigenschap van bio diesel is dat dit bezinksel in de tank kan oplossen, dit zal zeker meegespeeld hebben.’
[deskundige] deed ook navraag bij het bedrijf [bedrijf 4] . [B] reageert op 29 maart 2024 als volgt:
‘Ik heb de foto’s bekeken en ook mijn collega’s om hun mening gevraagd.
Naar onze mening is het onmogelijk dat dit slechts in 14 maanden is ontstaan.
De gehele bodem ligt vol met een dikke laag. Aan de wanden is ook te zien hoe hoog het zich heeft ontwikkelt. Het is aangekoekt en heeft gewoon al echt een oude donkere kleur.
Na 14 maanden kunnen zich weliswaar enkele koloniën hebben ontwikkelt maar dat ziet er echt verder en minder uit.
In de bijlage wat foto’s van “jongere” bacterievorming. Deze foto’s laten zien wat er in ca na een goed jaar kan plaatsvinden.
Het staat niet in verhouding met de foto’s die u liet zien.’
De kantonrechter is van oordeel dat de verklaringen van [deskundige] , [A] en [B] begrijpelijk, goed te volgen en voldoende aannemelijk zijn. Dat de experts hun visie geven op basis van de foto’s van de tank, doet daaraan niet af. De foto’s zijn helder. De uitleg die [eiser] geeft over het (kortere) tijdspad van het ontstaan van de schade is onvoldoende in het licht van de verklaringen van de hiervoor genoemde expert en derden. De kantonrechter gaat er daarom van uit dat de onderdelen van de aandrijfinstallatie geleidelijk achteruit zijn gegaan en dat de aangetroffen vervuiling niet in een korte termijn kan zijn ontstaan. Het is daardoor niet aannemelijk dat de in april 2023 aangetroffen vervuiling pas is ontstaan sinds de tankbeurt in augustus 2021.
De geleidelijke achteruitgang kon worden herkend en worden voorkomen
[eiser] doet een beroep op de ‘tenzij-bepaling’ in artikel 7.1. van de polisvoorwaarden. Volgens hem kon de oxidatie niet met het blote oog worden herkend en ook niet worden voorkomen met het reguliere onderhoud. Bij het jaarlijkse onderhoud zijn brandstofmonsters van vijf liter via het kraantje aan de onderkant van de tank genomen. Als er vervuiling in de tank zat, had dat daaruit moeten blijken, aldus [eiser] . Hiervoor is al geoordeeld dat ASR een beroep kan doen op de uitsluitingsgrond van artikel 7.3. Omdat ASR ook een beroep heeft gedaan op de uitsluitingsgrond van artikel 7.1, en [eiser] heeft gesteld dat deze twee artikelleden in verbinding moeten worden gelezen, zal hierna ook het beroep op artikel 7.1 worden beoordeeld. Het beroep van ASR op deze uitsluitingsgrond slaagt ook. Het beroep van [eiser] op de ‘tenzij’ bepaling in artikel 7.1 slaagt niet.
Het feit dat de brandstofmonsters zijn uitgevoerd, is voor een beroep op de tenzij-bepaling niet voldoende, voor zover die al iets kunnen zeggen over het oxidatieniveau. [deskundige] heeft verklaard dat controle op vervuiling van de tanks door enkel aftappen niets zegt, omdat het residu slechts zichtbaar is in de diesel als het oplost. Daarnaast heeft [deskundige] verklaard dat het mogelijk is dat er geen water vrijkomt bij het aftappen, omdat diesel tot 200 ppm vocht kan bevatten voordat het uitzakt. Zolang er sprake is van neerslag in de tanks zal het water niet te zien zijn in het peilglas. Ook is volgens [deskundige] het peilglas zo dun dat een lichte troebeling niet te zien is. Een schoon peilglas is geen enkele aanwijzing dat de tank ook schoon is, aldus [deskundige] . [eiser] heeft hier niets tegenin gebracht.
Het gaat er in dit geval om of de geleidelijke achteruitgang van de onderdelen van de aandrijfinstallatie zichtbaar was en kon worden voorkomen door – kort gezegd – regulier onderhoud.
ASR stelt in dat kader dat regelmatige inspectie en reiniging van een brandstoftank noodzakelijk zijn. Het jaarlijks aftappen biedt geen garantie dat de tank schoon is. [deskundige] heeft daarover het volgende verklaard:
‘Bij het openen van de tanks bleek dat sprake was van ernstige vervuiling. Dat de tanks daarvoor “altijd” schoon waren kan middels jaarlijks aftappen en toevoegen van biociden niet gegarandeerd en/of gesteld worden. Biociden werken alleen preventief en niet curatief voor neergeslagen vervuiling. Op het moment dat sprake is van neerslag zit dit in de tank en kan alleen maar door het openen van de tank gereinigd worden.
Het is onze ervaring dat er jarenlang gevaren kan worden met vervuiling/neerslag in de tanks voordat er problemen ontstaan. Bij verzekerde was het probleem “beperkt” en openbaarde zich middels een weigerende stopstoel. Het gehele brandstofsysteem bleek ernstig vervuild. Tussentijds aftappen vanaf de bodem is ook geen enkele garantie dat er geen bacterie/schimmel groei kan ontstaan. […]’
De brandstoftanks van de [naam] beschikken over mangaten, zodat de tanks van binnen bekeken hadden kunnen worden. De kantonrechter concludeert daarom dat [eiser] (althans de firma die de boot onderhoudt) had kunnen waarnemen dat onderdelen van de aandrijfinstallatie vervuild aan het raken waren. Dergelijke vervuiling ontstaat immers niet van de een op de andere dag, terwijl de gevolgen daarvan zich kennelijk wel plotseling kunnen openbaren. Dat de mangaten voor april 2023 ooit zijn geopend, heeft [eiser] niet gesteld en is ook niet gebleken. ASR heeft daarvan wel bewijs gevraagd. De vervuiling had voorkomen kunnen worden, door de brandstoftanks periodiek te reinigen. Vast staat dat de tanks in ieder geval sinds 2018 – zo ver reikt de onderhoudshistorie – niet zijn gereinigd. [eiser] had dus kunnen weten en voorkomen dat de vervuiling zich ophoopte, ondanks de negatieve testresultaten op oxidatie.
Conclusie
De door [eiser] opgevoerde schade komt niet voor vergoeding in aanmerking, omdat die in artikel 7.3 en artikel 7.1 van de polisvoorwaarden is uitgesloten van de verzekeringsdekking. Dit betekent dat de vorderingen van [eiser] worden afgewezen.
[eiser] moet de proceskosten van ASR betalen
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van ASR worden begroot op:
- salaris gemachtigde
€
864,00
(2 punten × € 432,00)
- nakosten
€
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.008,00
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
4. De beslissing
De kantonrechter
wijst de vorderingen van [eiser] af,
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 1.008,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt [eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.A.M. Pinckaers en in het openbaar uitgesproken door mr. A.R. Creutzberg op 11 februari 2026.