RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Utrecht
Zaaknummer: C/16/613648 / JE RK 26-953
Datum uitspraak: 22 juli 2026
Beschikking van de kinderrechter over een machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling SAMEN VEILIG MIDDEN NEDERLAND, gevestigd te Utrecht,
hierna te noemen GI,
over
[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2010 in [geboorteplaats] , Oekraïne,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. A.H.A. Beijersbergen van Henegouwen uit Utrecht.
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 24 juni 2026, mee in de beoordeling.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 22 juli 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder met haar advocaat en bijgestaan door een tolk Oekraïens, mevrouw [A.] ;
- mevrouw [B.] namens de GI.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] was niet verschenen op het afzonderlijke kindgesprek. Zij was wel aanwezig op het geplande zittingstijdstip. Daarom heeft de kinderrechter voorafgaande aan de zitting met [minderjarige] gesproken en afgesproken dat zij na de zitting aanwezig zal zijn bij de uitspraak. Eerder zijn er machtigingen gesloten jeugdzorg verleend, waar zij een hele andere procespositie had. Bij dergelijke verzoeken is een minderjarige namelijk procesbekwaam en neemt na een kindgesprek deel aan de zitting. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
2. De feiten
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
[minderjarige] verblijft sinds 22 juni 2026 op een open groep van [Instelling] in [plaats] .
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 10 december 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 20 december 2026.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 4 november 2025 een voorwaardelijke machtiging gesloten jeugdhulp verleend tot 20 december 2025. De kinderrechter heeft deze machtiging bij beschikking van 10 december 2025 verlengd tot 20 juni 2026.
3. Het verzoek
GI verzoekt een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4. Het standpunt van de moeder
De moeder is het eens met het verzoek van de GI.
5. De beoordeling
De beslissing
De kinderrechter zal de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling, dus tot 20 december 2026. Hierna legt de kinderrechter uit waarom zij deze beslissing neemt.
De toelichting
Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. Sinds 22 juni 2026 is [minderjarige] op een open groep van [Instelling] in [plaats] geplaatst. Hier gaat het goed met [minderjarige] en kan zij op termijn toewerken naar zelfstandigheid. In de beschikking van 10 december 2025 heeft de kinderrechter vanwege het herhaaldelijk weglopen van [minderjarige] een voorwaardelijke machtiging gesloten jeugdhulp verleend voor de duur van zes maanden. Ondanks de voorwaardelijke machtiging en de inzet van hulpverlening bleef [minderjarige] in de thuissituatie bij de moeder weglopen. Daarom is zij van 6 januari 2026 tot 20 juni 2026 gesloten geplaatst bij [Instelling] . Sinds haar plaatsing op de gesloten afdeling laat [minderjarige] een positieve ontwikkeling zien. Zo is zij nog maar twee keer weggelopen, houdt zij zich aan de afspraken en heeft zij goed contact met de groepsleiding en de andere jongeren van de groep. Verder laat zij ook op school een positieve ontwikkeling zien en is zij bezig met het zoeken van een baan. Volgens [Instelling] zijn er op dit moment geen gronden meer om [minderjarige] gesloten te plaatsen. De GI, de moeder en [minderjarige] zijn het erover eens dat het niet verstandig is als [minderjarige] weer bij de moeder gaat wonen, omdat zij bij eerdere thuisplaatsingen snel is teruggevallen in oude patronen van weglopen en risicovol gedrag. De kinderrechter vindt het belangrijk dat deze positieve lijn wordt voorgezet en acht de uithuisplaatsing in een open groep daarom noodzakelijk.
Uitvoerbaar bij voorraad
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6. De beslissing
De kinderrechter:
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 22 juli 2026 tot 20 december 2026;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 22 juli 2026 door mr.
mr. E.A.A. van Kalveen, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. E.J.W. van der Linden - van der Heide als griffier, en op schrift gesteld op 30 juli 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.