RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 11862576 \ UC EXPL 25-6996
Vonnis van 22 juli 2026 (bij vervroeging)
in de zaak van
1. [eiser sub 1] ,
2. [eiser sub 2],
3. [eiseres sub 3],
alle drie wonend in [woonplaats] ,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: eisers en afzonderlijk [eiser sub 1 (voornaam)] , [eiser sub 2 (voornaam)] en [eiseres sub 3 (voornaam)] ,
gemachtigde: mr. I. Lieberwerth,
tegen
[gedaagde] ,
in hoedanigheid van executeur van de nalatenschap van mevrouw [erflaatster] ,
wonend in [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: gedaagde,
procederend in persoon.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding, met producties 1 tot en met 10;- de conclusie van antwoord, met producties 1 tot en met 21;
- de brief van 3 september 2025 van gedaagde, met producties 14 en 19;
- de e-mailberichten van 6 november 2025 van gedaagde, met aanvullende producties 13 en 14;
- de e-mailberichten van 20 november 2025 van gedaagde, met aanvullende productie 11;- de brief van 10 maart 2026 waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald;
- het e-mailbericht van 18 juni 2026 van eisers, met productie 11;
- het e-mailbericht van 19 juni 2026 van gedaagde;
- het e-mailbericht van 27 juni 2026 van eisers, met productie 12;
- het e-mailbericht van 28 juni 2026 van gedaagde, met bijlage.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 29 juni 2026, waarbij eisers samen met hun advocaat en gedaagde aanwezig waren. Daarnaast waren mevrouw [A] (hierna: [A (voornaam)] ), de heer [B] (hierna: [B (voornamen)] ) en mevrouw [C] (hierna: [C (voornamen)] ) aanwezig als belangstellenden. Partijen hebben hun standpunten verder toegelicht en vragen beantwoord van de rechtbank. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat er is besproken.
Daarna is bepaald dat uitspraak zal worden gedaan.
2. Waar gaat de zaak over?
Op [2022] is overleden mevrouw [erflaatster] (hierna: erflaatster). Zij is de oma van eisers en de moeder van gedaagde.
Erflaatster was gehuwd met de heer [eiser sub 1] (hierna: opa). Uit het huwelijk van erflaatster en opa zijn vijf kinderen geboren: [D (voornaam)] (hierna: de vader van eisers), [A (voornaam)] , [gedaagde (voornaam)] (gedaagde), [B (voornamen)] en [C (voornamen)] . Opa is op [1999] overleden en de vader van eisers is op [2021] overleden.
Erflaatster heeft voor het laatst een testament opgemaakt op 13 oktober 2015. Zij heeft haar vier kinderen (waaronder gedaagde) voor één vijfde deel en eisers voor één vijftiende deel benoemd tot haar erfgenamen. Alle erfgenamen hebben de nalatenschap zuiver aanvaard. Erflaatster heeft [A (voornaam)] of, als zij niet kan of wil aanvaarden, gedaagde tot executeur aangewezen. [A (voornaam)] heeft de benoeming aanvaard. Nadat [A (voornaam)] haar taak als bewindvoerder had neergelegd, heeft gedaagde vanaf 30 juni 2025 de benoeming als executeur aanvaard.
Eisers hebben een (aanvullend) beroep gedaan op hun legitieme portie in de nalatenschap van erflaatster.
Eisers vorderen in deze procedure dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de erfgenamen veroordeelt om aan eisers binnen een week na betekening van dit vonnis een bedrag van € 8.266,81 per persoon te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 25 november 2022 tot aan de dag van algehele voldoening, met veroordeling van gedaagde in de proceskosten.
Gedaagde voert verweer. Zij stelt dat eisers naast gedaagde ook [A (voornaam)] , [B (voornamen)] en [C (voornamen)] hadden moeten dagvaarden. Verder stelt gedaagde dat de legitieme portie van eisers nog niet is vastgesteld, zodat de vordering nog niet opeisbaar is. Volgens gedaagde moet de vordering worden afgewezen.
Eisers krijgen grotendeels gelijk. De kantonrechter zal de legitieme portie van eisers gezamenlijk vaststellen op een bedrag van € 27.461,37. Na aftrek van een gift van € 1.000,00 en het bedrag van € 3.581,49, hebben eisers per persoon nog recht op een bedrag van € 7.626,63, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 3 juli 2025. Gedaagde zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Hierna zal de kantonrechter uitleggen waarom zij deze beslissingen neemt.
3. De beoordeling
Ontvankelijkheid
Eisers hebben gedaagde in haar hoedanigheid van executeur van de nalatenschap van erflaatster gedagvaard. Volgens gedaagde hadden eisers niet alleen haar, maar ook de erfgenamen [A (voornaam)] , [B (voornamen)] en [C (voornamen)] moeten dagvaarden.
De kantonrechter is het daar niet mee eens. Erflaatster heeft in haar testament [A (voornaam)] of, als zij niet kan of wil aanvaarden, gedaagde tot executeur aangewezen. Gedaagde heeft in haar e-mailbericht van 3 juli 2025 aan eisers bericht dat zij sinds 30 juni 2025 ‘formeel is aangesteld als executeur’. Omdat gedaagde haar benoeming als executeur heeft aanvaard, kan zij eisers niet tegenwerpen dat zij ook de andere erfgenamen hadden moeten dagvaarden. Uit de wet volgt immers dat vermelding van namen en woonplaatsen van de gezamenlijke erfgenamen achterwege kan blijven als de dagvaarding wordt betekend aan de executeur (artikel 53 van het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering (hierna: Rv)).
Legitieme portie
In deze zaak gaat het om de hoogte van de (aanvullende) aanspraak in geld die eisers als legitimaris hebben op de nalatenschap van erflaatster (artikel 4:63 jo. artikel 4:12 BW). De hoogte van deze aanspraak wordt aangeduid als ‘legitieme portie’.
De legitieme portie wordt berekend over de waarde van de goederen van de nalatenschap, die wordt vermeerderd met de in aanmerking te nemen giften en verminderd met bepaalde schulden (artikel 4:65 BW e.v.). Deze waarde wordt aangeduid als de ‘legitimaire massa’.
Tussen partijen is de omvang van de legitimaire massa in geschil (en dus ook de hoogte van de legitieme portie). Bij de beoordeling van de omvang van de legitimaire massa wordt als uitgangspunt genomen de berekening die eisers als productie 9 bij dagvaarding hebben overgelegd. Deze berekening is door ARAG namens de toenmalige executeur [A (voornaam)] opgesteld. Hoewel gedaagde aanvoert dat niet alle erven hebben ingestemd met deze berekening, is deze berekening door [A (voornaam)] op 9 december 2024 aan (de advocaat van) eisers gepresenteerd. [A (voornaam)] vertegenwoordigde als toenmalige executeur op dat moment alle erfgenamen. Daarnaast heeft gedaagde de berekening inhoudelijk niet betwist en heeft zij niet aangevoerd op welke punten de berekening onjuist zou zijn. Gelet hierop neemt de kantonrechter deze berekening als uitgangspunt.
De waarde van de nalatenschap
Partijen zijn het erover eens dat het totale saldo van de tot de nalatenschap behorende bankrekeningen € 25.823,59 bedraagt (€ 823,59 van ING [rekeningnummer 1 (laatste drie cijfers)] + € 25.000,00 van ING [rekeningnummer 2 (laatste drie cijfers)] ).
Eisers stellen dat de omvang van de legitimaire massa met diverse bedragen moet worden verhoogd. Dit wordt hieronder per bedrag afzonderlijk beoordeeld.
Inboedel van erflaatster
Eisers stellen dat de in de berekening opgenomen waarde van € 850,00 voor de inboedel van erflaatster te laag is. Volgens eisers had erflaatster op het moment van overlijden een vrijwel volledig nieuwe inboedel. Zij schatten de waarde van de inboedel op € 5.000,00.
Gedaagde voert aan dat na het overlijden van erflaatster de aanleunwoning van erflaatster binnen één maand ontruimd moest worden. Een deel van de inboedel is door de nieuwe bewoner overgenomen voor een bedrag van € 750,00. Het resterende deel van de inboedel is hergebruikt of weggegeven. Volgens gedaagde was de economische waarde van de inboedel niet (meer) hoog.
Vooropgesteld wordt dat het een feit van algemene bekendheid is dat de waarde van een inboedel die tweedehands verkocht wordt, erg daalt ten opzichte van de nieuwprijs van die inboedel. Tussen partijen is niet in geschil dat (een groot deel van) de inboedel van erflaatster enkele maanden voor haar overlijden nieuw aangeschaft is. Gelet hierop is de kantonrechter van oordeel dat de in de berekening opgenomen waarde van € 850,00 voor de inboedel van erflaatster te laag is. De kantonrechter zal de waarde van de inboedel van erflaatster in redelijkheid begroten op een bedrag van € 2.000,00. De kantonrechter merkt nog op dat het spijtig is dat eisers niet bij de verdeling van de inboedel van erflaatster zijn betrokken. Dit is kennelijk te wijten geweest aan verstoorde verhoudingen van partijen.
Sieraden van erflaatster
Eisers stellen dat in de berekening geen bedrag is opgenomen voor de sieraden van erflaatster. Eisers schatten de waarde van de sieraden op een bedrag van € 2.500,00.
Gedaagde betwist dat erflaatster sieraden van waarde heeft achtergelaten. Bovendien is na het overlijden van opa binnen de familie uitdrukkelijk afgesproken dat de sieraden van opa zouden worden verdeeld tussen de vader van eisers en [B (voornamen)] en dat de sieraden van erflaatster na haar overlijden verdeeld zouden worden tussen gedaagde, [A (voornaam)] en [C (voornamen)] .
De kantonrechter is van oordeel dat een kennelijk binnen de familie gemaakte afspraak over de verdeling van sieraden van erflaatster niet meebrengt dat de waarde van deze sieraden niet in de berekening van de legitieme moet worden betrokken. De kantonrechter zal de waarde van de sieraden van erflaatster in redelijkheid begroten op een bedrag van € 1.000,00. De waarde van de nalatenschap zal met dit bedrag worden verhoogd.
Tussenconclusie:
De totaalwaarde van de goederen van de nalatenschap kan daarmee als volgt worden bepaald op een bedrag van € 28.823,59:
ING [rekeningnummer 1 (laatste drie cijfers)] € 823,59
ING [rekeningnummer 2 (laatste drie cijfers)] € 25.000,00
Inboedel erflaatster € 2.000,00
Sieraden erflaatster € 1.000,00 +
SUBTOTAAL € 28.823,59
De schulden van de nalatenschap
De uitvaart- en notariskosten
Dat de waarde van de nalatenschap moet worden verminderd met een bedrag van € 10.371,56 aan uitvaart- en notariskosten, is tussen partijen niet in geschil. De kantonrechter zal dit bedrag meenemen bij de verdere beoordeling.
Dat brengt het zuivere saldo van de nalatenschap op € 18.452,03 (€ 28.823,59 minus € 10.371,56).
De voor de berekening van de legitimaire massa in aanmerking te nemen giften
Uit de berekening van ARAG , die namens de toenmalige executeur [A (voornaam)] is opgemaakt en door gedaagde niet inhoudelijk is betwist, volgt dat in de berekening van de legitimaire massa de volgende giften in aanmerking moeten worden genomen:
Schenking 22 december 2021 € 77.275,40
Schenking 27 december 2021 € 121.800,00
Schenking 28 december 2021 € 27.460,00
Schenking december 2021 aan elf kleinkinderen € 22.000,00 +
SUBTOTAAL € 248.535,40
Verder zijn de volgende ‘giften’ in geschil.
Factuur [naam 1]
Eisers stellen dat erflaatster een factuur van € 825,00 van [naam 1] betaald heeft voor de verhuizing van [C (voornamen)] en beschouwen dit als een in aanmerking te nemen gift.
Gedaagde betwist dat erflaatster deze betaling heeft gedaan voor [C (voornamen)] . Zij stelt dat deze factuur ziet op een tuinset die erflaatster bij [naam 2] heeft gekocht en door [naam 1] is afgeleverd. Betaling van de factuur heeft plaatsgevonden op het moment van aflevering. Ter onderbouwing van haar standpunt verwijst gedaagde naar (de aanvullende) productie 19 bij conclusie van antwoord.
Vast staat dat de factuur van [naam 2] geadresseerd is aan erflaatster en niet aan [C (voornamen)] . In het licht van de onderbouwde betwisting van gedaagde hebben eisers op geen enkele manier (nader) onderbouwd dat erflaatster de factuur van € 825,00 voor [C (voornamen)] heeft betaald. Dat sprake zou zijn van een gift aan [C (voornamen)] is dus niet vast komen staan. Dit bedrag zal niet worden meegenomen bij de vaststelling van de legitimaire massa.
Betaling [naam 3]
Eisers stellen dat erflaatster voor [C (voornamen)] een bedrag van € 475,00 heeft betaald aan [naam 3] .
Gedaagde voert aan dat [C (voornamen)] dit bedrag aan erflaatster heeft terugbetaald.
Omdat eisers op geen enkele wijze onderbouwd hebben dat het bedrag van € 475,00 een verkapte schenking is, zal dit bedrag niet worden meegenomen bij de vaststelling van de legitimaire massa.
Factuur van [naam 4]
Eisers stellen dat erflaatster voor [C (voornamen)] een factuur van € 3.025,00 van [naam 4] heeft voldaan.
Gedaagde voert aan dat [naam 4] geen echtscheidingsmediator maar een administratie- en boekhoudkantoor is. Het bedrag van € 3.025,00 betrof een zakelijke betaling van erflaatster voor administratieve diensten. [C (voornamen)] heeft hier niets mee te maken. Zij is nog steeds getrouwd.
De kantonrechter is van oordeel dat eisers op geen enkele wijze hebben onderbouwd dat het bedrag van € 3.025,00 een verkapte schenking aan [C (voornamen)] is geweest. Dit bedrag zal daarom niet worden meegenomen bij de vaststelling van de legitimaire massa.
Schenkingen aan kinderen op 31 december 2018
Eisers hebben gesteld dat erflaatster op 31 december 2018 aan ieder van haar vier kinderen een bedrag van € 1.000,00 heeft geschonken, in totaal € 4.000,00. Eisers stellen dat hun vader deze schenking niet heeft gekregen.
Gedaagde heeft erkend dat erflaatster op 31 december 2018 een schenking van in totaal € 4.000,00 heeft gedaan aan de vier kinderen. Maar zij voert aan dat aan de vader van eisers een bedrag van € 1.000,00 contant is geschonken, omdat hij in de schuldsanering zat. Het bedrag is overhandigd aan zijn vrouw. Ter onderbouwing van haar standpunt verwijst gedaagde naar productie 21 bij conclusie van antwoord, waaruit blijkt dat aan elk van de vier kinderen een bedrag van € 1.000,00 is overgemaakt en dat een bedrag van € 1.000,00 contant is opgenomen.
Tussen partijen is niet in geschil dat erflaatster € 4.000,00 aan haar kinderen heeft geschonken. De kantonrechter is van oordeel dat gedaagde onder verwijzing naar productie 21 bij conclusie van antwoord voldoende heeft onderbouwd dat aan de vader van eisers ook een bedrag van € 1.000,00 in contanten is geschonken. Dit betekent dat de legitimaire massa moet worden verhoogd met een bedrag van € 5.000,00.
Rente van 2 december 2020
Eisers stellen dat erflaatster op 2 december 2020 een bedrag van € 2.626,32 (viermaal € 656,58) aan de vier kinderen heeft geschonken.
Gedaagde voert aan dat het bedrag van € 2.626,32 geen schenking betrof, maar uitbetaling van rente.
De kantonrechter begrijpt uit de toelichting van gedaagde op zitting dat het bedrag van € 2.626,32 de uitkering van rente is van een zogenoemde ‘schenking op papier’, waarbij de schenking geregeld is via een notariële akte. Met eisers is de kantonrechter van oordeel dat de legitimaire massa met dit bedrag moet worden verhoogd. De grondslag voor de uitbetaling van de rente is namelijk een schenking aan de vier kinderen.
Schenkingen aan kleinkinderen op 29 december 2020
Eisers stellen dat erflater op 29 december 2020 een schenking van € 1.380,00 aan [E] (de echtgenoot van [A (voornaam)] ) heeft gedaan onder vermelding van ‘oud en nieuw fooi kids’.
Gedaagde heeft ter zitting toegelicht dat erflaatster met behulp van [A (voornaam)] aan elf van de veertien kleinkinderen een bedrag van € 125,00 heeft geschonken (11 x € 125 = € 1.380,00). De kantonrechter begrijpt dat [E] er vervolgens voor heeft gezorgd dat deze kleinkinderen ieder € 125,- kregen. Volgens gedaagde vallen deze schenkingen onder een kleine periodieke bijdrage die niet geldt als een inkortbare gift.
Artikel 4:69 lid 1 sub b BW bepaalt dat bij de berekening van de legitimaire massa geen rekening hoeft worden gehouden met gebruikelijke giften voor zover zij niet bovenmatig zijn. Onder gebruikelijk wordt verstaan wat gewoon, gangbaar is, zoals bijvoorbeeld giften voor een verjaardag, een huwelijk, Sinterklaas of Kerst. Onder niet bovenmatig wordt verstaan gering van omvang, waarbij omstandigheden zoals de financiële positie van de gever een zekere rol spelen. De kantonrechter is met gedaagde van oordeel dat, gelet op de schenktraditie van erflaatster, de giften met Oud en Nieuw aan de elf kleinkinderen als gebruikelijk kunnen worden aangemerkt. Een bedrag van € 125,00 per kleinkind kan niet bovenmatig genoemd worden. Dit betekent dat het totaalbedrag van € 1.380,00 niet zal worden meegenomen bij de omvang van de legitimaire massa. Hoewel de kantonrechter begrijpt dat het spijtig is dat eisers als kleinkinderen van erflaatster deze gift niet hebben ontvangen, maakt dat het oordeel niet anders.
Tussenconclusie
Uit het vorenstaande volgt dat, naast het door de gemachtigde van [A (voornaam)] al berekende bedrag van € 248.535,40, ook nog de volgende posten moeten worden betrokken bij de berekening van de legitimaire massa.
Schenking aan kinderen op 31 december 2018 € 5.000,00
Rente van 2 december 2020 € 2.626,32 +
SUBTOTAAL € 7.626,32
Dit brengt de totale legitimaire massa op (€ 18.452,03 + € 248.535,40 + € 7.626,32 =) € 274.613,75.
Het breukdeel van de legitieme portie van eisers gezamenlijk is 1/10 van de legitimaire massa: € 27.461,37 (1/10 x € 274.613,75).
Vervolgens dient te worden beoordeeld of er giften aan eisers of hun vader zijn gedaan die daarop in mindering strekken of dat er anderszins posten verrekend moeten worden.
Schenkingen van € 5.000,00 in contanten aan de vader van eisers in contanten
In de berekening (productie 9 bij dagvaarding) is een bedrag van € 5.000,00 opgenomen als schenkingen in contanten aan de vader van eisers ( [D (voornaam)] ). Omdat gedaagde deze schenkingen niet nader (met stukken) heeft onderbouwd en eisers deze schenkingen hebben betwist, is deze schenking niet vast komen staan en zal dit bedrag niet in mindering worden gebracht op de aanvullende legitieme.
Huur bedrijfspand door de vader van eisers
Gedaagde stelt dat de vader van eisers geen marktconforme huur aan erflaatster heeft betaald voor de huur van een schuur en ook perioden helemaal geen huur heeft betaald. Volgens gedaagde heeft erflaatster geprobeerd de huur te incasseren. Zij verwijst daartoe naar productie 12 bij conclusie van antwoord.
Eisers betwisten dat geen (marktconforme) huur is betaald en voeren aan dat hun vader de huur contant aan erflaatster heeft betaald.
Het is de kantonrechter niet helemaal duidelijk welke conclusie gedaagde aan deze beweerdelijke vordering van de nalatenschap op de vader van eisers verbindt voor de vordering van eisers. Voor zover gedaagde stelt dat zij deze schuld op de vordering van eisers in mindering zou willen brengen geldt dat daarvoor in ieder geval nodig is dat de gegrondheid van deze vordering op eenvoudige wijze is vast te stellen. Dat is niet het geval.
De standpunten van partijen over het al dan niet bestaan van een huurschuld staan immers lijnrecht tegenover elkaar. Omdat gedaagde zich op het bestaan van een schuld beroept had het op haar weg gelegen die schuld te onderbouwen met verifieerbare gegevens en op zijn minst inzichtelijk te maken hoe hoog die schuld dan zou zijn geweest. Nu zij dit heeft nagelaten kan niet als vaststaand worden aangenomen dat er een opeisbare huurschuld was. In de berekening van ARAG staat deze schuld ook niet vermeld als actief van de nalatenschap. Dat had wel gemoeten als gedaagde deze schuld met de legitieme had willen verrekenen.
Voor zover gedaagde deze schuld ziet als een (verkapte) schenking, die op de legitieme in mindering zou moeten worden gebracht, kan zij daarin niet worden gevolgd. Uit haar eigen stellingen volgt immers dat de huur niet is kwijtgescholden door erflaatster. Van een (verkapte) schenking aan de vader van eisers is dan ook geen sprake.
Wat wel in mindering dient te worden gebracht op het breukdeel van een/tiende van de legitimaire massa is het bedrag van € 1.000,00, omdat erflaatster dit bedrag in contanten aan de vader van eisers heeft geschonken (zie hiervoor in randnummer 3.29). Dit betekent dat de legitieme portie van eisers gezamenlijk € 26.461,37 bedraagt (€ 27.461,37 minus € 1.000,00).
Eisers hebben al een bedrag van € 3.581,49 ontvangen (€ 1.193,83 per persoon). Dit betekent dat eisers gezamenlijk nog recht hebben op een aanvullend bedrag van € 22.879,89 (€ 26.461,37 minus € 3.581,49) en per persoon op € 7.626,63.
De kantonrechter zal gedaagde (in haar hoedanigheid van executeur) veroordelen om aan [eiser sub 1 (voornaam)] , [eiser sub 2 (voornaam)] en [eiseres sub 3 (voornaam)] ieder een bedrag van € 7.626,63 te betalen.
Wettelijke rente
Eisers maken aanspraak op vergoeding van de wettelijke rente over de hoofdsom zoals genoemd in artikel 6:119 BW. Wettelijke rente is pas verschuldigd vanaf het moment van verzuim. Het verzuim treedt in als de schuldenaar in gebreke wordt gesteld door een schriftelijke aanmaning (ingebrekestelling) waarbij een redelijke termijn voor de nakoming wordt gesteld, en nakoming binnen deze termijn uitblijft (artikel 6:82 BW). Vast staat dat eisers gedaagde geen ingebrekestelling hebben gestuurd. In artikel 6:83 sub c BW staat dat verzuim ook kan intreden zonder ingebrekestelling als de schuldeiser (eisers) uit een mededeling van de schuldenaar (gedaagde) moeten afleiden dat zij in de nakoming van de verbintenis zal tekortschieten. De kantonrechter is van oordeel dat eisers uit de e-mail van gedaagde van 3 juli 2025 (productie 10 bij dagvaarding) mochten afleiden dat het versturen van een ingebrekestelling geen zin zou hebben, omdat gedaagde pas wilde gaan betalen als de hoogte van de legitieme portie duidelijk zou zijn. De kantonrechter is daarom van oordeel dat wettelijke rente verschuldigd zal zijn vanaf die datum, dus 3 juli 2025.
Proceskosten
Gedaagde is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Gedaagde heeft tijdens de zitting erkend dat zij wilde dat de hoogte van de legitieme portie door de kantonrechter zou worden vastgesteld. Ze had er geen vertrouwen in om samen met eisers tot een oplossing te komen. Dit heeft er wel toe geleid dat eisers hoge (advocaat)kosten hebben moeten maken. Ook om die reden is de kantonrechter van oordeel dat gedaagde de proceskosten moet betalen. Gedaagde hoeft de kosten van het herstelexploot echter niet te betalen. Deze kosten komen voor rekening en risico van eisers.
De proceskosten van eisers worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
144,47
- griffierecht
€
90,00
- salaris gemachtigde
€
1.114,00
(2 punten × € 577,00)
- nakosten
€
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.492,47
4. De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt gedaagde om aan [eiser sub 1 (voornaam)] , [eiser sub 2 (voornaam)] en [eiseres sub 3 (voornaam)] te betalen € 7.626,63 per persoon, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag vanaf 3 juli 2025 tot aan de dag van algehele voldoening, binnen één week na betekening van dit vonnis,
veroordeelt gedaagde in de proceskosten van € 1.492,47, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als gedaagde niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.A.A.T. Engbers en in het openbaar uitgesproken op
22 juli 2026.