ECLI:NL:RBMNE:2026:5718

ECLI:NL:RBMNE:2026:5718

Instantie Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak 25-08-2026
Datum publicatie 20-08-2026
Zaaknummer UTR 25/4943, UTR 25/6673, UTR 25/6715, UTR 25/6774, UTR 25/6781, UTR 25/6783, UTR 25/6807 en UTR 25/6856
Rechtsgebied Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

Deze uitspraak gaat over de beroepen tegen de verleende omgevingsvergunning voor de aanleg van vier padelbanen aan de Burgemeester van der Borchlaan 11 in Bilthoven. De rechtbank komt tot het oordeel dat het college terecht heeft geconcludeerd dat sprake is van een gebonden beschikking. Het college heeft de omgevingsvergunning verleend zonder voorschriften ter beperking van de geluidseffecten van het gebruik van de padelbanen op de directe omgeving op te nemen. Om die reden is naar het oordeel van de rechtbank in dit specifieke geval sprake van een uitkomst die in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. De rechtbank verklaart daarom het beroep gegrond en zal het besluit vernietigen.

Uitspraak

[eiser 1] , uit [woonplaats] , eiser – tevens als gemachtigde van:

[eiseres 1] , uit [woonplaats] , eiseres

[eiser 2] , uit [woonplaats] , eiser

[eiseres 2] , uit [woonplaats] , eiseres in het beroep met zaaknummer UTR 25/4943,

[eiser 3] , uit [woonplaats] , eiseres in het beroep met zaaknummer UTR 25/6673(gemachtigde: mr. R. Oosterbroek),

[eiser 4] , uit [woonplaats] , eiser in het beroep met zaaknummer UTR 25/6715

(gemachtigde: mr. E.H.M. Teeuw),

[eiser 5] , uit [woonplaats] , eiser – tevens als gemachtigde van:

[eiser 6]

[eiser 7]

[eiser 8]

[eiser 9]

[eiseres 3]

[eiser 10]

[eiser 11]

[eiser 12]

[eiser 13]

[eiser 14]

[eiser 15]

[eiser 16]

[eiser 17]

[eiser 18]

[eiser 19]

[eiser 20]

in het beroep met zaaknummer UTR 25/6774,

[eiser 21] , uit [woonplaats] , eiser in het beroep met zaaknummer UTR 25/6781

[eiser 22] , uit [woonplaats] ,

[eiser 23] , uit [woonplaats] , eisers in het beroep met zaaknummer UTR 25/6783,

(gemachtigde: mr. L. Gijsen)

Vrienden van de Biltse Duinen, gevestigd in Bilthoven, eiseres in het beroep met zaaknummer UTR 25/6807,

Green Spirit B.V., gevestigd in Bilthoven, eiseres in het beroep met zaaknummer UTR 25/6856(gemachtigde: mr. E.J.H. Plambeck)

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente De Bilt (het college), verweerder

(gemachtigde: M. de Jong).

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: TC Bilthoven uit Bilthoven (vergunninghouder).

Samenvatting

4. Eisers zijn chaleteigenaren, wiens chalets zich bevinden op het naburige ‘ [naam] ’, de exploitant van het ‘ [naam] ’ en een vereniging die zich inzet voor het behoud van de landschaps- en natuurwaarden van het natuurgebied ‘de Biltse Duinen’, waarbinnen de locatie ligt. Zij hebben allen bezwaar gemaakt tegen de verleende omgevingsvergunning.

5. Het college heeft met de beslissing op bezwaar van 14 oktober 2025 (het bestreden besluit) de omgevingsvergunning in stand gelaten onder aanvulling van de motivering. Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft een verweerschrift ingediend, waar eisers aanvullend op gereageerd hebben.

6. De rechtbank heeft het beroep op 2 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eiser 1] , [eiser 3] , bijgestaan door mr. R. Oosterbroek, mr. E.H.M. Teeuw als vertegenwoordiger van [eiser 4] , vergezeld door deskundige [A] , [eiser 5] , [eiser 21] , [B] ( […] Vrienden van de Biltse Duinen), [C] ( […] Vrienden van de Biltse Duinen), [D] (namens Green Spirit B.V.) en mr. R. van Binsbergen (als waarnemer voor mr. E.J.H. Plambeck). Verder zijn verschenen de gemachtigde van het college, vergezeld door mr. [E] , en namens de vergunninghouder [F] ( […] tennisclub), vergezeld door [G] (padelcommissie). [eiser 22] , [eiser 23] en hun gemachtigde: mr. L. Gijsen zijn met voorafgaand bericht niet verschenen.

Beoordeling van de rechtbank

Het beroep niet tijdig van [eiser 1]

7. De rechtbank stelt vast dat het college met het bestreden besluit van 14 oktober 2025 alsnog heeft beslist op het bezwaar van [eiser 1] , [eiseres 1] , [eiser 2] en [eiseres 2] (ingediend door [eiser 1] ). Eisers wilden met hun beroep bereiken dat het college een besluit nam op hun bezwaar. Omdat het college dat heeft gedaan, hebben eisers met hun beroep bereikt wat zij daarmee beoogden te bereiken. Dat betekent dat eisers geen (proces)belang meer hebben bij een uitspraak op hun beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit. De rechtbank zal daarom het beroep van eisers tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk verklaren.

Ingetrokken beroepsgronden

8. Het college heeft het bezwaar van [eiser 1] en [eiseres 1] niet-ontvankelijk verklaard, omdat zij niet als belanghebbende aangemerkt konden worden. [eiser 1] en [eiseres 1] zijn tegen deze beslissing in beroep gegaan, maar hebben hun beroep tijdens de zitting ingetrokken. De rechtbank zal het beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring van [eiser 1] en [eiseres 1] daarom niet meer bespreken in haar uitspraak.

9. [eiser 5] heeft voor zichzelf beroep ingesteld en namens 16 andere chaleteigenaren. Tijdens de zitting is besproken dat de identiteit van deze 16 andere chaleteigenaren bij de rechtbank bekend is geworden nadat de beroepstermijn is verstreken. [eiser 5] heeft tijdens de zitting aangevoerd dat het door hem ingediende beroepsschrift niet langer tevens namens de 16 andere chaleteigenaren geldt. De rechtbank bevestigt hierbij de intrekking van het beroep namens de andere chaleteigenaren.

10. Green Spirit B.V. heeft de beroepsgrond dat ook een omgevingsvergunning nodig is voor het aanbrengen van oppervlakteverhardingen groter dan 100 m2, ter zitting ingetrokken. De rechtbank zal deze beroepsgrond daarom ook niet meer bespreken in haar uitspraak.

Het toetsingskader

11. Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet (Ow) in werking getreden. Met de inwerkingtreding van deze wet heeft elke gemeente direct een omgevingsplan van rechtswege dat regels geeft over de fysieke leefomgeving voor het gehele grondgebied van de gemeente. Voor de locatie geldt het “Omgevingsplan gemeente De Bilt” (Omgevingsplan). Dat Omgevingsplan bestaat onder meer uit een tijdelijk deel: de voorheen vastgestelde bestemmingsplannen en de omgevingsplanregels van rechtswege (de bruidsschat). Op grond van de bruidsschat zijn voor de locatie – voor zover in deze zaak van belang – de bestemmingsplannen “Buitengebied De Bilt Noord-Oost” en “Buitengebied De Bilt Noord-Oost, 1e herziening” van toepassing. Op grond van deze regels rust op de locatie de bestemming “Sport”. Hiernaast gelden op de locatie ook de dubbelbestemming “Waarde-Archeologie 3” en de gebiedsaanduiding “Landschapsmonument”.

12. Artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Ow bepaalt dat het verboden is om zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten. Een omgevingsplanactiviteit is – voor zover hier van belang – een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het verboden is deze zonder omgevingsvergunning te verrichten en die wel of niet in strijd is met het omgevingsplan. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn de beoordelingsregels opgenomen voor een aanvraag om een omgevingsplanactiviteit. In artikel 8.0a, eerste lid, van het Bkl staat dat de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit wordt verleend als de activiteit niet in strijd is met de regels die in het omgevingsplan zijn gesteld over het verlenen van de omgevingsvergunning. In dat geval is sprake van een gebonden beschikking. Dat betekent dat het college dan gehouden is de omgevingsvergunning te verlenen.

Grondslag van het besluit

13. Volgens het college is sprake van een gebonden beschikking. Daartoe overweegt het college dat het bouwplan past binnen het Omgevingsplan en voldoet aan de redelijke eisen van welstand. De maximale bouwhoogte uit het Omgevingsplan wordt volgens het college niet overschreden. Uit het verkeersdeskundig advies van 2 oktober 2025 volgt voorts dat aan de parkeernorm wordt voldaan. Met betrekking tot de kap van twee bomen heeft het college zich op het standpunt gesteld dat de economische belangen van de vergunninghouder zwaarder wegen, mede gelet op het feit dat door de beperkte kap van 2 bomen het groen niet wordt aangetast. Uit de gecombineerde adviezen ruimtelijke kwaliteit en monumenten volgt dat het planvoorstel past binnen de te beschermen monumentale waarden van het gemeentelijk landschapsmonument Biltse Duinen. Daarom heeft het college de omgevingsvergunning verleend om op of in de gronden ter plaatse van de aanduiding “Landschapsmonument” en “Waarde-Archeologie 3” werkzaamheden uit te voeren, zoals bedoeld in artikel 27.4.2 onder 1, 5, en 7 van het bestemmingsplan Buitengebied De Bilt Noord-Oost, 1e herziening. Volgens het college is ten aanzien van deze onderwerpen sprake van een gebonden beschikking. Eisers zijn het hiermee niet eens. De rechtbank bespreekt de beroepsgronden die eisers hierover hebben aangevoerd.

Beoordeling van de beroepsgronden van eisers met betrekking tot de vraag of sprake is van een gebonden beschikking De hoogte van het bouwwerk – het peil

14. Eisers voeren aan dat de glazen wanden van de padelbanen de maximale bouwhoogte overschrijden. De glazen wanden worden namelijk 4 meter hoog. Volgens de planregels geldt een maximale bouwhoogte van 3 meter, gemeten vanaf het peil. Het college had het peil moeten aannemen op +4.30 NAP en niet op +5.30 NAP. De padelbanen, die worden voorzien van glazen wanden, worden namelijk geplaatst op +4.30 NAP. De glazen wanden geven toegang tot de padelbanen en die vormen dus de hoofdtoegang tot de bouwwerken. Als het peil op +5.30 NAP wordt aangenomen, terwijl de padelbanen (met glazen wanden) zelf op +4.30 NAP worden geplaatst, wordt de overschrijding van de bouwhoogte feitelijk gemaskeerd door de padelbanen kunstmatig verlaagd aan te leggen en dit mag niet op grond van vaste rechtspraak, zo stellen eisers.

15. De rechtbank stelt vast dat tijdens de zitting onweersproken is komen vast te staan dat de padelbanen op de plek komen waar nu tennisbaan 5 ligt. Deze tennisbaan ligt in een kuil en deze kuil is te bereiken via een trap naar beneden die tot deze tennisbaan leidt. Het college heeft in dit geval het peil vastgesteld op +5.30 NAP, dit is plaats bovenaan de trap die leidt tot de kuil waar momenteel tennisbaan 5 ligt en waar de beoogde vier padelbanen komen.

16. De rechtbank stelt voorts vast dat de glazen wanden (een bouwwerk, geen gebouw zijnde) een bouwhoogte van maximaal 3 meter hoog mogen hebben op grond van de planregels. De hoogte wordt gemeten vanaf het peil. Het peil is in dit geval, voor een bouwwerk waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst, de hoogte van het aansluitende afgewerkte bouwperceel (een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten) ter plaatse van die hoofdtoegang. De rechtbank ziet de vier beoogde padelbanen als één bouwwerk en niet als vier losse bouwwerken. De vier padelbanen komen namelijk op één betonnen vloer en op deze betonnen vloer komen de glazen wanden. De vier padelbanen vormen daarom samen één “constructie van enige omvang”. Volgens het college vormt de trap de enige toegang tot dit bouwwerk en daarom heeft het college het peil aangenomen op de plek bovenaan de trap, te weten de hoofdtoegang. Uit vaste rechtspraak volgt dat de rechtbank moet toetsen of de wijze waarop het college het peil heeft bepaald in strijd is met de planvoorschriften of niet. Als blijkt dat een andere keuze ook verdedigbaar was geweest, is dit onvoldoende om te oordelen dat hierdoor de keuze van het college onjuist is. De rechtbank kan de keuze van het college volgen om het peil aan te nemen op de plek bovenaan de trap die toegang geeft tot de beoogde padelbanen. De door eisers aangevoerde uitspraken zien op het ophogen of verlagen van de grond voordat het peil is vastgesteld. Daar is in dit geval geen sprake van. Het peil is bepaald bovenaan de trap op de plaats van de bestaande en beoogde hoofdtoegang en het peil wijzigt niet. Eisers voeren ook nog aan dat de fundering ten onrechte niet wordt meegenomen bij het vaststellen van de bouwhoogte, maar volgens het bestemmingsplan moet er worden gemeten vanaf het peil, waardoor de fundering van de padelbanen niet relevant is voor het bepalen van de bouwhoogte. Onweersproken is dat plek bovenaan de trap op +5.30 NAP ligt en dat volgens de planregels een maximale bouwhoogte van 3 meter geldt, gemeten vanaf het peil. Dit brengt mee dat de glazen wanden niet hoger mogen worden dan +8.30 NAP. De glazen wanden worden geplaatst op +4.30 NAP en worden 4 meter hoog, zodat deze de maximale bouwhoogte van +8.30 NAP niet overschrijden. De beroepsgronden slagen niet.

Parkeren

17. Eisers voeren aan dat het college onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt waarom de gehanteerde parkeernorm voor de padelbanen toereikend is. Volgens eisers is geen rekening gehouden met de horeca, de toernooien en met de bereikbaarheid voor hulpdiensten. Het door het college uitgevoerde onderzoek is naar eisers mening onvoldoende representatief. Daarnaast is ook niet inzichtelijk gemaakt dat de benodigde parkeerplaatsen ook daadwerkelijk beschikbaar zijn. Het college heeft enkel een inschatting gemaakt zonder markering of capaciteitstoets, zo stellen eisers.

18. Uit de regels van het Omgevingsplan volgt dat gronden zoals aangewezen in de verschillende bestemmingen slechts mogen worden bebouwd onder de voorwaarde dat op eigen terrein voldoende parkeergelegenheid wordt gerealiseerd en in stand wordt gehouden. Of sprake is van voldoende parkeergelegenheid moet worden bepaald aan de hand van de het Gemeentelijk Verkeer- en Vervoersplan van de gemeente De Bilt (GVVP), waarin het gemeentelijke parkeerbeleid is neergelegd.

19. De rechtbank is van oordeel dat het college met de gehanteerde parkeernorm en de toelichting die daarop is gegeven voldoende deugdelijk heeft gemotiveerd dat er voldoende parkeergelegenheid is. Het college heeft een verkeerskundig advies in de beoordeling betrokken waarin uiteen is gezet dat op grond van het parkeerbeleid aangesloten wordt bij de CROW-normen. Omdat er geen CROW-parkeernormen voor specifiek buitentennis- en padelbanen zijn, heeft het college aangesloten bij hetgeen andere gemeenten hanteren voor buiten tennis- en padelbanen, te weten: 2,5 parkeerplaats per tennisbaan. Er staan namelijk minimaal 2 spelers op een baan, maar soms ook 4 spelers. Padel wordt altijd met 4 spelers gespeeld. Omdat bij de tennisbanen al is uitgegaan van de situatie dat soms met 4 spelers wordt gespeeld, is een verdubbeling van de tennisnorm van 2,5 niet waarschijnlijk, mede omdat men ook met elkaar meerijdt. Het college rekent daarom met een parkeernorm van 3,75 parkeerplaats per baan (= 1,5 x de norm voor een tennisbaan). Er wordt 1 tennisbaan waar maximaal 4 spelers op kunnen getransformeerd naar 4 padelbanen, waar totaal 16 spelers op kunnen spelen. In de nieuwe situatie zullen er 9 tennisbanen zijn en 4 padelbanen. Dit komt neer op 38 benodigde parkeerplaatsen. Er zijn er momenteel 40, dus wordt voldaan aan de parkeernorm van 3,75. Naar het oordeel van de rechtbank hebben eisers geen concrete aanknopingspunten naar voren gebracht voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de daarin gevolgde redenering of de aansluiting van de conclusies daarop. Eisers hebben bovendien geen deskundig tegenonderzoek laten verrichten. Er bestaat tegen die achtergrond ook geen aanleiding om aan te nemen dat de ontwikkeling problemen zal veroorzaken ten aanzien van de bereikbaarheid voor hulpdiensten.

20. Ten aanzien van de horeca is de rechtbank van oordeel dat het college kan worden gevolgd in het standpunt dat de aanwezigheid van deze horeca geen invloed heeft op de parkeernorm. Het college heeft toegelicht dat de horeca onzelfstandige horeca betreft, namelijk enkel ter ondersteuning van het sportcomplex. De bezoekers van de horeca zijn tevens de bezoekers van de tennis- en padelbanen en deze parkeerbehoefte zit al verdisconteerd in de parkeernorm voor de tennis- en padelbaan. De aanwezigheid van de horeca leidt daarom niet tot een hogere parkeernorm.

21. Voor wat betreft de toernooien is het college ervan uitgegaan dat deze weinig voorkomen en als incidenteel beschouwd moeten worden. Dat is voor het college de reden geweest om toernooien niet apart mee te nemen in de parkeernorm. De rechtbank stelt aan de hand van de toelichting van vergunninghouder op de zitting vast dat een padeltoernooi incidenteel, dat wil zeggen een of tweemalig per jaar, zal plaatsvinden. Vergunninghouder heeft verder toegelicht dat het een kleine padelbaan betreft waarbij een open toernooi niet aan de orde zal zijn. Indien er een toernooi zal worden georganiseerd, is dat hoogstwaarschijnlijk enkel voor leden. De rechtbank is met het college van oordeel dat hiermee aannemelijk is dat ten aanzien van toernooien geen extra parkeerdruk zal worden verwacht, zodat dit niet meegenomen had moeten worden in de parkeernorm. De beroepsgronden slagen niet.

Kappen van bomen

22. Eisers voeren aan dat van een concrete, op de individuele bomen toegesneden afweging - waarin onder meer gezondheid, levensverwachting, ecologische en landschappelijke waarde en mogelijke alternatieven worden betrokken - geen sprake is. Hierdoor handelt het college in strijd met het kapbeleid en artikel 3:4 Awb.

23. Op grond van artikel 22.8 van de Ow in samenhang met artikel 4:11 van de Algemene plaatselijke verordening De Bilt 2024 is voor het kappen van bomen een omgevingsvergunning vereist. Bij de inhoudelijke beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het kappen van bomen weegt het college het belang tot het kappen van de houtopstand af tegen het belang tot behoud van deze houtopstand.

24. De rechtbank stelt vast dat bij de aanvraag voor een omgevingsvergunning een boom-effecten rapportage van 6 maart 2024 is ingediend. Hierin staat beschreven welke effecten de ruimtelijke ontwikkeling op de bomen heeft, welke conditie en toekomstverwachting de bomen hebben, welke alternatieven er zijn voor het behoud van de bomen, welke specifieke maatregelen getroffen dienen te worden en op welke wijze compensatie nodig is als kap onvermijdelijk blijkt te zijn. Eiseres hebben geen tegenrapport ingediend. Naar het oordeel van de rechtbank is met de boom-effecten rapportage van 6 maart 2024 voldoende onderbouwd dat een op de individuele bomen toegesneden afweging is gemaakt. De beroepsgrond slaagt niet.

Aanlegvergunning en het landschapsmonument

25. Eisers voeren aan dat het landschapsmonument wordt aangetast door de komst van de padelbanen vanwege de te verwachten geluidsoverlast en toename aan verkeersbewegingen. Daarnaast heeft het college een onjuiste beschermingsregime op het landschapsmonument toegepast. De rust, natuurbeleving en het recreatieve karakter zijn niet (kenbaar) bij de besluitvorming betrokken, terwijl dit natuurwaarden zijn die beschermd moeten worden. Bovendien verwachten eisers negatieve effecten op de fauna, doordat vogels tegen glazen wanden vliegen. Verder voeren eisers aan dat het onbegrijpelijk is dat de Biltse Duinen niet zijn aangewezen met het oog op de bescherming van recreatieve waarden. Zij verwijzen hiervoor naar rechtspraak.

26. De rechtbank stelt voorop dat op de locatie de gebiedsaanduiding “Landschapsmonument” rust en dat gronden met deze gebiedsaanduiding in het bijzonder bestemd zijn voor het behoud, de bescherming en ontwikkeling van het natuurgebied De Biltse Duinen. De Biltse Duinen bestaan uit samenhangende karakteristieke onderdelen met grote wetenschappelijk en cultuurhistorisch landschappelijke en natuurlijke waarden, waaronder begrepen aardkundige waarden. Deze zijn te typeren als: a) De Pan, zijnde een vlak terrein met een relatief hoge grondwaterstand dat reeds lang ontgonnen is door landbouwkundig gebruik; b) stuifduinen/stuifwal, zijnde een reliëfrijk terrein met opgestoven en vastgelegd zand in de vorm van een veelvoud aan kleine heuvels, beplant met grove den en klein gedrongen eiken; c) stuifzandgebied, zijnde een open gebied van niet begroeid zand, welke zijn omringd met bossen met grillig gevormde bosranden; d) half- en onverharde paden, ter plaatse van de aanduiding 'pad'; e) een overwegend oost-west gericht wandelpadenstructuur. Vanwege de bijzondere gebiedsaanduiding is het verboden om zonder omgevingsvergunning bepaalde werkzaamheden uit te voeren op of in de grond. De omgevingsvergunning mag alleen worden verleend als geen blijvend onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de waarden en/of functies die het plan beoogt te beschermen, tenzij hieraan door het stellen van voorwaarden voldoende tegemoet kan worden gekomen. Verder is het verboden om zonder omgevingsvergunning het landschapsmonument te wijzigen. De omgevingsvergunning voor het wijzigen wordt kan slechts worden verleend indien het belang van de monumentenzorg zich daartegen niet verzet.

27. De rechtbank stelt verder voorop dat uit het toetsingskader bij de monumentenbeoordeling, te weten: het “Gemeentelijk Landschapsmonument De Biltse Duinen" volgt dat De Biltse Duinen vanwege zijn beeldkwaliteit, de onderlinge ruimtelijke en structurele samenhang, haar wetenschappelijke en cultuurhistorische en landschappelijke waarden en haar uniciteit van algemeen belang is. Het historische karakter van de De Biltse Duinen bestaat vooral uit het zichtbare resultaat van een combinatie van culturele en klimatologische ontwikkelingen.

28. De rechtbank stelt vast dat het college een omgevingsvergunning heeft verleend voor het verlagen, vergraven, ophogen of egaliseren van de bodem, het kappen van bomen en het aanleggen, verbreden en verharden van wegen, paden en parkeergelegenheden, alsmede het aanbrengen van oppervlakteverhardingen. Het college is bij het verlenen van de omgevingsvergunning afgegaan op de gecombineerde adviezen ruimtelijke kwaliteit en monumenten van Mooisticht van 17 mei 2024 en 11 oktober 2024 (de adviezen). Uit de adviezen volgt dat het planvoorstel past binnen de te beschermen monumentale waarden van het gemeentelijk landschapsmonument Biltse Duinen. Het plan voldoet ook aan de gemeentelijke beleidsregels over het uiterlijk van bouwwerken en erfgoedaspecten. Bij de bescherming van het gemeentelijk Landschapsmonument gaat het over het beschermen van de visueel waarneembare historische landschapskarakteristieken. Geluid maakt geen onderdeel uit van het toetsingskader bij de monumentenbeoordeling, aldus de adviezen.

29. De rechtbank overweegt dat uit het toetsingskader volgt dat de natuurwaarden zien op het ontstaan van de verschillende gebieden en hoe deze gebieden eruitzien. Het gaat om de visueel waarneembare aspecten van het gebied. Stilte, rust en andere geluidsaspecten vallen hier niet onder, ook niet indirect. Recreatieve aspecten en verkeersbewegingen zijn evenmin onderdeel van het toetsingskader. Aspecten van geluid en het verstoren van de natuur zouden eventueel een rol kunnen spelen bij omgevingsvergunning voor een flora en fauna activiteit, maar die vergunning ligt hier niet voor. Gelet op het toetsingskader kan de rechtbank de gecombineerde adviezen ruimtelijke kwaliteit en monumenten van Mooisticht van 17 mei 2024 en 11 oktober 2024 volgen. Eisers hebben ook geen tegenadvies ingediend, waardoor naar het oordeel van de rechtbank het college mocht afgaan op de adviezen van Mooisticht. De beroepsgronden slagen niet.

Tussenconclusie

30. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat de aangevraagde activiteit niet in strijd is met de regels in het omgevingsplan over het verlenen van de omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit bouwen (ruimtelijk deel), noch met de regels in het tijdelijk deel van het omgevingsplan over bouwen en gebruik, parkeren, of het wijzigen van een gemeentelijk aangelegd landschapsmonument (De Biltse Duinen) dan wel het uitvoeren van een werk, geen gebouw zijnde terwijl er een gebiedsaanduiding waarde archeologie 3 en landschapsmonument geldt waaronder ook valt het kappen van bomen zonder beheerplan. Daarmee is blijkens artikel 8.0a lid 1 van het Bkl sprake van een gebonden beschikking, zodat de aangevraagde omgevingsvergunning op grond van die bepaling moet worden verleend. Over de technische bouwactiviteit (Besluit bouwwerken leefomgeving) zijn geen gronden aangevoerd, zodat de rechtbank daar geen oordeel over zal geven.

Overige beroepsgronden; Evenredigheidstoets

31. Eisers voeren aan dat het college ook bij een gebonden beschikking verplicht is tot een belangenafweging. Zij verwijzen naar rechtspraak. De nadelige gevolgen van de vergunning voor de chaleteigenaren, namelijk de ernstige geluidsoverlast, aantasting van het woongenot, extra verkeersbewegingen, extra parkeerdruk direct langs chalets en waardedaling van eigendom, zijn onevenredig in verhouding tot het commerciële belang van de tennisclub. De locatie, ingeklemd tussen een recreatiepark en een beschermd natuurgebied, is evident ongeschikt. De keuze om op deze minst geschikte locatie de vergunning te verlenen zonder enige vorm van mitigerende maatregelen, zoals een geluidswal of beperkte openingstijden, getuigt van een schending van het evenredigheidsbeginsel.

32. Het college stelt dat een evenredigheidstoets alleen plaatsvindt voor zover niet uit een wettelijk voorschrift of uit de aard van de uit te oefenen bevoegdheid een beperking voortvloeit. In dit geval is sprake van een beperking op grond van een wettelijk voorschrift, zodat niet aan evenredigheidsbeginsel kan worden getoetst.

33. De rechtbank stelt voorop dat in dit geval sprake is van een gebonden beschikking, voorzover die ziet op omgevingsplanactiviteiten. Het college verleent de omgevingsvergunning als de omgevingsplanactiviteit niet in strijd is met de regels die in het omgevingsplan zijn gesteld over het verlenen van de omgevingsvergunning. Dit volgt uit artikel 8.0a van Bkl. Het Bkl is geen wet in formele zin, maar een algemeen verbindend voorschrift. Uit de uitspraak van de Grote Kamer van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) van 26 maart 2024 volgt dat, wanneer het zoals hier gaat om een gebonden besluit dat is gebaseerd op een algemeen verbindend voorschrift, bijzondere omstandigheden kunnen maken dat toepassing van de regelgeving in het voorliggende geval zozeer in strijd komt met het evenredigheidsbeginsel dat die toepassing achterwege moet blijven. Dit betekent dat uiteindelijk (‘onder de streep’) moet worden beoordeeld of er bijzondere omstandigheden zijn die maken dat toepassing van het algemeen verbindende voorschrift in het voorliggende geval tot een onevenredige uitkomst zou leiden. Daarbij gaat het dan alleen nog om de evenwichtigheid (evenredigheid in strikte zin). Een besluit is onevenwichtig als het in de gegeven omstandigheden voor een of meer belanghebbende(n) onredelijk bezwarend is.

34. De rechtbank stelt vast dat het college in dit geval geen enkel voorschrift aan de omgevingsvergunning heeft verbonden. Er zijn geen maatregelen opgenomen ter beperking van de geluidseffecten van het gebruik van de padelbanen op de directe omgeving, zoals bijvoorbeeld een verplichting tot het plaatsen van geluidswerende schermen of een beperking in speeltijden.

35. De rechtbank overweegt dat op de locatie de bestemming “Sport” rust. Op grond van vaste rechtspraak kan geconcludeerd worden dat padelbanen niet in strijd zijn met de bestemming “Sport”. In het bestemmingsplan zijn de, ook binnen de bestemming “Sport” gelegen golfbaan, ijsbaan en manege specifiek aangeduid. Uit de plantoelichting volgt dat een uitwisseling van deze functies vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening niet gewenst is. Dergelijke functieveranderingen zijn in het kwetsbare natuurgebied alleen aan de orde op basis van een gedegen ruimtelijke onderbouwing. Dit geldt ook voor een uitbreiding van de bovengenoemde functies, gelet op de natuurwaarden in het gebied, met uitzondering van een enkele specifieke situatie. De rechtbank leidt uit deze systematiek van de planregels af dat bij de totstandkoming van het bestemmingsplan bijzondere aandacht is geweest voor het bijzondere karakter van het nabijgelegen natuurgebied De Biltse Duinen. Het bestemmingsplan is onherroepelijk sinds 13 mei 2015. Padel werd toen in Nederland niet (zoveel) gespeeld. In het bestemmingsplan is dan ook niet expliciet rekening gehouden met padel. Het is echter een feit van algemene bekendheid dat geluid bij het gebruik van padelbanen harder is dan bij het gebruik van tennisbanen. Eisers hebben daarnaast tijdens de zitting onweersproken aangevoerd dat zij 10 maanden per jaar gebruik mogen maken van hun recreatiewoning op het naastgelegen [naam] en velen doen dit ook. Zij vinden dat het gebruik daarmee zeer vergelijkbaar is met permanente woningen, die wel als geluidsgevoelig object zijn aangemerkt. Het [naam] grenst aan het natuurgebied De Biltse Duinen, een rustige omgeving. Veel recreatiewoningen staan zeer dichtbij de beoogde padelbanen. Onweersproken is vast komen te staan dat in ieder geval één eiser vanaf zijn recreatiewoning zicht zal hebben op de beoogde padelbanen. Recreatiewoningen vallen weliswaar niet onder de zogenaamde geluidsgevoelige objecten, maar uit het rapport van de Omgevingsdienst regio Utrecht van 10 juni 2024 volgt dat indien de recreatiewoningen wél aangemerkt zouden worden als geluidsgevoelige objecten, de Omgevingsdienst aan het college zou adviseren om aan de omgevingsvergunning een voorschrift te verbinden. Dit voorschrift zou inhouden dat vergunninghouder een 105 meter lang scherm van 2,5 meter hoog om de 4 padelbanen dient te plaatsen ter reductie van het padelgeluid. De kosten voor zo’n geluidsscherm worden geraamd op circa € 70.000,- tot € 80.000,-.

36. De rechtbank komt tot het oordeel dat in dit specifieke geval, waarbij padelbanen worden aangelegd in een beschermd natuurgebied, naast een recreatiepark waar mensen – al dan niet onder een overgangsrechtelijk regime - 10 maanden per jaar in hun eigen recreatiewoning mogen verblijven en waarbij in de vergunning geen enkele beschermende voorwaarde is opgenomen, het bestreden besluit voor een of meer eisers onredelijk bezwarend is. Het besluit leidt daarmee tot een uitkomst die in strijd is met het evenredigheidsbeginsel.

Conclusie en gevolgen

37. De beroepen zijn gegrond, omdat het bestreden besluit in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. De rechtbank zal daarom het bestreden besluit vernietigen. De rechtbank ziet geen aanleiding voor de toepassing van de bestuurlijke lus. Hierbij neemt zij in aanmerking dat, gelet op de ingenomen standpunten, deze uitspraak partijen de mogelijkheid geeft om - indien gewenst - hoger beroep in te stellen. Het college zal een nieuw besluit op bezwaar moeten nemen met inachtneming van hetgeen is overwogen in deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van twaalf weken.

38. Het beroep tegen het niet-tijdig nemen van een besluit op bezwaar in UTR 25/4943 is niet-ontvankelijk.

39. Omdat de beroepen tegen het bestreden besluit gegrond zijn, moet het college het griffierecht aan eisers vergoeden en krijgen [eiser 3] (UTR 25/6673), [eiser 4] (UTR 25/6715), [eiser 22] en [eiser 23] (UTR 25/6783) en Green Spirit B.V. (UTR 25/6856) ook een vergoeding van hun proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. De kosten voor de beroepsmatige rechtsbijstand van de gemachtigde van eisers stelt de rechtbank onder toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) als volgt vast.

UTR 25/6673

40. In beroep is verzocht om vergoeding van de proceskosten. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend en is verschenen ter zitting. De vergoeding bedraagt in totaal € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting met een waarde per punt van € 934,- met een wegingsfactor 1).

UTR 25/6715

41. In beroep is verzocht om vergoeding van de proceskosten. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend en is verschenen ter zitting. De vergoeding bedraagt in totaal € 1.868,-.

UTR 25/6783

42. In beroep is verzocht om vergoeding van de proceskosten. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend. De vergoeding bedraagt in totaal € 934,-.

UTR 25/6856

43. In beroep is verzocht om vergoeding van de proceskosten. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend en is verschenen ter zitting. De vergoeding bedraagt in totaal € 1.868,-.

Geen proceskostenvergoeding

UTR 25/4943

44. [eiser 1] heeft verzocht om vergoeding van proceskosten. De rechtbank ziet hiervoor geen aanleiding, omdat niet is gebleken dat sprake is van ‘beroepsmatig verleende bijstand’. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat niet is gebleken van aanknopingspunten dat [eiser 1] buiten dit beroep om rechtsbijstand aan derden verleent, zodat niet kan worden aangenomen dat het verlenen van rechtsbijstand een vast onderdeel vormt van een duurzame, op het vergaren van inkomen gerichte taakoefening. Er zijn verder ook geen andere kosten gemaakt die op grond van het Bpb voor vergoeding in aanmerking komen.

UTR 25/6774

45. [eiser 5] heeft verzocht om vergoeding van zijn kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De rechtbank ziet hiervoor geen aanleiding, omdat geen sprake is van een proceshandeling door een rechtsbijstandverlener die voor vergoeding in aanmerking komt. Hij heeft namelijk zelf beroep ingesteld. Tijdens de zitting bij de rechtbank is hij niet bijgestaan door een professioneel rechtsbijstandverlener. Er zijn verder ook geen andere kosten gemaakt die op grond van het Bpb voor vergoeding in aanmerking komen.

Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het bezwaar van eisers in UTR 25/4943 niet-ontvankelijk;

- verklaart de beroepen tegen het bestreden besluit gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt het college op om binnen twaalf weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

- draagt het college op het betaalde griffierecht van € 194,- aan eisers te vergoeden in zaaknummers UTR 25/4943, UTR 25/6715, UTR 25/6673, UTR 25/6774, UTR 25/6781 en UTR 25/6783;

- draagt het college op het betaalde griffierecht van € 385,- aan eisers te vergoeden in zaaknummers UTR 25/6807 en UTR 25/6856;

- veroordeelt het college in de proceskosten van eisers in UTR 25/6673, UTR 25/6715 en UTR 25/6856 tot in elke zaak een bedrag van € 1.868,-;

- veroordeelt het college in de proceskosten van eisers in UTR 25/6783 tot een bedrag van € 934,-;

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M. van der Linde, voorzitter , en mr. M.W.A. Schimmel en mr. A.R. Klijn, leden, in aanwezigheid van mr. M.C.G. van Dijk, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 25 augustus 2026.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand