[verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster
(gemachtigde: mr. D.D. Pietersz),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Veenendaal, het college.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het verzoek van verzoekster om een veroordeling van het college in de proceskosten. Verzoekster heeft dit verzoek gedaan bij de intrekking van haar beroep.
Wat ging er aan deze zaak vooraf?
2. Met het besluit van 11 december 2023 heeft het college verzoekster laten weten dat zij vanuit de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) individuele begeleiding krijgt (categorie licht) voor ondersteuning bij het huishouden. Verzoekster heeft op 20 december 2023 bezwaar gemaakt tegen dit besluit.
Verzoekster heeft eerder beroep ingesteld, omdat het college niet tijdig had beslist op haar bezwaar (zaaknummer UTR 25/3932). De rechtbank heeft op 15 oktober 2025 uitspraak gedaan op dit beroep. De rechtbank heeft – voor zover van belang – het beroep gegrond verklaard en bepaalt dat het college binnen twee weken na de dag van verzending van die uitspraak alsnog een besluit bekendmaakt.
Verzoekster heeft op 3 april 2026 weer beroep ingesteld, omdat het college op dat moment nog steeds niet op haar bezwaar had beslist. Het college heeft op 20 april 2026 alsnog gedaan.
Verzoekster heeft op 24 april 2026 haar beroep ingetrokken met het verzoek het college te veroordelen in de proceskosten en vergoeding van het griffierecht.
De rechtbank heeft het college in de gelegenheid gesteld te reageren op het verzoek om veroordeling in de proceskosten. Het college heeft hierop niet gereageerd.
Beoordeling door de rechtbank
3. De rechtbank doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.
4. De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenveroordeling toe. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
5. Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de bestuursrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten.
6. Op 3 april 2026 heeft verzoekster (weer) beroep ingesteld, omdat het college op dat moment niet op tijd had beslist op haar bezwaar. Het college heeft op 20 april 2026 alsnog beslist. Hiermee is het college tegemoetgekomen aan het beroep van verzoekster.
7. De rechtbank wijst het verzoek als kennelijk gegrond toe. Verzoekster krijgt een vergoeding van haar proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Bpb als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoekster een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. Omdat de zaak een licht gewicht heeft, is op de waarde een factor van 0,5 toegepast. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 467,-.
8. Ook moet het college het door verzoekster betaalde griffierecht van € 54,- vergoeden.Verzoekster moet zich hiervoor dan ook tot het college wenden.
Beslissing
De rechtbank veroordeelt het college tot betaling van € 467,-. aan proceskosten aan verzoekster.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van
mr. N.R. Hoogenberk, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 14 juli 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.