[eiser] , uit [plaats] , eiser
en
de minister van Justitie en Veiligheid, de minister.
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van eiser van 10 januari 2026. Eiser heeft beroep ingesteld omdat de minister niet op tijd heeft beslist op zijn verzoek op grond van de Wet open overheid (Woo).
Op 27 januari 2026 heeft de minister alsnog een besluit genomen op dit verzoek.
De rechtbank heeft eiser op 6 februari 2026 gevraagd om een reactie op dit besluit. Op 25 maart 2026 heeft de rechtbank eiser nogmaals gevraagd om een reactie op dit besluit. Deze brief is aangetekend verzonden. Eiser heeft niet gereageerd.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
3. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het uitblijven van een besluit op zijn Woo-verzoek. Inmiddels heeft de minister een besluit op dat verzoek genomen. De minister heeft dus gedaan wat eiser wilde. Omdat eiser het beroep niet heeft ingetrokken, moet de rechtbank nog wel een beslissing nemen over dat beroep.
4. Het beroep is kennelijk niet-ontvankelijk. Eiser wilde met zijn beroep bereiken dat de minister zou beslissen op zijn aanvraag en dat is gebeurd. Eiser heeft daarom geen belang meer bij het beroep, voor zover dat gericht was tegen het niet tijdig nemen van een besluit.
5. Artikel 6:20, derde lid, van de Awb bepaalt dat een beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit ook betrekking heeft op het alsnog genomen besluit, tenzij dit geheel aan het beroep tegemoet komt. Het besluit van 27 januari 2026 komt niet (geheel) tegemoet aan het Woo-verzoek en daarom richt het beroep zich nu van rechtswege ook tegen dit besluit.
6. De rechtbank heeft eiser op 6 februari 2026 en op 25 maart 2026 in de gelegenheid gesteld om uit te leggen waarom hij het niet eens is met het besluit van 27 januari 2026. Eiser heeft niet op deze brieven gereageerd. Eiser heeft dus niet onderbouwd waarom het besluit van 27 januari 2026 niet in stand kan blijven. Omdat eiser geen gronden heeft aangevoerd, is het van rechtswege ontstane beroep tegen het besluit van 27 januari 2026 ongegrond.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep voor zover gericht tegen het niet-tijdig beslissen
niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep voor zover gericht tegen het besluit van 27 januari 2026 ongegrond;
Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, rechter, in aanwezigheid van
mr. N.R. Hoogenberk, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 22 juli 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.