[eiser] , uit [plaats] , eiser
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Soest, het college.
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van eiser van 21 januari 2026. Eiser heeft beroep ingesteld omdat volgens eiser het college niet tijdig heeft beslist op zijn aanvraag. Het college heeft schriftelijk op het beroep gereageerd.
Omdat de rechtbank kennelijk onbevoegd is om van het beroep kennis te nemen, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank komt tot het oordeel dat zij onbevoegd is om kennis te nemen van het beroep. Hieronder legt zij uit hoe zij tot dit oordeel komt.
3. Een vereiste voor een beroep vanwege het niet tijdig beslissen, is dat er sprake moet zijn van een aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb. Dit artikel bepaalt dat onder aanvraag wordt verstaan: een verzoek van een belanghebbende, om een besluit te nemen. In het eerste lid van dit artikel staat uitgelegd wat onder een besluit wordt verstaan. Een besluit is een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Alleen als sprake is van het verzoek om een besluit te nemen, kan namelijk beroep worden ingesteld tegen het uitblijven daarvan.
4. De rechtbank oordeelt dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat gelet op de aard en inhoud van eisers verzoek, geen sprake is van een aanvraag op grond van de Wet open overheid (Woo). Uitgangspunt van de Woo is dat een verzoek op grond van de Woo uitgaat van openbaarheid voor een ieder. Uit het verzoek van 31 oktober 2025 en de overige gedingstukken – met name de ingebrekestelling van 18 december 2025 – volgt dat eiser vraagt om informatie over en uitleg van wet- en regelgeving, waaronder de toepasselijkheid van subsidieregelingen voor het tegengaan van geluidshinder en de voorwaarden waaronder subsidie voor gevelisolatie en geluidssanering kan worden verkregen. Verder wil eiser weten of de in zijn verzoek van 31 oktober 2025 genoemde panden voor gevelisolatie/geluidssanering in aanmerking komen. Ook vraagt eiser om een inhoudelijk en formeel standpunt van de gemeente. Vragen om antwoorden, uitleg, verklaringen of standpunten zijn geen Woo-verzoeken. Op grond van de Woo bestaat er voor een bestuursorgaan zoals het college immers geen verplichting om gegevens te vervaardigen die niet in bestaande documenten zijn neergelegd. Daarbij is van belang dat eiser niet heeft gevraagd om openbaarmaking van (onderliggende) documenten of gegevens voor een ieder. Eiser heeft zijn verzoek zelf ook niet gekwalificeerd als Woo-verzoek maar als vraag. In het verzoek staat immers bij ‘onderwerp’: ‘Vraag inzake Wet geluidshinder / geluidssanering en eventuele vergoeding – [adres 1] en [adres 2] ( [plaats] ).
5. Het bovenstaande betekent dat het verzoek van eiser van 31 oktober 2025 geen aanvraag (verzoek aan het college om een besluit te nemen) is. Omdat er geen sprake is van een aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb, is het college niet gehouden tot het nemen van een besluit zoals bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Er staat dan ook geen beroep open tegen het niet tijdig nemen van een besluit.
6. Hieruit volgt dat de rechtbank onbevoegd is om kennis te nemen van het beroep tegen het uitblijven van een beslissing op eisers verzoek.
Conclusie en gevolgen
7. De rechtbank is als bestuursrechter kennelijk onbevoegd om kennis te nemen van het beroep. Zij kan en mag het beroep dan ook niet inhoudelijk behandelen. Voor een vergoeding van de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart zich onbevoegd om van het beroep kennis te nemen.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, rechter, in aanwezigheid van mr. N.R. Hoogenberk, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 24 juli 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.