uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 juli 2026 in de zaak tussen
[verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster
(gemachtigde: mr. M.A. van Hoof),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, het college.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het verzoek van verzoekster om een veroordeling van het college in de proceskosten.
Bij besluit van 18 april 2025 heeft het college de bijstand van verzoekster ingetrokken met ingang van 26 januari 2022 en de teveel verstrekte uitkering teruggevorderd. Bij brief van 28 april 2025 heeft verzoekster bezwaar gemaakt tegen dit besluit.
Verzoekster heeft op 31 maart 2026 beroep ingesteld, omdat het college niet op tijd heeft beslist op haar bezwaar van 28 april 2025 (door het college ontvangen op 7 mei 2025).
Op 7 mei 2026 heeft het college alsnog een besluit genomen op het bezwaarschrift van verzoekster. Verzoekster heeft tegen dit besluit apart beroep ingesteld.
Op 29 juni 2026 heeft verzoekster haar beroep tegen het besluit van het college van
28 april 2025 ingetrokken en heeft zij de rechtbank verzocht om het college te veroordelen in de proceskosten.
De rechtbank heeft het college in de gelegenheid gesteld te reageren op dit verzoek. Het college heeft de rechtbank meegedeeld zich te kunnen vinden in een proceskostenveroordeling.
De rechtbank doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenveroordeling toe. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
3. Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de bestuursrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten.
4. Het college heeft op 7 mei 2026 alsnog beslist op het bezwaar van verzoekster van
28 april 2025. Aldus is het college tegemoetgekomen aan het beroep van verzoekster. Dat maakt dat er grond is om het college te veroordelen in de proceskosten van verzoekster. De rechtbank wijst het verzoek om een proceskostenveroordeling dus toe als kennelijk gegrond. De vergoeding is met toepassing van het Bpb als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoekster een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. Omdat de zaak een licht gewicht heeft, is op de waarde een factor van 0,5 toegepast. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 467,-.
5. Ook moet het college het door verzoekster betaalde griffierecht van € 54,- vergoeden.Verzoekster moet zich hiervoor tot het college wenden.
Beslissing
De rechtbank veroordeelt het college tot betaling van € 467,- aan proceskosten aan verzoekster.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van
mr. N.R. Hoogenberk, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 22 juli 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.