ECLI:NL:RBMNE:2026:5747

ECLI:NL:RBMNE:2026:5747

Instantie Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak 22-07-2026
Datum publicatie 20-08-2026
Zaaknummer 25/2857
Rechtsgebied Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

Beroep. Tussenuitspraak. Wabo. Omgevingsvergunning voor bouwen van twee schuren binnen een rijksmonument.

Uitspraak

[stichting] uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: [gemachtigde] ),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrechtse Heuvelrug (het college), verweerder

(gemachtigde: E.T.E Kemperman).

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [vergunninghouder], uit [plaats] (de vergunninghouder).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de omgevingsvergunning die het college aan de vergunninghouder heeft verleend voor de bouw van twee schuren, de aanleg van halfverharding en het ophogen van gronden op het adres [adres] in [plaats] .

Op 28 november 2023 heeft vergunninghouder een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor het bouwen van twee schuren ter vervanging van twee bestaande schuren op het adres [adres] in [plaats] . Het plangebied bestaat uit twee percelen. Op perceel [perceel 1] woont de vergunninghouder en op perceel [perceel 2] staan de huidige schuren en komen ook de nieuwe schuren te staan. Het plangebied maakt onderdeel uit van het landgoed [landgoed] . In één van de schuren, schuur A, komt een ruimte voor vrijwilligers die het landgoed onderhouden en een deel zal worden gebruikt voor onder meer opslag van voorraden. Schuur B dient als opslag voor gereedschap en machines ten behoeve van het bos-en landgoedonderhoud.

Met het besluit van 16 mei 2024 heeft het college de omgevingsvergunning verleend met toepassing van de in het bestemmingsplan opgenomen afwijkingsbevoegdheid.

Op 12 maart 2024 heeft vergunninghouder een aanvraag omgevingsvergunning ingediend voor de aanleg van halfverharding ten behoeve van de ontsluiting van de twee schuren en het ophogen van gronden. Met een afzonderlijk besluit van 16 mei 2024 heeft het college een omgevingsvergunning verleend voor de omgevingsplanactiviteit “werk, niet zijnde bouwwerk/werkzaamheid uitvoeren”.

De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) heeft op 3 oktober 2024 aan de vergunninghouder een monumentenvergunning verleend voor het archeologisch rijksmonument met monumentnummer [nummer] . Deze vergunning heeft betrekking op het slopen van twee schuren, het bouwen van twee schuren, het opbrengen van grond, het graven van funderingssleuven en het graven van een rioolsleuf.

Eiseres heeft tegen de beide besluiten van het college van 16 mei 2024 bezwaar gemaakt.

De commissie bezwaarschriften heeft in haar advies geconcludeerd dat aan het besluit tot verlening van de omgevingsvergunning voor het bouwen van twee schuren diverse gebreken kleven.

Met het bestreden besluit van 31 maart 2025 (het bestreden besluit) op het bezwaar van eiseres heeft het college de verleende omgevingsvergunningen gehandhaafd. Volgens het college zijn de door de commissie bezwaarschriften genoemde gebreken hersteld.

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Vergunninghouder heeft een reactie ingediend. Het college heeft gereageerd met een verweerschrift.

De rechtbank heeft het beroep op 8 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres (secretaris van de Stichting), vergezeld door [gemachtigde] , de gemachtigde van het college, bijgestaan door [A ] , en de vergunninghouder.

Beoordeling door de rechtbank

Toepasselijk recht

2. Op 1 januari 2024 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) ingetrokken en is de Omgevingswet in werking getreden. De aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwen van de twee schuren is ingediend vóór deze datum. Daarom is daarop de Wabo met de onderliggende regelingen nog van toepassing.

De aanvraag omgevingsvergunning voor de aanleg van halfverharding en het ophogen van gronden is ingediend nà deze datum. Daarop is de Omgevingswet van toepassing.

Beoordeling van de beroepsgronden

3. De rechtbank stelt vast dat de beroepsgronden van eiseres zich richten tegen de omgevingsvergunning die is verleend voor het bouwen van de twee schuren en waarbij toepassing wordt gegeven aan de afwijkingsbevoegdheid van het bestemmingsplan. Eiseres heeft geen afzonderlijke beroepsgronden aangevoerd tegen de omgevingsvergunning voor de aanleg van halfverharding en het ophogen van gronden. Aan de hand van de beroepsgronden van eiseres beoordeelt de rechtbank of de omgevingsvergunning voor het bouwen van twee schuren in stand kan blijven.

Is voldaan aan de voorwaarde om gebruik te kunnen maken van de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid?

4. Eiseres voert aan dat de omgevingsvergunning voor de bouw van de schuren ten onrechte is verleend, omdat niet is voldaan aan de in artikel 29.3.1, onder b, van de planvoorschriften van het bestemmingsplan Driebergen Buitengebied (het bestemmingsplan) opgenomen voorwaarde. Niet is aangetoond dat tenminste 5 hectare natuur in eigen beheer wordt onderhouden. De motivering van het college dat het terrein er op een luchtfoto groen uitziet, is daartoe volgens eiseres niet toereikend. Er wordt in het bestreden besluit geheel voorbij gegaan aan het bezwaar van eiseres en de daaropvolgende conclusie van de commissie bezwaarschriften.

5. Volgens het college wordt wel voldaan aan deze voorwaarde. In het bestreden besluit heeft het college verwezen naar de ruimtelijke onderbouwing, waarin (op pagina 11) een uitsnede van de kadastrale kaart is opgenomen met daarop ingetekend de bouwlocatie. Uit de bijlage bij het bestreden besluit met afbeeldingen 1 en 2, blijkt dat perceel [perceel 2] 7,5 hectare groot is. Uit de plankaart van het bestemmingsplan volgt volgens het college dat de gronden van perceel [perceel 2] de bestemming natuur hebben en uit de bestemmingsomschrijving volgt dat deze gronden zijn bedoeld voor instandhouding, herstel en/of ontwikkeling van de landschappelijke en natuurwaarden. Verder wijst het college op luchtfoto’s waarop voornamelijk bebossing en enkele weilanden te zien zijn.

6. Niet in geschil is dat één van de schuren, schuur A, is gesitueerd op gronden met de bestemming Wonen en dat wordt voldaan aan de planvoorschriften voor de bouw van een schuur. Voor de locatie van de andere schuur, schuur B, geldt de bestemming natuur. Op grond van de planvoorschriften is een schuur ten behoeve van opslag niet toegestaan, omdat ter plaatse geen aanduiding opslag geldt. Het college heeft medewerking verleend aan het bouwplan voor schuur B door gebruik te maken van zijn binnenplanse afwijkingsbevoegdheid op grond van artikel 29.3.1 van de planvoorschriften.

7. Artikel 29.3.1, aanhef en onder b, van de planvoorschriften bepaalt dat het bevoegd gezag een omgevingsvergunning kan verlenen in afwijking van andere voor deze gronden geldende bestemming(en) ten behoeve van gebouwen voor de opslag van onderhoudsmaterieel, mits de oppervlakte 100 m² mag bedragen en indien aangetoond wordt dat 5 tot 50 hectare natuur in eigen beheer wordt onderhouden.

8. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college in het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd dat wordt voldaan aan de voorwaarde dat tenminste 5 hectare natuur in eigen beheer wordt onderhouden. Uit de kadastrale informatie kan worden afgeleid dat perceel [perceel 2] meer dan 5 hectare groot is, maar de bestemming van de gronden en de bestemmingsomschrijving is niet toereikend voor de conclusie dat aangetoond is dat het perceel natuur betreft. Uit een overzichtskaart van pdok waarop het type terrein staat aangegeven, blijkt dat een deel van het perceel bos is. Uit die kaart is niet duidelijk of de rest van het perceel ‘open, droog, natuurlijk terrein’ is, zoals het college op zitting heeft gesteld, of dat het ‘overige agrarisch terrein’ betreft. Er is daarom sprake van een motiveringsgebrek in het bestreden besluit.

9. Op de zitting heeft het college aangegeven dat (ook) uit de door de vergunninghouder overgelegde stukken blijkt dat het terrein natuurwaarden heeft. De vergunninghouder heeft drie kaarten overgelegd. Op de eerste kaart is inzichtelijk gemaakt welk deel van het landgoed [landgoed] in eigendom en beheer is van vergunninghouder. Op de tweede kaart is te zien dat dit deel in eigendom van vergunninghouder valt onder het (door de provincie vastgestelde) Natuurnetwerk Nederland behoort. Uit een derde bijlage blijkt dat voor de periode 1 januari 2023 tot 31 december 2028 subsidie is verleend (door de provincie) voor een terrein met een totale oppervlakte van 6,81 hectare in eigendom en beheer van vergunninghouder. De afzonderlijke natuurwaarden van dit terrein zijn in deze bijlage omschreven. De rechtbank is van oordeel dat deze stukken aantonen dat vergunninghouder meer dan 5 hectare natuur in eigen beheer onderhoudt.

10. Het college heeft met de verwijzing naar de in 9. genoemde stukken, alsnog onderbouwd dat voldaan is aan de voorwaarde van artikel 29.3.1, aanhef en onder b, van de planvoorschriften. Het gebrek in het bestreden besluit is daarmee naar het oordeel van de rechtbank hersteld.

11. Dit betekent dat het college medewerking aan het bouwplan heeft kunnen verlenen door gebruik te maken van zijn binnenplanse afwijkingsbevoegdheid.

Is er een omgevingsvergunning nodig voor het wijzigen van een rijksmonument?

12. Eiseres voert aan dat het college heeft miskend dat in de beoordeling niet alleen moet worden betrokken dat de locatie waar de schuren worden gebouwd valt binnen archeologisch rijksmonument met rijksmonumentnummer [nummer] (het terrein), maar ook binnen het Complex Historische Buitenplaats [landgoed] met complexnummer [nummer] (de buitenplaats). De schuren worden gerealiseerd binnen de Historische Tuin- en parkaanleg met monumentnummer [nummer] , dat onderdeel is van dit Complex. Er had daarom tuinhistorisch onderzoek moeten worden verricht. Ter toelichting van haar standpunt heeft eiseres op de zitting kaarten overgelegd uit de Erfgoedatlas en van de RCE.

13. De commissie bezwaarschriften heeft in haar advies van 14 februari 2025 geconcludeerd dat, gelet op dit bezwaar van eiseres, voor het bouwen van de schuren ook een omgevingsvergunning voor het wijzigen van een rijksmonument zoals bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is vereist. Gelet op de onlosmakelijke samenhang van deze activiteiten constateert de commissie dat het college in strijd met artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht de aanvrager (vergunninghouder) niet in de gelegenheid heeft gesteld om zijn aanvraag op dit punt aan te vullen. De commissie concludeert dat de aanvraag op dit punt moet worden aangevuld met tevens een besluit van het college op die aanvulling.

14. Het college heeft in het bestreden besluit, in reactie op het advies van de commissie bezwaarschriften, aangegeven dat de vergunninghouder in de gelegenheid is gesteld een aanvullende aanvraag omgevingsvergunning in te dienen voor de activiteit het wijzigen van een rijksmonument. Op 2 maart 2025 is deze aanvullende aanvraag ingediend. Volgens het college is daarmee het door de commissie bezwaarschriften in het besluit van 16 mei 2024 geconstateerde gebrek geheeld en kan een besluit worden genomen op de aanvraag voor deze activiteit.

15. Tussen partijen is niet in geschil en de rechtbank stelt vast dat de twee schuren binnen een rijksmonument (rijksmonument Historische Buitenplaats [landgoed] ) in de zin van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) worden gebouwd.

16. Op de zitting heeft het college verklaard dat er geen beslissing is genomen op de aanvraag van 2 maart 2025. Het college stelt zich op het standpunt dat op basis van het advies cultuurhistorie van 27 maart 2025 er geen omgevingsvergunning nodig is, omdat van het wijzigen van een rijksmonument geen sprake is.

17. De rechtbank volgt het college hierin niet. In Bijlage II bij het Besluit Omgevingsrecht (BOR) staan de gevallen genoemd waarvoor geen omgevingsvergunning is vereist. Daarin is niet genoemd de situatie als hier aan de orde, waarin twee schuren worden gesloopt en twee nieuwe schuren worden gebouwd op een andere plek en met een ander volume op een locatie die valt binnen een rijksmonument. De rechtbank merkt hierbij nog op dat de vraag of er sprake is van een ingrijpende wijziging van een rijksmonument van belang is voor de vraag of advies moet worden gevraagd aan de RCE, maar niet voor de vraag of er een omgevingsvergunning is vereist. Het college had dan ook een beslissing moeten nemen op de aanvraag van 2 maart 2025. Dit betekent dat het bestreden besluit gebrekkig is.

Hoe nu verder?

18. De rechtbank ziet aanleiding om het college in de gelegenheid te stellen het gebrek zoals genoemd onder rechtsoverweging 16. te herstellen. Dat herstellen kan door alsnog een beslissing te nemen op de aanvraag omgevingsvergunning van 2 maart 2025 voor een rijksmonumentactiviteit. Het college moet in dat besluit motiveren waarom het vervangen van de schuren binnen het Complex Historische Buitenplaats [landgoed] met complexnummer [nummer] , waarvan de Historische Tuin- en parkaanleg met monumentnummer [nummer] deel uitmaakt, niet leidt tot een aantasting van de voor het monument aangewezen waarden. Het college moet daarbij de redengevende omschrijving van het rijksmonument in de beoordeling betrekking. Ook moet het college bezien of de aanvraag voor advies moet worden voorgelegd aan de RCE, het advies van de RCE in de beoordeling betrekken of, indien volgens het college geen advies van de RCE nodig is, uitleggen waarom daarvan kan worden afgezien.

19. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen het college het gebrek kan herstellen op tien weken na verzending van deze tussenuitspraak.

20. Het college moet zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken na verzending van deze tussenuitspraak, meedelen aan de rechtbank of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek in het bestreden besluit te herstellen. Als het college gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiseres en de vergunninghouder in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van het college. In beginsel, ook in de situatie dat het college de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.

20. Het geding zoals dat na deze tussenuitspraak wordt gevoerd, blijft in beginsel beperkt tot de beroepsgronden zoals die zijn besproken in de tussenuitspraak, omdat het inbrengen van nieuwe geschilpunten over het algemeen in strijd met de goede procesorde wordt geacht.

22. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.

Beslissing

De rechtbank

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. Spee, rechter, in aanwezigheid van mr. G.M.T.M. Sips, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 21 juli 2026.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. J.A. Spee

Griffier

  • mr. G.M.T.M. Sips

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand