[verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster
(gemachtigde: mr. E.D. van Tellingen),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hilversum, het college.
Inleiding
Verzoekster heeft op 19 augustus 2025 een bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet aangevraagd.
Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 26 november 2025 afgewezen.
Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en heeft tevens de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
1. Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is.
2. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. Bij een financieel geschil, zoals in deze zaak, is dat niet snel het geval. In beginsel kan namelijk na afloop van de bodemzaak het bedrag waarover het geschil gaat, alsnog worden (terug)betaald, zo nodig met vergoeding van de wettelijke rente. Als er geen onomkeerbare situatie dreigt, bijvoorbeeld faillissement, of acute financiële nood is, neemt de voorzieningenrechter aan dat spoedeisend belang ontbreekt, zodat hij alleen al daarom geen voorlopige voorziening treft.
3. Met de brief van 19 januari 2026 heeft de voorzieningenrechter verzocht om een nadere onderbouwing van de financiële situatie van verzoekster. Verzocht is om kopieën van bankafschriften en aanmaningen, indien sprake is van schulden en eventuele stukken met betrekking tot huisuitzetting. Verzoekster heeft niet gereageerd op deze brief. Er is dus geen enkele onderbouwing van de gestelde financiële noodsituatie. De conclusie is daarom dat er geen enkel spoedeisend belang is.
4. Omdat de voorzieningenrechter van oordeel is dat verzoekster geen spoedeisend belang heeft, kan de door haar gevraagde voorziening alleen nog worden getroffen als het bestreden besluit evident onrechtmatig is. Met evident onrechtmatig wordt bedoeld dat zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en/of het recht zeer ernstig moet worden betwijfeld of het door het college ingenomen standpunt juist is en of het primaire besluit in de bodemprocedure in stand zal blijven. De voorzieningenrechter is van oordeel dat van dergelijke twijfel geen sprake is.
5. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. N.J. Biswane, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 18 augustus 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: