ECLI:NL:RBMNE:2026:5756

ECLI:NL:RBMNE:2026:5756

Instantie Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak 12-08-2026
Datum publicatie 21-08-2026
Zaaknummer C/16/610028 / HA ZA 26-189
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

Bevoegdheidsincident. Geschil met internationaal karakter. Nederlandse rechter heeft geen rechtsmacht op grond van artikel 4 en artikel 7 lid 2 Brussel I bis

Uitspraak

RECHTBANK Midden-Nederland

Civiel recht

Zittingsplaats Utrecht

Zaaknummer: C/16/610028 / HA ZA 26-189

Vonnis in incident van 12 augustus 2026

in de zaak van

1. [procesdeelnemer 1] ,

te [woonplaats 1] ,2. [procesdeelneemster 2],

te [woonplaats 2] ,3. [procesdeelneemster 3],

te [woonplaats 3] (België),4. [procesdeelneemster 4],

te [woonplaats 4] , (Verenigde Staten),

eisende partijen in de hoofdzaak en verwerende partijen in het incident,

hierna samen te noemen: [procesdeelnemer 1] e.a.

advocaat: mr. L.V.V. Eymael,

tegen

[procesdeelneemster 5] ,

te [woonplaats 3] (België),

gedaagde partij in de hoofdzaak en eisende partij in het incident,

hierna te noemen: [procesdeelneemster 5] ,

advocaat: mr. L.M. Havermans.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties 1 tot en met 16,

- de incidentele vordering tot onbevoegdverklaring tevens conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 10,

- de conclusie van antwoord in het incident met producties 17 tot en met 19,

- de akte uitlating producties van [procesdeelneemster 5] .

Daarna is aan partijen bericht dat er een vonnis in het incident komt.

2. De kern van het incident

Het gaat in dit incident om de beantwoording van de vraag of de Nederlandse rechter bevoegd is om over de vorderingen van [procesdeelnemer 1] e.a. te oordelen. De uitkomst is dat dit niet het geval is.

3. De beoordeling in het incident

Vordering in de hoofdzaak

[procesdeelnemer 1] e.a. vorderen in de hoofdzaak betaling van € 78.677,-. Zij leggen aan deze vordering ten grondslag dat [procesdeelneemster 5] aan hen in eigendom toebehorende zaken heeft vervreemd en verkocht. Het gaat om wat ze noemen “ de [procesdeelnemer 1] ” collectie (munten, antiquarische boeken en kistjes), een tuinset, en een opname van een geldbedrag van een bankrekening van hun overleden vader.

Vordering en verweer in het incident

[procesdeelneemster 5] vordert in het incident dat de rechtbank zich onbevoegd zal verklaren, omdat de Nederlandse rechter geen rechtsmacht heeft.

[procesdeelnemer 1] e.a. betwisten dat en stellen zich op het standpunt dat de Nederlandse rechter op grond van artikel 7 lid 2 Brussel I bis rechtsmacht heeft.

Toewijzing incidentele vordering

De rechtbank zal zich onbevoegd verklaren om kennis te nemen van de vordering van [procesdeelnemer 1] e.a. in de hoofdzaak. De incidentele vordering wordt dus toegewezen. Hierna wordt uitgelegd waarom.

Er is sprake van een geschil met een internationaal karakter. Daarom moet eerst worden beoordeeld of de Nederlandse rechter (de rechtbank Midden-Nederland) rechtsmacht heeft om over de vordering van [procesdeelnemer 1] e.a. te oordelen. Of dat zo is, moet in dit geval worden beoordeeld aan de hand van de rechtsmachtsregels van Brussel I bis.

De rechtsmacht van de Nederlandse rechter kan niet worden ontleend aan de algemene (hoofd)regel van artikel 4 lid 1 Brussel I bis. Op grond van die regel is immers de Belgische rechter bevoegd om over het geschil in de hoofdzaak te oordelen.

Er is in dit geval alleen sprake van rechtsmacht van de Nederlandse rechter als sprake is van de bijzondere bevoegdheid zoals bedoeld in de artikelen 7 lid 2 Brussel I bis. Dit artikel luidt als volgt: Een persoon die woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat, kan in een andere lidstaat voor de volgende gerechten worden opgeroepen: 2. ten aanzien van verbintenissen uit onrechtmatige daad, voor het gerecht van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan of zich kan voordoen

De door [procesdeelnemer 1] e.a. aan hun vordering ten grondslag gelegde rechts-verhouding (het vervreemden en verkopen van aan [procesdeelnemer 1] e.a. in eigendom toebehorende zaken) kwalificeert als een verbintenis uit onrechtmatige daad zoals bedoeld in artikel 7 lid 2 Brussel I bis.

Beoordeeld moet daarom worden of het door [procesdeelnemer 1] e.a. gestelde schadebrengende feit zich in Nederland heeft voorgedaan of zich kan voordoen.

Op grond van vaste rechtspraak kan het schadebrengende feit zich voordoen:

op de plaats van de schadeveroorzakende gebeurtenis (het handlungsort), en

op de plaats waar de schade is ingetreden (het erfolgsort).

Het door [procesdeelnemer 1] e.a. gestelde onrechtmatige handelen van [procesdeelneemster 5] begint met de door [procesdeelnemer 1] e.a. gestelde vervreemding door [procesdeelneemster 5] van de zaken waarvan [procesdeelnemer 1] e.a. de eigenaar zouden zijn.

Er zijn geen concrete aanknopingspunten dat [procesdeelneemster 5] de zaken waarover het gaat in Nederland heeft toegeëigend/in bezit genomen. Het enige wat [procesdeelnemer 1] e.a. aanvoert is dat de zaken in opdracht van [procesdeelneemster 5] zouden zijn verkocht door veilinghuis Heritage Auctions Europe in Nederland, IJsselstein. Dat is echter onvoldoende, omdat aan die verkoop de onrechtmatige toe-eigening/inbezitneming vooraf gaat. Het is niet gesteld dat de zaken waar het over gaat zich in Nederland bevonden op het moment van onrechtmatige toe-eigening/inbezitneming. Uit de stukken is veeleer af te leiden dat deze zaken zich in België bevonden. Het gaat om verkopen die hebben plaatsgevonden vóór het overlijden van [procesdeelnemer 1] . [procesdeelnemer 1] woonde vóór zijn overlijden met [procesdeelneemster 5] in België.

Overigens is het ook onduidelijk of de zaken waarover het gaat door het veilinghuis in Nederland zijn verkocht. [procesdeelneemster 5] heeft aangevoerd dat dit veilinghuis meerdere filialen heeft waaronder een filiaal in België. De producties van [procesdeelnemer 1] e.a. bieden onvoldoende aanknopingspunten dat de zaken waarover het gaat door het veilinghuis in Nederland zijn verkocht. Dit kan niet worden opgemaakt uit de door [procesdeelnemer 1] e.a. overgelegde verklaring van het veilinghuis (productie 19). In de verklaring wordt niet verklaard dat de zaken waarover het gaat door het veilinghuis zijn verkocht. Er wordt slechts in algemene zin verklaard dat alle objecten die door mevrouw [procesdeelneemster 5] ter veiling werden aangeboden fysiek in IJsselstein zijn ontvangen en verwerkt. Nergens uit blijkt dat de zaken waarover het gaat ook daadwerkelijk door [procesdeelneemster 5] aan het veilinghuis zijn aangeboden. Dit blijkt ook niet uit de producties 10, 11, 12, 17 en 18 van [procesdeelnemer 1] e.a..

De conclusie is dat niet is gebleken dat het “handlungsort” in Nederland is gelegen.

Het is ook niet gebleken dat het “erfolgsort” in Nederland is gelegen. [procesdeelnemer 1] e.a. hebben niet onderbouwd dat de schade in Nederland is ingetreden. Het enige argument dat zij daarvoor aanvoeren, is dat de zaken waarover het gaat door het veilinghuis in Nederland zijn verkocht. Waar de zaken zijn verkocht is echter onvoldoende bepalend voor het antwoord op de vraag waar de schade is ingetreden.

De uitkomst is dat de Nederlandse rechter geen rechtsmacht heeft. De rechtbank moet zich daarom onbevoegd verklaren om kennis te nemen van de vordering van [procesdeelnemer 1] e.a. op [procesdeelneemster 5] .

Proceskosten

[procesdeelnemer 1] e.a. zijn in het incident in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) in het incident betalen. De proceskosten van [procesdeelneemster 5] worden begroot op € 842,00 (€ 653,00 aan salaris advocaat (1 punt × € 653,00) en € 189,00 aan nakosten), plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing.

De gevorderde wettelijke rente over deze proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

[procesdeelnemer 1] e.a. worden verder hoofdelijk tot betaling van deze proceskosten met wettelijke rente veroordeeld. Dat betekent dat ieder van hen kan worden aangesproken om het gehele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer aan [procesdeelneemster 5] te betalen.

De proceskostenveroordeling wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

4. De beoordeling in de hoofdzaak

Doordat de rechtbank zich onbevoegd moet verklaren om van het geschil kennis te nemen, komt de hoofdzaak tussen [procesdeelnemer 1] e.a. en [procesdeelneemster 5] tot een einde.

Dat betekent dat [procesdeelnemer 1] e.a. de proceskosten die [procesdeelneemster 5] in de hoofdzaak heeft gemaakt moet betalen. Deze kosten zijn nodeloos gemaakt doordat [procesdeelnemer 1] e.a. de zaak bij de verkeerde rechter aanhangig heeft gemaakt. De proceskosten worden begroot op het door [procesdeelneemster 5] voor deze zaak betaalde griffierecht van € 1.414,00 en de nakosten van € 189,00 plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing. Er wordt geen salaris advocaat toegekend voor de conclusie van antwoord. Deze conclusie had nog niet hoeven te worden genomen.De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

[procesdeelnemer 1] e.a. worden hoofdelijk tot betaling van deze proceskosten met wettelijke rente veroordeeld. Dat betekent dat ieder van hen kan worden aangesproken om het gehele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer aan [procesdeelneemster 5] te betalen.

De proceskostenveroordeling wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

5. De beslissing

De rechtbank

in het incident

wijst de vordering tot onbevoegdverklaring toe,

veroordeelt [procesdeelnemer 1] e.a. hoofdelijk in de proceskosten van € 842,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [procesdeelnemer 1] e.a. niet tijdig aan de proceskostenveroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

veroordeelt [procesdeelnemer 1] e.a. hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,

verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

in de hoofdzaak

verklaart zich onbevoegd van de vordering(en) in de hoofdzaak kennis te nemen,

veroordeelt [procesdeelnemer 1] e.a. hoofdelijk in de proceskosten van € 1.603,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [procesdeelnemer 1] e.a. niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,

veroordeelt [procesdeelnemer 1] e.a. hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.A.T. van Rens en in het openbaar uitgesproken op 12 augustus 2026.

4374

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand