RECHTBANK Midden-Nederland
Civiel recht
Zittingsplaats Lelystad
Zaaknummer: C/16/600704 / HL ZA 25-262
Vonnis in incident van 11 februari 2026
in de zaak van
1. [eiser sub 1] ,
te [plaats] ,2. [eiseres sub 2],
te [plaats] ,
eisende partijen in de hoofdzaak,
verwerende partijen in het incident,
hierna samen te noemen: [eisers] ,
advocaat: mr. F.L.P. Vulto,
tegen
1. [gedaagde sub 1] ,
te [plaats] ,2. [gedaagde sub 2],
te [plaats] ,
gedaagde partijen in de hoofdzaak,
eisende partijen in het incident,
hierna samen te noemen: [gedaagden] ,
advocaat: mr. B.M. Breedijk.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding met producties 1 t/m 12;
de incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring;
de incidentele conclusie van antwoord.
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.
2. De beoordeling in het incident
Waar de hoofdzaak over gaat
[eisers] hebben op 11 november 2022 een woning van [gedaagden] gekocht. Zij hebben daarbij afgesproken dat [gedaagden] als bouwbegeleider zouden optreden bij de realisatie van een aanbouw. [eisers] vinden dat zowel de woning als de aanbouw niet aan de afspraken voldoen en gebreken vertonen. [eisers] vorderen daarom primair een verklaring voor recht dat de woning door [gedaagden] non-conform is geleverd en de veroordeling van [gedaagden] tot betaling van schadevergoeding. Subsidiair vorderen [eisers] een koopprijsvermindering op grond van dwaling en meer subsidiair vorderen zij de partiële ontbinding van de overeenkomst met een prijsvermindering. Dit alles vermeerderd met rente en kosten.
Waar het incident over gaat
[gedaagden] hebben een incidentele vordering ingesteld tot oproeping van [A] h.o.d.n. [handelsnaam 1] (hierna: [handelsnaam 1] ) en [B] h.o.d.n. [handelsnaam 2] (hierna: [handelsnaam 2] ) in vrijwaring. [gedaagden] stellen dat, als zij in de hoofdzaak worden veroordeeld tot betaling, zij schade lijden. Die schade menen zij te kunnen verhalen op [handelsnaam 1] , omdat [handelsnaam 1] de woning gerenoveerd heeft. [gedaagden] stellen verder dat [handelsnaam 2] eventueel óók aansprakelijk is voor de schade aan de aanbouw. De opdracht voor de bouw van de aanbouw is namelijk (door [eisers] ) verstrekt aan [handelsnaam 2] . [gedaagden] menen dat [handelsnaam 2] zich de belangen van [gedaagden] bij de uitvoering had moeten aantrekken, omdat bekend was dat [gedaagden] formeel betrokken waren als bouwbegeleider. Volgens [gedaagden] is niet uit te sluiten dat de schade met betrekking tot de aanbouw is ontstaan door zowel de uitvoering door [handelsnaam 2] als het toezicht van [gedaagden] op die uitvoering. In dat geval is er mogelijk sprake van hoofdelijke aansprakelijkheid.
[eisers] hebben verweer gevoerd tegen de incidentele vordering van [gedaagden] Zij vinden dat [gedaagden] zich schuldig maakt aan misbruik van procesrecht door onredelijke vertraging te creëren. Volgens [eisers] is het namelijk niet nodig dat [handelsnaam 1] en [handelsnaam 2] in vrijwaring worden opgeroepen. Ten aanzien van [handelsnaam 1] voeren [eisers] aan dat als [gedaagden] al een vordering op [handelsnaam 1] hadden, deze inmiddels is verjaard. Ten aanzien van [handelsnaam 2] stellen [eisers] dat er geen rechtsverhouding tussen [gedaagden] en [handelsnaam 2] bestaat, waardoor de incidentele vordering tot vrijwaring afgewezen moet worden.
De vordering ten aanzien van [handelsnaam 1] zal worden toegewezen
Bij de beoordeling van de vordering in het incident stelt de rechtbank voorop dat een vordering tot oproeping van een derde in vrijwaring in beginsel toewijsbaar is, indien de gedaagde partij in de hoofdzaak/eiser in het incident (de gewaarborgde) concreet stelt en voldoende onderbouwt dat de in vrijwaring op te roepen derde (de waarborg) krachtens zijn rechtsverhouding tot hem verplicht is de nadelige gevolgen van een veroordeling van gedaagde in de hoofdzaak te dragen. Het daadwerkelijk bestaan van de gestelde rechtsverhouding behoeft nog niet vast te staan. Dat zal in de vrijwaringszaak moeten worden onderzocht.
Met betrekking tot het oproepen in vrijwaring van [handelsnaam 1] overweegt de rechtbank het volgende. Uit hetgeen [gedaagden] naar voren hebben gebracht kan een vrijwaringsverplichting voor [handelsnaam 1] voortvloeien. Het verzet van [eisers] tegen honorering van de oproeping in vrijwaring ziet op de haalbaarheid van de vrijwaringsclaim van [gedaagden] Bij de beoordeling van een vordering om een derde partij in vrijwaring te mogen oproepen, wordt echter niet gekeken naar de kans van slagen van de ingenomen stellingen. Dat is volledig aan de rechter die in de vrijwaringsprocedure heeft te oordelen. Op deze plaats wordt enkel beoordeeld of uit de stellingen mogelijk een verplichting tot vrijwaring voortvloeit. De rechtbank zal de vordering van [gedaagden] ten aanzien van [handelsnaam 1] daarom toewijzen.
Er is geen sprake van misbruik van procesrecht
Niet is gebleken dat er sprake is van misbruik van procesrecht door [gedaagden] Evident is dat [gedaagden] een belang hebben bij het oproepen in vrijwaring van [handelsnaam 1] . [eisers] hebben onvoldoende aangevoerd om te oordelen dat er sprake is van strijd met goede procesorde door dit incident. Dat mogelijk vertraging kan ontstaan is daartoe onvoldoende. Daar komt bij dat als er toch vertraging zou ontstaan, de hoofdzaak zo nodig van de vrijwaringszaak kan worden afgesplitst.
De vordering ten aanzien van [handelsnaam 2] zal worden afgewezen
Met betrekking tot het oproepen in vrijwaring van [handelsnaam 2] overweegt de rechtbank als volgt. Zoals hierboven is beschreven, is voor toewijzing van een incidentele vordering tot vrijwaring vereist dat de gewaarborgde (in dit geval [gedaagden] ) voldoende stelt en onderbouwt dat de in vrijwaring op te roepen waarborg (in dit geval [handelsnaam 2] ) krachtens zijn rechtsverhouding tot hem verplicht is de nadelige gevolgen van een veroordeling van gedaagde in de hoofdzaak te dragen. Naar het oordeel van de rechtbank hebben [gedaagden] onvoldoende onderbouwd dat er een rechtsverhouding tussen hen en [handelsnaam 2] bestaat, op grond waarvan [handelsnaam 2] verplicht zou zijn de nadelige gevolgen van een veroordeling in de hoofdzaak te dragen. Hiervoor is de enkele stelling dat [handelsnaam 2] zich de belangen van [gedaagden] had moeten aantrekken onvoldoende.
De proceskosten worden gecompenseerd
In dit incident kan geen van partijen als de in het ongelijk gestelde partij worden beschouwd. Daarom zullen de proceskosten worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
3. De beslissing
De rechtbank
in het incident
staat toe dat [handelsnaam 1] , zaakdoende te ( [postcode] ) [plaats] aan de [adres] , door [gedaagden] wordt gedagvaard tegen de terechtzitting van 25 maart 2026¸
compenseert de kosten van het incident tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
wijst het meer of anders gevorderde af,
in de hoofdzaak
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 25 maart 2026 voor conclusie van antwoord,
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. van Wegen en in het openbaar uitgesproken op 11 februari 2026.
5827