ECLI:NL:RBMNE:2026:5766

ECLI:NL:RBMNE:2026:5766

Instantie Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak 22-07-2026
Datum publicatie 21-08-2026
Zaaknummer C/16/609316 / HA RK 26-64
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Beschikking
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

Letsel door val paard tijdens les bij manege. Sprake van alleen stallen van het paard. Geen zeggenschap. Manage kan niet kan worden aangemerkt als bedrijfsmatig gebruiker in de zin van artikel 6:181 BW.

Uitspraak

RECHTBANK Midden-Nederland

Civiel recht

Zittingsplaats Utrecht

Zaaknummer / rekestnummer: C/16/609316 / HA RK 26-64

Beschikking van 22 juli 2026

in de zaak van

[verzoekende partij] ,

wonend in [woonplaats] ,

verzoekende partij,

hierna te noemen: [verzoekende partij] ,

advocaat: mr. C.E. Stellingwerf,

tegen

1. [verweerder sub 1] B.V.,

gevestigd in [vestigingsplaats] ,

2. de vennootschap onder firma [verweerder sub 2],

gevestigd in [vestigingsplaats] ,

hierna samen te noemen: de manege,

3. ACHMEA SCHADEVERZEKERINGEN N.V.,

gevestigd in Apeldoorn,

hierna te noemen: Achmea,

verwerende partijen.

advocaat: mr. R.H.J. Wildenburg.

1. De procedure

De rechtbank beschikt over de volgende stukken:

- het verzoekschrift met 9 producties;

- het verweerschrift met één productie;

- de akte ter overlegging van productie 10 van de zijde van [verzoekende partij] ;

Op 8 juni 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig [verzoekende partij] met haar partner en haar broer en haar advocaat mr. C.E. Stellingwerf. Namens de manege was [vennoot] , vennoot van de vof, aanwezig samen met mr. R.H.J. Wildenburg. Beide partijen hebben pleitaantekeningen overgelegd en voorgedragen. De rechter heeft vragen gesteld en partijen hebben op elkaar kunnen reageren. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat er is besproken.

De beschikking was bepaald op 8 juli 2026. Helaas is die termijn niet gehaald, waarvoor de rechtbank excuus maakt.

2. De kern van de zaak

Op 10 februari 2024 is [verzoekende partij] een ongeval overkomen toen zij op het paard [naam] reed tijdens een paardrijles op de manage. Door het ongeval heeft [verzoekende partij] een incomplete dwarslaesie opgelopen en ervaart zij beperkingen. [verzoekende partij] heeft de manage aansprakelijk gesteld en de manage heeft de zaak gemeld bij haar aansprakelijkheidsverzekeraar Achmea. [verzoekende partij] is van mening dat de manage aansprakelijk is voor haar schade op grond van artikel 6:181 van het Burgerlijk Wetboek (BW), omdat de manage als bedrijfsmatig gebruiker van [naam] aangemerkt kan worden. De rechtbank is het daar niet mee eens. Dat betekent dat de door [verzoekende partij] verzochte verklaring voor recht wordt afgewezen.

3. De beoordeling

De zaak is geschikt voor deze procedure

[verzoekende partij] heeft zich tot de rechtbank gewend met een verzoek als bedoeld in artikel 1019w Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv). In dit artikel is de mogelijkheid van een deelgeschilprocedure opgenomen. Die mogelijkheid bestaat als er sprake is van schade die wordt geleden door dood of letsel en als sprake is van een geschil over een onderdeel van de rechtsstrijd.

De deelgeschilprocedure biedt betrokkenen bij een geschil over schade als gevolg van dood of letsel in de buitengerechtelijke onderhandelingsfase een eenvoudige en snelle toegang tot de rechter, om de totstandkoming van een minnelijke regeling te bevorderen. In verband hiermee moet de rechtbank eerst beoordelen of de verzochte beslissing kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. Als dit onvoldoende het geval is, moet het verzoek worden afgewezen (artikel 1019z Rv).

Het is niet in geschil dat de val van [verzoekende partij] veroorzaakt is door een onverwachte beweging van het paard [naam] en dat zij als gevolg van de val letselschade heeft opgelopen. In dit geval verschillen partijen – kort gezegd – van mening over de vraag of de manage als bedrijsfmatig gebruiker van [naam] in de zin van artikel 6:181 BW kan worden aangemerkt. Met een oordeel hierover kan de ontstane impasse tussen partijen worden doorbroken en kunnen de onderhandelingen in principe worden voortgezet. Dit betekent dat de rechtbank het verzoek inhoudelijk zal bespreken.

De manage was geen bedrijfsmatig gebruiker van het paard

Uit art. 6:179 BW volgt dat (in beginsel) de bezitter van het paard [naam] voor de schade aansprakelijk is. Dat was niet de manage, maar mevrouw [A] . Als het paard [naam] werd gebruikt in de uitoefening van een bedrijf, dan rust op grond van artikel 6:181 lid 1 BW de aansprakelijkheid niet op de bezitter maar op degene die dit bedrijf uitoefent. In dit geval de manage.

Het antwoord op de vraag of er sprake is van bedrijfsmatig gebruik in de zin van artikel 6:181 BW is afhankelijk van de feitelijke omstandigheden van het geval.

Er zijn vijf relevante gezichtspunten:

Kenbaarheid/uniformiteit: de mate waarin het dier vanuit het perspectief van derden (met name het slachtoffer) kan worden gezien als onderdeel van ‘het bedrijf’

Profijt: de mate waarin het bedrijf (of juist de bezitter) profijt heeft van het gebruik van het dier

Verzekerbaarheid: de mate waarin het op de weg ligt van het bedrijf (of juist de bezitter) om zich te verzekeren tegen schade

Zeggenschap: de mate waarin het bedrijf invloed heeft op het dier en bij machte is de risico’s zoveel mogelijk te beperken

Verbondheid: de nauwheid van de band met het dier.

[A] had haar paard [naam] vanaf 30 april 2021 gestald bij de manage. [A] en de manage hadden mondeling een stallingsovereenkomst gesloten die inhield dat [naam] het gehele jaar gestald werd bij de manage. Zij betaalde daarvoor een bedrag van € 6.000 per jaar. Zij kreeg geen vergoeding van de manage voor het gebruik van [naam] en ook kreeg zij geen korting op de pensionstallingskosten. Volgens [A] kreeg zij in ruil voor de vergoeding: ‘Gebruik van een paardenbox (24 uur per dag / 365 dagen per jaar); het enige malen per dag verstrekken van water en voer; het gebruik van de zadelkamer; water voor verschonen van mijn paard; het gebruik van paddocks; en afvoer van mest en geven van nieuw stro.

[naam] werd dus gestald bij de manage. In de situatie waarin een paard enkel gestald is bij de manegehouder, mag de manegehouder niet als bedrijfsmatige gebruiker worden beschouwd.

Uit de verklaring van [A] blijkt dat [naam] niet door de manage gebruikt werd als lespaard. [verzoekende partij] had een lesovereenkomst met de manege. Op die lesovereenkomst had [verzoekende partij] omcirkeld dat zij zou lessen ‘met eigen paard’. Daarvoor maakte zij gebruik van [naam] . Het contact over [naam] verliep altijd met [A] zelf en niet via de manage. [verzoekende partij] en [A] waren kennissen van elkaar. Het was daardoor voor [verzoekende partij] kenbaar dat [naam] geen onderdeel was van het bedrijf. [verzoekende partij] heeft nog aangevoerd dat de manage een lesrooster maakte en dat daar op stond dat zij op [naam] reed, maar dat was niet omdat de manage haar op [naam] indeelde, maar omdat zij er zelf voor had gekozen om op [naam] te rijden. De manage had geen profijt van de inzet van [naam] tijdens lessen. Dat [naam] structureel werd ingezet binnen de bedrijfsvoering van de manage, zoals [verzoekende partij] stelt, is niet gebleken. Alleen [verzoekende partij] en nog een andere persoon reden op [naam] en zij regelden dit zelf met [A] . Dat ging niet via de manage. De manage hanteert ook een ander tarief voor het lessen met eigen paard (€ 25) ten opzichte van lessen op een manegepaard (€ 35 per half uur). Anders dan [verzoekende partij] stelt, is het niet zo dat zij de manage betaalde voor lessen op [naam] . Zij betaalde om les te krijgen van een instructeur, terwijl zij zelf op haar ‘eigen’ paard (namelijk [naam] ) reed. Ter zitting is gebleken dat [verzoekende partij] ook op managepaarden reed, maar dat was alleen tijdens de groepslessen die zij op vrijdag volgde bij de manage. Dat was niet het geval tijdens de privé les die zij had op woensdag. En het ongeval heeft plaatsgevonden tijdens zo’n privé les op een woensdag, toen zij op [naam] reed.

Doordat de manege [naam] niet kon inzetten voor lessen en zij geen rechtstreeks contact had met [A] over de inzet van [naam] , had de manage geen zeggenschap over [naam] . [verzoekende partij] heeft ter onderbouwing van haar standpunt nog verwezen naar een uitspraak van de rechtbank Rotterdam. Daar was echter sprake van inzet van een paard door de manage, terwijl in deze zaak [naam] niet werd ingezet door de manege maar vanwege een afspraak tussen [A] en [verzoekende partij] . Van grote verbondenheid tussen [naam] en de manage is ook geen sprake. [naam] was alleen gestald bij de manage. Het enkele feit dat [naam] al jaren gestald was bij de manage, maakt niet dat er daardoor sprake is van grote verbondenheid tussen [naam] en de manage.

Daarnaast waren [A] en [verzoekende partij] het beste in staat om de risico’s tijdens de les te minimaliseren en schade te voorkomen. Dat kon de manage niet. De manage kon niet bepalen wie er op [naam] mocht rijden en kon [naam] ook niet inzetten voor lessen. Daardoor kon zij ook geen maatregelen nemen om het risico op schade te voorkomen. De manage kon ook het risico op schade tijdens de les op [naam] niet verzekeren, omdat er alleen sprake was van een stallingsovereenkomst.

Rekening houdend met de onder 3.5 genoemde gezichtspunten is de rechtbank van oordeel dat de manage niet kan worden aangemerkt als bedrijfsmatig gebruiker in de zin van artikel 6:181 BW. Daarom wordt de gevorderde verklaring voor recht, dat de manage als bedrijfsmatig gebruiker kan worden aangemerkt, afgewezen.

Kosten deelgeschil

De rechtbank moet op grond van artikel 1019aa lid 1 Rv de kosten van de deelgeschilprocedure begroten. Dat geldt ook als een verzoek in deelgeschil wordt afgewezen. Alleen als de deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld, hoeven de kosten van de procedure niet te worden begroot. Van deze laatste situatie is in dit geval geen sprake.

Bij de begroting van de kosten moet de rechtbank de redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 Burgerlijk Wetboek (BW) in aanmerking nemen. Daarbij moet de rechtbank de dubbele redelijkheidstoets hanteren; zowel het inroepen van de rechtsbijstand als de daarvoor gemaakte kosten moeten redelijk zijn.

[verzoekende partij] maakt aanspraak op € 7.750,05 inclusief btw, te vermeerderen met het griffierecht. De manage voert aan dat [verzoekende partij] een bewust risico heeft genomen door op [naam] te gaan rijden, zodat 50% van de kosten voor haar eigen rekening moet blijven. Verder voert de manage aan dat niet is aangetoond dat de kosten daadwerkelijk zijn voldaan door [verzoekende partij] .

Voor het begroten van de kosten van het deelgeschil is het niet nodig dat is aangetoond dat de kosten daadwerkelijk zijn voldaan door [verzoekende partij] . Verder geldt dat de rechtbank tot het oordeel is gekomen dat de manege niet aansprakelijk is, waardoor de rechtbank ook geen oordeel heeft gegeven over de (mogelijke) eigen schuld van [verzoekende partij] . Over eigen schuld is in het kader van dit deelgeschil ook geen oordeel gevraagd.De mogelijke eigen schuld kan daardoor ook niet doorwerken in de kosten van dit deelgeschil.

De rechtbank is wel van oordeel dat het aantal uur dat aan de zaak is besteed, te hoog is. Van een ervaren letselschadeadvocaat mag worden verwacht dat de zaak voortvarend en efficiënt wordt behandeld. De rechtbank zal het aantal uren daarom begroten op 15. Het uurtarief van € 369,05 inclusief BTW is hoog, maar vanwege de ervaring van mr. Stellingwerf is de rechtbank van oordeel dat de kosten redelijk zijn. De redelijke kosten voor het opstellen van het verzoekschrift en de verdere behandeling van de zaak als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW zullen door de rechtbank dan ook worden begroot op 15 uren × € 369,05 inclusief btw, dus op € 5.535,75 inclusief btw te vermeerderen met het door [verzoekende partij] betaalde griffierecht van € 341,00. Omdat de aansprakelijkheid niet is komen vast te staan, zal de rechtbank de kosten alleen begroten en de manage niet veroordelen tot betaling daarvan. Het begrote bedrag hoeft alleen door de manage te worden betaald, als haar aansprakelijkheid alsnog komt vast te staan.

4. De beslissing

De rechtbank

wijst de verklaring voor recht af,

begroot de kosten van dit deelgeschil op € 5.535,75 inclusief btw te vermeerderen met het door [verzoekende partij] betaalde griffierecht van € 341,00.

Deze beschikking is gegeven door mr. K.G.F. van der Kraats en in het openbaar uitgesproken door mr. A.A.T. van Rens op 22 juli 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand