RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
[eiser] , uit [plaats] , eiser
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, verweerder
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/2097 T
tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 augustus 2026 in de zaak tussen
(gemachtigde: mr. H.A. Pasveer),
en
(gemachtigde: mr. N.J. van Polanen).
Procesverloop
Bij besluit van 17 juli 2025 (het primaire besluit) heeft het college geweigerd om een omgevingsvergunning te verlenen voor het legaliseren van een muur en poort op de locatie [adres] in [plaats] . Tegen dat besluit heeft eiser bezwaar gemaakt.
In het besluit van 25 februari 2026 (het bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 21 juli 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde en vergezeld door [A] (zijn partner). Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, vergezeld door [B] .
Overwegingen
1. Eiser is sinds 2019 eigenaar van de woning aan [adres] in [plaats] . De voorgevel van de woning grenst direct aan de [straat] . De woning is in 1992 aangewezen als rijksmonument (monumentnummer [nummer] ). Naast de woning ligt, grenzend aan de weg, een erf met een tuin. Toen eiser de woning kocht was op de grens met de weg een muur van 1,66 meter hoog aanwezig met een open poort die vanaf de weg toegang gaf tot het erf. De muur verkeerde in slechte staat van onderhoud. Eiser heeft de muur hersteld en opgemetseld naar een hoogte van twee meter. De poort heeft hij vervangen door een dichte poort om inkijk vanaf de hoger gelegen weg in zijn tuin en woning te voorkomen. Eiser verkeerde naar eigen zeggen in de veronderstelling dat dit vergunningsvrij kon. Toen eiser ontdekte dat dit niet het geval was, heeft hij alsnog een omgevingsvergunning bij het college aangevraagd.
Omgevingsplanactiviteit
2. De aanvraag ziet op een omgevingsplanactiviteit. Het omgevingsplan van de gemeente Utrecht (het omgevingsplan) bepaalt dat het verboden is om zonder omgevingsvergunning te bouwen en een bouwwerk dat in strijd met de wet is gebouwd in stand te houden of te gebruiken. In afwijking van deze hoofdregel mag een erf- of perceelafscheiding op het zij- en achtererf onder een aantal voorwaarden zonder omgevingsvergunning worden gebouwd. Zo moet de erf- of perceelafscheiding achter de lijn staan die loopt langs de voorkant van het hoofdgebouw en vanaf daar evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied zonder het hoofdgebouw te doorkruisen of in het gebouwerf achter het hoofdgebouw te komen. Ook mag de erf- of perceelafscheiding niet aan een gebouw dat is aangewezen of voorbeschermd als gemeentelijk monument, provinciaal monument of rijksmonument gebouwd worden. Omdat de muur een erfafscheiding is die tegen het rijksmonument aan is gebouwd, is het verhogen van de muur niet vergunningsvrij. Dat is tussen partijen niet in geschil. Aanvankelijk stelde het college zich ook op het standpunt dat de verhoging van de muur niet vergunningvrij is omdat de muur zich niet achter de lijn bevindt die loopt langs de voorkant van het hoofdgebouw en vanaf daar evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar gebied, maar van dat standpunt heeft het college op de zitting afstand genomen.
3. Het omgevingsplan bepaalt dat een erf- of perceelafscheiding die niet vergunningvrij is niet is toegestaan, tenzij hierover in het tijdelijke deel van het omgevingsplan op een locatie specifieke regels gelden over het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde en de erf- of perceelafscheiding voldoet aan die regels. Volgens partijen bevat het ‘Chw bestemmingsplan Pijlsweerd, Tuinwijk, Vogelenbuurt, Griftpark’, dat onderdeel uitmaakt van het tijdelijk deel van het omgevingsplan en waarin het perceel van eiser de bestemming ‘Wonen’ heeft, geen specifieke regels over erf- of perceelafscheidingen. Om die reden is de erfafscheiding in strijd met het omgevingsplan. Omdat partijen hierover niet van mening verschillen, buigt de rechtbank zich niet over de vraag of er locatie specifieke regels gelden en of de verhoging van de muur hieraan voldoet. De rechtbank stelt met partijen vast dat het omgevingsplan geen (binnenplanse) afwijkingsmogelijkheid bevat voor een erf- of perceelafscheiding die aan een rijksmonument is gebouwd. Dat betekent dat sprake is van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, waardoor het college alleen een omgevingsvergunning kan verlenen met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
4. Het college heeft voor de beoordeling van de aanvraag advies gevraagd aan de afdeling stedenbouw. De stedenbouwkundige afdeling stelt dat met het bouwplan een hoge en dichte wand in de straat ontstaat wat stedenbouwkundig gezien ongewenst is. Aangezien een dichte poort eerder is vergund gaat de afdeling stedenbouw daarin mee, maar dat geldt niet voor de bouwhoogte. Daarbij betrekt de afdeling stedenbouw dat de muur en poort in het verlengde van de voorgevel liggen. Het betreft daarmee een duidelijke voorkantsituatie naar openbaar gebied in een belangrijke recreatieve route aan de Vecht. De hoge muur geeft het beeld van een achterkant, waar hoge erfafscheidingen tot twee meter mogelijk zijn. In stedenbouwkundig opzicht is het belangrijk om hier een voorkantsituatie te behouden en geen achterkant te creëren, aldus de afdeling stedenbouw. Daarom luidt het advies van stedenbouw om de muur- en poorthoogte terug te brengen naar maximaal 1,66 meter.
5. Eiser voert aan dat geen deugdelijke beoordeling van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties heeft plaatsgevonden. Volgens eiser kan het bouwplan vrijwel volledig vergunningsvrij worden gerealiseerd en gaat de afdeling stedenbouw in zijn advies daar ten onrechte aan voorbij. Het beoogde doel van de weigering, namelijk het voorkomen dat de openheid van het gebied wordt aangetast door een muur van twee meter hoog langs het zij-erf, kan het college niet bereiken omdat de bouwhoogte op zichzelf vergunningsvrij is. Wat de muur vergunningplichtig maakt is enkel het feit dat de muur aan een rijksmonument is gebouwd. De vraag die het college hier volgens eiser had moeten stellen en beantwoorden is of door het bouwen tegen het rijksmonument aan, stedenbouwkundige waarden in geding zijn.
6. De rechtbank is van oordeel dat het college het advies van de afdeling stedenbouw niet aan de motivering van de weigering ten grondslag heeft kunnen leggen, omdat dit advies een motiveringsgebrek bevat. Zoals partijen hebben vastgesteld is het bouwplan van eiser in strijd met het omgevingsplan, enkel vanwege de reden dat de erfafscheiding aan een gebouw is gebouwd dat is aangewezen als rijksmonument. Dat geldt in ieder geval voor de muur met een breedte van 85 centimeter die tegen het monument is aangebouwd. Wanneer de erfafscheiding niet aan het rijksmonument was gebouwd, dan was het verhogen van de erfafscheiding vergunningsvrij geweest. Dit is ook door het college tijdens de zitting bevestigd. De rechtbank overweegt dat het negatieve advies van de afdeling stedenbouw uitsluitend is gebaseerd op de bouwhoogte van twee meter, terwijl een muur met die bouwhoogte op zichzelf geheel vergunningsvrij op dezelfde plek kan worden gebouwd, mits deze maar niet aan het monument vast is gebouwd. Uit het stedenbouwkundig advies blijkt niet waarom bouwen tegen het rijksmonument aan vanuit stedenbouwkundig oogpunt op deze locatie ongewenst is, terwijl dat de reden is waarom het bouwplan vergunningplichtig is. Omdat het stedenbouwkundig advies in geen enkele vorm rekenschap geeft van het feit dat de muur nagenoeg, mits los van het rijksmonument, vergunningsvrij is, constateert de rechtbank een motiveringsgebrek. Gelet op het motiveringsgebrek bij de beoordeling of sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties komt de rechtbank niet toe aan een beoordeling van de door het college gemaakte belangenafweging waarom meer gewicht wordt toegekend aan de stedenbouwkundige belangen dan aan het belang van eiser om de bestaande muur langs het zij-erf van zijn woning te verhogen tot twee meter.
Rijksmonumentenactiviteit
7. Als onderdeel van de aanvraag heeft eiser ook verzocht om een omgevingsvergunning voor de rijksmonumentenactiviteit voor het verhogen van de muur. Een rijksmonumentenactiviteit is een activiteit inhoudende het slopen, verstoren, verplaatsen of wijzigen van een rijksmonument of een voorbeschermd rijksmonument of het herstellen of gebruiken daarvan waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht. Eiser voert aan dat het advies van de afdeling erfgoed miskent dat de muur met poort vergunningvrij is voor de monumentenactiviteit als er een opening van een aantal centimeters wordt gelaten tussen de erfafscheiding en het rijksmonument. Het advies van de afdeling erfgoed, dat is overgenomen door de Commissie Omgevingskwaliteit Utrecht (de welstandscommissie) en waaruit volgt dat er geen bezwaren zijn tegen het opmetselen en versmallen van de muur, omdat de muur geen monumentwaarde heeft, maar wel tegen het volledig dichtzetten met een moderne poort vanwege het straatbeeld, ziet niet op de monumentale waarden. Het college weigert volgens eiser de omgevingsvergunning op andere gronden dan die uit de beoordelingsregels van een rijksmonumentenactiviteit volgen.
8. Op de zitting heeft de rechtbank aan de orde gesteld of eiser vindt dat voor zijn bouwplan wel een omgevingsvergunning voor een rijksmonumentenactiviteit nodig is. Daarop antwoorde eiser dat de muur bij nader inzien geen onderdeel is van het rijksmonument en dat hij zijn bedenkingen heeft. Omdat het college tijdens de zitting heeft verklaard dat het ook graag duidelijkheid wil of het rijksmonument als gevolg van het verhogen van de muur is gewijzigd, heeft de rechtbank ingestemd met een verbreding van de omvang van het geding en zal het een oordeel vellen over de vraag of voor de verhoging van de muur een omgevingsvergunning nodig is voor de rijksmonumentenactiviteit. Naar de rechtbank begrijpt stelt eiser zich op het standpunt dat het college niet anders had kunnen besluiten dan dat hij voor het ophogen van de muur geen omgevingsvergunning voor een rijksmonumentenactiviteit nodig heeft, omdat geen sprake is van het wijzigen van een rijksmonument. De rechtbank ziet zich daarom voor de vraag gesteld of eiser het rijksmonument heeft gewijzigd.
9. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Monumentenwet 1988, waarin aanvankelijk was bepaald dat het verboden is om zonder of in afwijking van een vergunning een beschermd monument af te breken, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen, kan worden afgeleid dat de wetgever heeft beoogd aan te sluiten bij de vaste jurisprudentie dat niet het kadastrale perceel grondslag is voor de bescherming van wat zich daarop bevindt, maar dat slechts beschermd is datgene wat als bouwkundige en functionele onlosmakelijke zelfstandige eenheid is genoemd in de redengevende omschrijving. De rechtbank zet deze vaste jurisprudentielijn voort onder de Omgevingswet, omdat de strekking van de vergunningplicht voor de rijksmonumentenactiviteit in de Omgevingswet ongewijzigd is gebleven.
10. Bij besluit van 9 december 1992 is de vroeg 19e-eeuws boerderij van het T-huis type, bestaande uit een eenlaags woonhuis, een deel, twee stenen schuren en een houten schuur aangewezen als rijksmonument. Uit de redengevende omschrijving volgt dat langs de [straat] al in de middeleeuwen lintbebouwing ontstond, veelal wisselende functies bevattend. [adres] is een voorbeeld van de kleinschalige agrarische bebouwing langs de rivier de Vecht. Het voorhuis bestaat uit een opkamer, waaronder een kelder, en een zijkamer. De frontgevel is in de 19e eeuw verbouwd tot een over de volle breedte doorlopende lijstgevel. In de ongepleisterde gevel bevinden zich de oorspronkelijke schuifvensters. De linker twee ramen missen de roedeverdeling. De constructie van het gebouw is vrijwel intact. Het perceel met opstallen is volgens de omschrijving van historisch belang in de buitensteedse ontwikkeling met betrekking tot de stad.
11. Het feit dat in de redengevende omschrijving uitsluitend de opstallen zijn vermeld betekent niet dat alleen hieraan bescherming toekomt. Ook hetgeen bouwkundig en functioneel één onlosmakelijk geheel vormt met de opstallen deelt in de bescherming als rijksmonument. Nu de muur waar het hier om gaat niet in het ontwerp en uitvoering in samenhang met het rijksmonument tot stand is gekomen en slechts met één rij bakstenen in verbinding staat met het aangewezen rijksmonument, vormt deze muur geen bouwkundig en functioneel onlosmakelijke eenheid met het rijksmonument. Het woonhuis met de aangebouwde deel zijn als afzonderlijke eenheid onverminderd herkenbaar. De aangebouwde muur deelt dan ook niet in de bescherming als monument, nu het bouwen ervan niet kan worden aangemerkt als een wijziging van het rijksmonument. De rechtbank concludeert dat voor het bouwplan geen omgevingsvergunning voor een rijksmonumentenactiviteit nodig is. Het college was om die reden niet bevoegd de omgevingsvergunning voor deze activiteit te weigeren maar had in plaats daarvan moeten besluiten dat geen omgevingsvergunning voor deze activiteit nodig was (het besluit op een aanvraag om een omgevingsvergunning dat er voor de aangevraagde activiteit geen omgevingsvergunning nodig is wordt in de rechtspraak ook wel aangeduid met de (onheldere) term ‘positieve weigering’). Dat betekent dat de rechtbank niet toekomt aan de vraag of het advies van afdeling erfgoed in relatie staat tot de beoordelingsregels voor een rijksmonumentenactiviteit.
Tussenuitspraak
12. Zoals onder 6 is overwogen bevat het bestreden besluit ten aanzien van het besluitonderdeel over de buitenplanse omgevingsplanactiviteit een motiveringsgebrek. Om het gebrek te herstellen, moet het college alsnog toereikend motiveren waarom het bouwplan van eiser in strijd is met de stedenbouwkundige eisen. Omdat een buitenplanse omgevingsplanactiviteit alleen verleend wordt als het uiterlijk of de plaatsing van een bouwwerk niet in strijd is met redelijke eisen van welstand en de Commissie Omgevingskwaliteit (de welstandscommissie) zich heeft aangesloten bij het advies van afdeling erfgoed zonder te duiden waarom het verhogen van de muur in strijd is met de redelijke eisen van welstand, is ook op dat punt sprake van een motiveringsgebrek. Het college dient dus ook toereikend te motiveren waarom het verhogen van de muur tegen het rijksmonument in strijd is met de redelijke eisen van welstand. Als het college bij het standpunt blijft dat de omgevingsvergunning zou moeten worden geweigerd, zal het zich vervolgens op grond van vaste rechtspraak nog moeten afvragen of het eiser in de gelegenheid moet stellen de aanvraag op een ondergeschikt punt te wijzigen zodat een beletsel voor het kunnen verlenen van de omgevingsvergunning wordt weggenomen. De rechtbank acht deze rechtspraak ook van toepassing op een situatie waarin een ondergeschikte wijziging van een bouwplan met zich brengt dat het besluit moet worden genomen dat er geen omgevingsvergunning voor de betrokken activiteit meer nodig is.
13. Zoals overwogen onder 11 had het college ten aanzien van het besluitonderdeel over de rijksmonumentenactiviteit moeten beslissen dat de omgevingsvergunning voor deze activiteit niet nodig is.
14. De rechtbank kan het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen gebreken in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. De rechtbank doet dan een tussenuitspraak. De rechtbank ziet aanleiding om het college in de gelegenheid te stellen de gebreken te herstellen. Dat herstellen kan ten aanzien van het besluitonderdeel over de omgevingsplanactiviteit hetzij met een aanvullende motivering, hetzij, voor zover nodig, met een nieuwe beslissing op bezwaar, na of tegelijkertijd met intrekking van het nu bestreden besluit. Het college kan de hiervoor genoemde gebreken ook herstellen door de gevraagde omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit alsnog aan eiser te verlenen. Ten aanzien van het besluitonderdeel over de rijksmonumentenactiviteit kan het college het gebrek herstellen door dit besluitonderdeel uit het primaire besluit te herroepen en in plaats daarvan te besluiten dat voor de desbetreffende activiteit geen omgevingsvergunning nodig is.
15. Het college moet zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, meedelen aan de rechtbank of hij gebruik maakt van de gelegenheid de gebreken te herstellen. Als het college gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiser in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van het college. In beginsel, ook in de situatie dat het college de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.
16. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.
Beslissing
De rechtbank:
- draagt het college op binnen twee weken de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid de gebreken te herstellen;
- stelt het college in de gelegenheid om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak de gebreken te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;
- houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze uitspraak is gedaan door mr. ing. A. Rademaker, rechter, in aanwezigheid van
mr. S.N. van Ooijen, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 14 augustus 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.