RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 11877991 \ UC EXPL 25-7194
Vonnis van 11 februari 2026
in de zaak van
[eiser] ,
wonend in [woonplaats] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. J.B. de Jong,
tegen
[gedaagde] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon van haar bestuurder, [gemachtigde] .
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 2 september 2025,- de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie van 17 september 2025,- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald.
Op 8 januari 2025 heeft er een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Hierbij was [eiser] aanwezig met zijn gemachtigde, mr. J.B. de Jong. Namens [gedaagde] waren haar bestuurder, meneer [gemachtigde] , en zijn partner, mevrouw [A] , aanwezig. Partijen hebben de vragen van de kantonrechter beantwoord en hebben op elkaar gereageerd. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat er is besproken.
Ten slotte heeft de kantonrechter partijen laten weten dat het vonnis vandaag wordt uitgesproken.
2. De kern van de zaak
[eiser] heeft in oktober 2024 een Citroën Grand Picasso (hierna: de auto) gekocht van [gedaagde] . Na een maand (en nadien) ervaarde [eiser] klachten met de auto, waarna [gedaagde] de auto meerdere keren heeft gerepareerd. Volgens [eiser] is er ook na deze reparaties nog veel mis met de auto. Hij heeft daarom de buitengerechtelijke ontbinding van de koopovereenkomst ingeroepen en vordert dat [gedaagde] hem de koopprijs terugbetaalt. [gedaagde] is het hier niet mee eens. Zij zegt onder andere dat [eiser] zijn stellingen dat de auto niet goed werkt, niet heeft onderbouwd. De kantonrechter geeft [gedaagde] gelijk en wijst de vorderingen van [eiser] af. Dat geldt ook voor de reconventionele vordering van [gedaagde] .
3. De beoordeling
in conventie en in reconventie
Aangezien de vordering in reconventie samenhangt met de vordering in conventie, zullen deze hierna gezamenlijk behandeld worden.
Toetsingskader
De kantonrechter stelt voorop dat de koop van de auto door [eiser] een consumentenkoop is. Daar zijn partijen het ook over eens. Uit de wet volgt daarom dat de auto op het moment van levering de eigenschappen moest bezitten die de koper op grond van de overeenkomst mocht verwachten en waarover hij niet hoeft te twijfelen dat de zaak deze bezit. De koper mag verwachten dat de auto de eigenschappen bezit die voor een normaal gebruik nodig zijn. In het geval dat een (tweedehands) auto wordt gekocht om mee aan het verkeer deel te nemen, beantwoordt de auto niet aan de overeenkomst, wanneer gebruik van de auto een gevaar is voor de verkeersveiligheid. Het is niet zo dat de auto alleen ‘non-conform’ is, wanneer gebruik van de auto een gevaar is voor de verkeersveiligheid.
Bij een consumentenkoop is daarnaast ook artikel 7:18a lid 2 BW van toepassing. Hieruit volgt dat een zaak wordt vermoed bij aflevering niet aan de overeenkomst te hebben voldaan, wanneer het gebrek zich binnen een termijn van één jaar na aflevering voordoet. Dit rechtsvermoeden brengt met zich dat de verkoper zal moeten onderbouwen waarom de zaak wel aan de overeenkomst voldeed bij de aflevering. Doet de handelaar dit niet, dan kan de rechter ervan uitgaan dat de auto de gebreken ook al had bij de aankoop. De koper moet wel eerst onderbouwen dat er iets mis is met de auto.
[eiser] heeft (het voortbestaan van) de gestelde gebreken onvoldoende onderbouwd
[eiser] heeft twee redenen gegeven waarom [gedaagde] volgens hem niet aan de koopovereenkomst voldoet. De eerste reden is dat de auto volgens [eiser] meerdere, structurele gebreken heeft en dus non-conform is. In eerste instantie heeft [eiser] de volgende vier gebreken genoemd:
Defecte rem;
Onjuist/niet werkende distributieketting;
Valse lucht;
Ernstig vermogensverlies.
[gedaagde] betwist dat er iets mis is met de auto en zegt dat [eiser] al deze gebreken niet heeft onderbouwd. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de kantonrechter aan [eiser] gevraagd hoe de huidige staat van de auto is. [eiser] heeft gezegd dat de defecte rem en de valse lucht zijn opgelost, doordat [gedaagde] de vacuümpomp en de luchtinlaatslang (kostenloos) heeft vervangen. Ook als ervan wordt uitgegaan dat deze problemen al aanwezig waren bij de levering, heeft [gedaagde] die dus nadien verholpen en is van non-conformiteit die de ontbinding van de overeenkomst rechtvaardigt, geen sprake (meer).
De andere problemen zijn volgens [eiser] nog wel aanwezig. Waar het de distributieketting betreft, heeft [gedaagde] gesteld in mei 2025 de distributiekettingset (kostenloos) te hebben vervangen, direct nadat [eiser] daarover had geklaagd. Voor zover [eiser] met de woorden ‘onjuist/niet werkende distributieketting’ een ander probleem bedoelt dan het probleem dat met de genoemde vervangingsactie is opgelost, heeft hij dat (andere) probleem onvoldoende duidelijk gemaakt en onderbouwd. Voor zover het wel hetzelfde probleem betreft, geldt daarvoor hetzelfde als ten aanzien van de valse lucht en de rem is beslist: door het verhelpen ervan is van non-conformiteit die de ontbinding van de overeenkomst rechtvaardigt, geen sprake (meer). Dat er sprake is van ernstig vermogensverlies is niet vast komen te staan. [eiser] heeft deze stelling niet voldoende onderbouwd. Dit had hij kunnen doen door bijvoorbeeld een deskundige een rapport op te laten stellen over de staat van de auto, waarin dit gebrek nader werd toegelicht. [eiser] heeft dit niet gedaan, maar heeft alleen gesteld dat er iets met het vermogen mis is. Omdat [gedaagde] heeft betwist dat de auto dit gebrek heeft, is alleen deze stelling onvoldoende. [eiser] krijgt ook niet de gelegenheid om nog bewijs te leveren over de staat van de auto, omdat hij zijn stellingen nu eenmaal onvoldoende onderbouwd heeft. Om aan het opleggen van een bewijsopdracht toe te kunnen komen, had [eiser] meer moeten doen dan alleen stellen dat de auto dit gebrek heeft.
Bij het vorige is ook dit nog van belang: de stelling van [eiser] dat er iets mis is met (het vermogen van) de auto, strookt niet met de constatering dat [eiser] veel kilometers met de auto heeft gereden nadat hij bij [gedaagde] heeft aangegeven de koopovereenkomst te willen ontbinden. Dit betrof in de eerste negen maanden, tot juli 2025, 13.000 kilometer. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiser] aangegeven dat de kilometerstand inmiddels 230.000 is. Dat betekent dat hij in een periode van zeven maanden nog eens ongeveer 10.000 kilometer met de auto heeft gereden. De auto verkeert, anders gezegd, kennelijk in een staat waarin het -naar Kamers terecht gebleken inschatting- verantwoord was daarmee aan het verkeer (daaronder begrepen het snelwegverkeer) deel te nemen.
Het niet hebben van bewijs van vervanging van de motor en turbo, rechtvaardigt ontbinding niet
De tweede reden waarom [gedaagde] volgens [eiser] niet heeft voldaan aan haar verplichtingen uit de koopovereenkomst, is omdat [gedaagde] bij de verkoop van de auto geen bewijs heeft geleverd aan [eiser] dat de motor en turbo vóór de verkoop aan [eiser] zijn vervangen. [gedaagde] heeft bij de verkoop gezegd dat de motor en turbo door de vorige eigenaar (ten behoeve van wie [gedaagde] als tussenverkoper optrad) waren vervangen. [eiser] geeft aan dat hij de auto niet had gekocht als de motor en de turbo niet waren vervangen, omdat de auto meer waard is geworden door de nieuwe motor en turbo. Partijen zijn het er over eens dat [gedaagde] dit bewijs aan [eiser] zou geven bij de verkoop van de auto en dat het dus onderdeel was van de overeenkomst. [gedaagde] zegt dat zij dit ook heeft gedaan. Volgens haar zitten de papieren van de vervanging in het onderhoudsboekje van de auto. [eiser] betwist dit.
Of de afgesproken schriftelijke stukken van de vervanging door [gedaagde] aan [eiser] zijn overhandigd, is hier echter niet van belang. Zelfs wanneer de kantonrechter er vanuit zou gaan dat die stukken niet zijn overhandigd, zou dit de ontbinding van de overeenkomst namelijk niet rechtvaardigen. De vordering tot ontbinding baseert [eiser] enkel op het ontbreken van het schriftelijke bewijs van de vervanging. [eiser] zegt namelijk níet dat de motor of de turbo niet vervangen zijn en dat [gedaagde] daarom tekortgeschoten is. Het niet geven van het schriftelijke bewijs van de vervanging van de motor en turbo heeft in de overeenkomst tussen [eiser] en [gedaagde] daarom zo’n geringe betekenis, dat het de ontbinding van de overeenkomst en de gevolgen hiervan niet zou kunnen rechtvaardigen. [eiser] heeft niet gesteld aan welke kenmerken en/of waarborgen en/of voorschriften dat schriftelijke bewijs dient te voldoen, zodat ook daarin geen grond ligt voor een andersluidend oordeel.
De vorderingen van [eiser] worden afgewezen
Omdat niet is komen vast te staan dat de auto (niet-verholpen) gebreken heeft en er ook geen andere reden door [eiser] is aangevoerd die ontbinding van de overeenkomst zou kunnen rechtvaardigen, worden de vorderingen van [eiser] afgewezen. Dat betekent dat de koopovereenkomst tussen [eiser] en [gedaagde] niet rechtsgeldig is ontbonden door [eiser] op 9 oktober 2024 en dat de koopovereenkomst dus nog steeds bestaat. [gedaagde] hoeft de aankoopsom niet aan [eiser] terug te betalen en [eiser] hoeft de auto niet aan [gedaagde] terug te geven. Ook de nevenvorderingen van [eiser] , buitengerechtelijke incassokosten en rente, worden afgewezen.
De vordering van [gedaagde] wordt afgewezen
In reconventie vordert [gedaagde] dat [eiser] haar een vergoeding van € 500,00 betaalt voor de tijd en kosten die zij kwijt is aan deze procedure. [gedaagde] heeft deze kosten niet onderbouwd en heeft geen inzicht gegeven waar het bedrag op gebaseerd is. De kantonrechter wijst de vordering daarom af.
[eiser] moet de proceskosten betalen in conventie betalen
[eiser] is in conventie in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. [gedaagde] heeft zich niet laten bijstaan door een professioneel gemachtigde en zij heeft niet gemotiveerd gesteld dat sprake is geweest van kosten waarvoor de wet een vergoeding toekent.
De proceskosten in reconventie worden op nihil geschat
[gedaagde] is in reconventie in het ongelijk gesteld, maar aangezien de vordering in reconventie zodanig samenhangt met de vordering in conventie, worden de proceskosten in reconventie op nihil geschat.
4. De beslissing
De kantonrechter
in conventie
wijst de vorderingen van [eiser] af,
veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] begroot op nihil,
in reconventie
wijst de vorderingen van [gedaagde] af,
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.A. Steenbergen en in het openbaar uitgesproken op 11 februari 2026.
62938