RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Utrecht
Zaaknummer: C/16/615020 / JE RK 26-1111
Datum uitspraak: 24 juli 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling SAMEN VEILIG MIDDEN NEDERLAND, gevestigd te Utrecht,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2018 in [geboorteplaats 1] ,
hierna te noemen [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2021 in [geboorteplaats 2] ,
hierna te noemen [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. J.P.W. Nijboer,
[de vader] ,
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. J.P.W. Nijboer.
1. Het verloop van de procedure
Het verzoek is tegelijk behandeld met het verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) over het verlenen van een ondertoezichtstelling (zaaknummer C/16/614430 / JE RK 26-1053). De kinderrechter heeft aan het einde van de zitting ten aanzien van beide verzoeken mondelinge uitspraak gedaan. De uitwerking van de beslissing over het verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming is in een aparte beschikking opgenomen.
De kinderrechter neemt het verzoekschrift van de GI met bijlagen, ontvangen op 20 juli 2026, mee in haar beoordeling.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 24 juli 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder en de vader samen met hun advocaat;
- [A.] en [B.] als vertegenwoordigers van de Raad;
- [C.] en [D.] als vertegenwoordigers van de GI.
Tijdens de zitting heeft de moeder spreekaantekeningen voorgelezen en deze daarna overgelegd.
2. De feiten
De moeder en de vader zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 28 april 2026 [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voorlopig onder toezicht gesteld van de GI tot 28 juli 2026 en een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verleend in een netwerkpleeggezin met ingang van 28 april 2026 tot en met 12 mei 2026.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 29 juli 2026 met ingang van 29 april 2026 de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een netwerkpleeggezin beëindigd. In diezelfde beschikking heeft de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een pleeggezin dan wel gezinsgerichte accommodatie verleend met ingang van 29 april 2026 tot en met 12 mei 2026.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 8 mei 2026 een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verleend in een pleeggezin, gezinsgerichte accommodatie dan wel een leefgroep met ingang van 12 mei 2026 tot 28 juli 2026.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 24 juli 2026 [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld van de GI voor de duur van een jaar, dus tot 24 juli 2027.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven sinds 21 mei 2026 bij de groep [locatie] in [plaats 1] .
3. Het verzoek
De GI verzoekt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4. Het standpunt van de ouders
De advocaat heeft namens de ouders verzocht om de machtiging tot uithuisplaatsing voor maximaal drie maanden te verlengen en eventueel de beslissing op het verzoek voor het overige gedeelte aangehouden. De ouders begrijpen dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] nu niet naar huis kunnen, maar vragen zich tegelijkertijd af of het verblijf van de kinderen bij de groep [locatie] nu niet contraproductief is. Zij vinden het verontrustend dat [minderjarige 2] bij [locatie] uit een raam is gevallen en dat beide kinderen sinds de uithuisplaatsing zeer zorgelijk gedrag laten zien. De ouders willen dat er de komende tijd serieus onderzoek wordt gedaan naar de mogelijkheid van een netwerkplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , met name bij de heer [naam] (de ex-partner van de moeder). De ouders vinden dat een plaatsing binnen netwerk in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Met name een plaatsing bij de heer [naam] vinden de ouders passend omdat de kinderen hem al kennen en vertrouwen. Bovendien woont de oudste zoon van de moeder daar nu ook.
5. De beoordeling
De beslissing
De kinderrechter zal de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verlengen voor de duur van zes maanden, dus tot 28 januari 2027, en de beslissing op het verzoek voor het overige aanhouden.
De toelichting
Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. De ouders begrijpen dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] nu niet naar huis kunnen. Zij zijn op dit moment onvoldoende in staat om een veilig en voorspelbaar opvoedingsklimaat voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te bieden die aansluit op hun behoeften. Beide ouders hebben intensieve hulpverlening nodig. Zij staan allebei aangemeld voor een klinische opname – de moeder bij [hulpverlener 1] en de vader bij [hulpverlener 2] – om te werken aan hun verslavingsproblematiek. Op dit moment verblijft de moeder bij haar dochter in [plaats 2] , in afwachting van deze opname.
Uit de stukken en hetgeen ter zitting is besproken volgt dat er grote zorgen zijn over het gedrag dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij [locatie] laten zien. Uit het verslag van [locatie] van 6 juli 2026 volgt dat [minderjarige 1] moeite heeft met zijn emoties te reguleren en fysiek en verbaal agressief gedrag laat zien. Daarnaast laten beide kinderen zorgelijk seksueel grensoverschrijdend gedrag zien, waarbij het gedrag niet stopt na uitleg of correctie door de begeleiding. Hoewel de kinderen gemakkelijk contact leggen met andere kinderen, laten zij tegelijkertijd beperkte afstemming zien op sociale grenzen en behoeften van anderen. Op 23 juni 2026 is [minderjarige 2] vanaf de eerste verdieping (3 tot 4 meter hoog) bij [locatie] uit het raam gevallen en [minderjarige 2] heeft consequent verklaard dat [minderjarige 1] hem heeft geduwd. Sindsdien is er vierentwintig uur één op één begeleiding van [minderjarige 1] en op momenten is dit een één op twee begeleiding met [minderjarige 2] samen, waaronder een waakdienst voor alle nachten. Uit het verslag volgt dat deze waakdienst noodzakelijk wordt geacht, omdat er bij beide kinderen geregeld incidenten voorkomen na hun bedtijd.
De kinderrechter vindt het op dit moment te onduidelijk wat voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] – zolang de situatie thuis niet goed genoeg is – een passende (vervolg)plek is en welke hulp er voor ieder van hen moet worden ingezet. De komende tijd zal de GI onderzoeken wat een passende plek is en of er eventueel mogelijkheden zijn om de kinderen bij familie of binnen het netwerk te plaatsen. De kinderrechter merkt op dat de signalen die de kinderen laten zien zoveel van hun verzorgers/opvoeders vragen dat het de vraag is of personen in het netwerk deze mooie en zware taak aankunnen. De kinderrechter benadrukt dat het in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is dat zij zoveel mogelijk rust en stabiliteit ervaren en dat het aantal verplaatsingen zoveel als mogelijk zullen worden beperkt, desnoods door het inzetten van nog intensievere begeleiding.
Om een vinger aan de pols te houden zal de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing verlengen tot 28 januari 2027 en de beslissing over het resterende deel van het verzoek van de GI aangehouden. De kinderrechter verzoekt de GI om de kinderrechter – en de ouders – uiterlijk 1 december 2026 schriftelijk te informeren over de stand van zaken.
Uitvoerbaar bij voorraad
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6. De beslissing
De kinderrechter:
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 28 januari 2027;
houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan tot een nader te bepalen zitting, gelegen voor 28 januari 2027, tegen welke zitting de GI, de vader en de moeder dienen te worden opgeroepen;
verzoekt de GI om de kinderrechter en de ouders uiterlijk 1 december 2026 schriftelijk te informeren over de stand van zaken;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 24 juli 2026 door mr. E.A.A. van Kalveen, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. I.J.R. Stoffels als griffier, en op schrift gesteld op 30 juli 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.