ECLI:NL:RBMNE:2026:5791

ECLI:NL:RBMNE:2026:5791

Instantie Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak 12-08-2026
Datum publicatie 23-08-2026
Zaaknummer C/16/590273 / HL ZA 25-67
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Lelystad

Samenvatting

Eiser stelt diverse geldbedragen te hebben geleend aan gedaagde en vordert terugbetaling hiervan. Gedaagde betwist de vorderingen. Er wordt een bewijsopdracht gegeven.

Uitspraak

RECHTBANK Midden-Nederland

Civiel recht

Zittingsplaats Lelystad

Zaaknummer: C/16/590273 / HL ZA 25-67

Vonnis van 12 augustus 2026

in de zaak van

[eiser] ,

te [woonplaats 1] ,

eisende partij,

hierna te noemen: [eiser] ,

advocaat: mr. D. Rezaie,

tegen

[gedaagde] ,

te [woonplaats 2] ,

gedaagde partij,

hierna te noemen: [gedaagde] ,

advocaat: mr. A. Hashem Jawaheri.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 5 maart 2025 met 14 producties,- de conclusie van antwoord,

- de mondelinge behandeling van 1 juli 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.

Tijdens de mondelinge behandeling was [eiser] aanwezig. Hij werd bijgestaan door zijn advocaat mr. Rezaie. Ook [gedaagde] was aanwezig. Zij werd bijgestaan door haar advocaat mr. Hashem Jawaheri. Beide partijen werden bijgestaan door een geregistreerd tolk. De rechtbank is tijdens de procedure geïnformeerd dat [gedaagde] onder bewind is gesteld. [A] , de bewindvoerder van [gedaagde] , was niet aanwezig bij de mondelinge behandeling. Mr. Hashem Jawaheri was gemachtigd om namens [A] aanwezig te zijn.

Ten slotte is vonnis bepaald op heden.

2. De kern van de zaak

[eiser] stelt dat hij tussen februari en september 2024 diverse geldbedragen aan [gedaagde] heeft uitgeleend tot een totaalbedrag van € 96.350,00. Deze leningen heeft hij verstrekt om verschillende handelsactiviteiten van [gedaagde] te financieren, waaronder de handel in Adidas-sportproducten, cryptovaluta en motorfietsen. [eiser] vordert terugbetaling van de leningen, vermeerderd met wettelijke rente, buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten. [gedaagde] betwist de vorderingen. De rechtbank acht een deel van het bestaan van de gestelde leningen onvoldoende bewezen door [eiser] . Er wordt daarom een bewijsopdracht verstrekt. Het overige deel van de geldleningen is voldoende komen vast te staan en daarom zal zijn vordering voor dat deel in het eindvonnis worden toegewezen. In het navolgende wordt uitgelegd hoe de rechtbank tot dit oordeel is gekomen.

3. De beoordeling

Het juridisch kader

[eiser] vordert primair nakoming van terugbetalingsverplichtingen uit hoofde van overeenkomsten van geldlening (artikel 7:129 lid 1 BW). De termijn voor terugbetaling van een lening is in beginsel zes weken nadat de uitlener heeft medegedeeld tot opeising over te gaan, tenzij uit de overeenkomst een ander tijdstip voor terugbetaling voortvloeit (artikel 7:129e BW). Subsidiair, indien niet vast komt te staan dat er sprake is van overeenkomsten van geldlening, vordert [eiser] terugbetaling van de verstrekte bedragen op grond van onverschuldigde betaling (artikel 6:203 BW). Op grond van deze bepaling is degene die een ander zonder rechtsgrond een goed heeft gegeven, gerechtigd dit van de ontvanger als onverschuldigd betaald terug te vorderen. De bewijslast van het bestaan van de leningen en de feitelijke verstrekking van gelden ligt bij [eiser] (artikel 150 Rv).

Ter onderbouwing van zijn beroep op de overeenkomsten van geldlening heeft [eiser] drie handgeschreven verklaringen overgelegd. Op deze verklaringen is het volgende wettelijk kader rondom de bewijskracht van onderhandse akten van toepassing. Een onderhandse akte levert ten aanzien van de verklaring van een partij omtrent hetgeen de akte bestemd is ten behoeve van de wederpartij te bewijzen, tussen partijen in beginsel dwingend bewijs op van de waarheid van die verklaring (artikel 157 lid 2 Rv). Wanneer in de akte een eenzijdige verbintenis tot betaling van een geldsom wordt toegezegd, levert dit op grond van artikel 158 lid 1 Rv alleen dwingende bewijskracht op jegens de schuldenaar indien de akte geheel met de hand is geschreven door de schuldenaar, óf is voorzien van een handgeschreven goedschrift waarin het geldbedrag voluit in letters is vermeld. In die gevallen staat de inhoud van de afgelegde verklaring in beginsel tussen partijen vast.

De rechtbank zal de verschillende gestelde leningen tegen deze achtergrond afzonderlijk beoordelen.

De lening van € 55.000,00 van 7 februari 2024

[eiser] stelt dat hij op 7 februari 2024 een bedrag van € 55.000,00 contant aan [gedaagde] heeft geleend. Hij heeft een handgeschreven verklaring overgelegd, opgesteld in het Farsi, waarvan de beëdigde vertaling luidt:

“Ik, [gedaagde] , heb op 07-02-2024 een bedrag van 55.000/- euro contant van de heer [schuilnaam van eiser] ontvangen, en ik zal het op 11-09-2027 volgens de overeenstemming, als hetzelfde [=volledig], aan de heer [schuilnaam van eiser] terug geven.”

Het betreft een eenzijdige verbintenis tot betaling van een geldsom door [gedaagde] . [gedaagde] heeft ter zitting aangegeven dat zij de verklaring zelf heeft geschreven en ondertekend. De uitzondering van artikel 158 lid 1 Rv is daarom niet van toepassing, zodat de verklaring op grond van artikel 157 lid 2 Rv kan worden aangemerkt als een schuldbekentenis en in beginsel dwingend bewijs oplevert dat [gedaagde] het bedrag van € 55.000,00 heeft ontvangen in de vorm van een lening en aan [eiser] moet terugbetalen.

[gedaagde] betwist dat zij € 55.000,00 aan [eiser] verschuldigd is. Ten eerste stelt zij dat in de schuldbekentenis staat dat het bedrag moet worden terugbetaald aan de heer “ [schuilnaam van eiser] ”, een naam die niet overeenkomt met die van [eiser] . Ter zitting heeft [eiser] bevestigd dat hij die naam soms als schuilnaam gebruikt, hetgeen door [gedaagde] niet is weersproken. Bovendien heeft [gedaagde] ter zitting zelf in het kader van deze schuldbekentenis uitdrukkelijk gerefereerd aan de rechtsverhouding met [eiser] . De rechtbank gaat er daarom vanuit dat met " [schuilnaam van eiser] " [eiser] wordt bedoeld en dus dat [eiser] de lening heeft verstrekt.

Ten tweede voert [gedaagde] aan dat zij de schuldbekentenis onder dwang, uitgeoefend door [eiser] , heeft geschreven. De stelplicht en bewijslast voor de stelling dat er sprake is van dwang ligt bij [gedaagde] op grond van artikel 150 Rv. [gedaagde] heeft niet aan haar stelplicht voldaan omdat zij dit verweer niet in de conclusie van antwoord heeft gevoerd en omdat zij dit ter zitting gevoerde verweer niet met feiten heeft onderbouwd.

Ten derde, indien de rechtbank van oordeel zou zijn dat er sprake is van een lening, betwist [gedaagde] dat de lening reeds opeisbaar is. De vertaling van de schuldbekentenis noemt 11 september 2027 als datum voor terugbetaling. [eiser] stelt dat dit jaartal berust op een vertaal/leesfout: in het origineel zou ‘2024’ staan in plaats van ‘2027’. De rechtbank heeft op verzoek van [eiser] het origineel bekeken, maar heeft niet met zekerheid kunnen vaststellen of het laatste cijfer een ‘4’ of een ‘7’ betreft. Omdat de datum waarop [eiser] zich beroept (nog) niet kan worden vastgesteld en [gedaagde] de opeisbaarheid gemotiveerd heeft betwist, dient [eiser] te bewijzen dat 11 september 2024 de datum voor terugbetaling is.

De lening van € 20.000,00 van 24 juli 2024

[eiser] stelt dat hij vervolgens op 24 juli 2024 € 20.000,00 contant aan [gedaagde] heeft uitgeleend. Hij heeft daartoe een door [gedaagde] handgeschreven verklaring overgelegd, waarvan de beëdigde vertaling luidt:

“Op 24-07-2024 heb ik een bedrag van 20.000.000 euro contant van de heer [schuilnaam van eiser] in de vorm van cash [in het Engels] geleend. (in de vorm van [.] )*”

Uit de tekst van deze verklaring, “contant van de heer [schuilnaam van eiser] in de vorm van cash geleend”, blijkt dat van een schuldbekentenis sprake is. Het staat vast dat de verklaring door [gedaagde] geschreven is. [gedaagde] is van mening dat voor de bewijskracht er niet zomaar vanuit kan worden gegaan dat een bedrag van € 20.000,00 wordt bedoeld, omdat op de schuldbekentenis expliciet een bedrag van € 20.000.000,00 staat. [eiser] heeft ter zitting toegelicht dat dit een kennelijke verschrijving betreft en dat het voor beide partijen duidelijk was dat de lening € 20.000,00 betrof. [eiser] voert daarbij aan dat hij nooit € 20.000.000,00 beschikbaar gehad zou hebben om uit te lenen. De rechtbank acht het hoogst aannemelijk dat partijen een bedrag van € 20.000,00 bedoeld hebben. Er staat weliswaar € 20.000.000, maar afgezien van de absurde hoogte van dit bedrag, kan het toch niet de bedoeling van [gedaagde] zijn te stellen dat zij zou hebben verklaard een bedrag van € 20.000.000,00 contant ontvangen te hebben.

[gedaagde] ontkent dat zij het bedrag vermeld op de schuldbekentenis, dan wel enig ander bedrag dat bedoeld zou zijn, heeft ontvangen van [eiser] . Hoewel zij de schuldbekentenis zelf heeft geschreven met het idee dat zij een geldbedrag zou ontvangen, stelt zij dit uiteindelijk nooit te hebben gekregen. Eerst ter zitting heeft zij toegelicht dat [eiser] een auto zou verkopen waarvan hij zou hebben beloofd dat de opbrengst haar zou toekomen. In die verwachting zou [gedaagde] de verklaring alvast getekend hebben. [eiser] zou volgens haar niet over voldoende financiële middelen beschikken om dergelijke bedragen op een andere wijze aan haar uit te lenen. [eiser] heeft dit bestreden. Volgens hem is het niet relevant is hoe hij aan de aan [gedaagde] ter beschikking gestelde bedragen is gekomen. Hij licht ten overvloede toe dat hij de bedragen op zijn beurt weer heeft geleend van derden, die ook ter zitting aanwezig waren.

De betwisting door [gedaagde] treft geen doel. In de verklaring staat dat zij het bedrag contant heeft geleend. Deze woorden zijn in redelijkheid niet anders uit te leggen dan dat zij het bedrag ontvangen heeft. Haar (eerst ter zitting aangevoerde en verder niet onderbouwde) betwisting stuit dus reeds af op de dwingende bewijskracht van haar verklaring. Omdat het hoogst aannemelijk is dat partijen een bedrag van € 20.000,00 (in plaats van € 20.000.000,00) hebben bedoeld, staat het vanwege de dwingende bewijskracht van de verklaring van [gedaagde] vast zij van [eiser] € 20.000,00 uit hoofde van geldlening heeft ontvangen. Zij is gehouden dat terug te betalen en de daartoe strekkende vordering zal worden toegewezen.

De lening van € 20.000,00 van 10 september 2024

[eiser] stelt dat hij op 10 september 2024 opnieuw een bedrag van € 20.000,00 aan [gedaagde] heeft geleend, waarvan € 10.500,00 via een bankoverschrijving en € 9.500,00 contant. De beëdigde vertaling van de door hem overgelegde verklaring luidt:

“Ik, [gedaagde] , heb op 10-09-2024 een bedrag van 20.000/- euro (twintigduizend euro) waarvan (tienduizend vijfhonderd euro) in de [bank]rekening [bij] ING en 9.500/- euro contant van de heer [schuilnaam van eiser] ontvangen.”

Ook aan deze door [gedaagde] handgeschreven verklaring komt dwingende bewijskracht toe. Omdat de verklaring spreekt over de ontvangst van € 20.000,00 door [gedaagde] en niet van een lening, betekent dit dat dwingende bewijskracht slechts toekomt aan het feit dat [gedaagde] € 20.000,00 heeft ontvangen.

De rechtbank overweegt dat de verklaring geen dwingend bewijs oplevert voor het bestaan van een lening. Uit de verklaring blijkt dat niet dat de door ontvangen € 20.000,00 moet worden aangemerkt als een lening en dus dat zij dat bedrag ook moest terugbetalen. De verklaring heeft ten aanzien van de vraag of er sprake is van een lening wel vrije bewijskracht. [eiser] heeft enerzijds voldoende onderbouwd dat er sprake is van een lening. Hij heeft toegelicht dat [gedaagde] hem heeft verzocht om verschillende handelsactiviteiten te financieren, waaronder de handel in Adidas-sportproducten, cryptovaluta en motorfietsen. Dat heeft [gedaagde] niet voldoende bestreden. Voorts heeft [eiser] als bewijsstuk de verklaring van [gedaagde] overgelegd waarmee vaststaat dat zij € 20.000,00 van [eiser] heeft ontvangen. [gedaagde] heeft anderzijds slechts ontkend enig bedrag te hebben ontvangen, zonder dit nader te motiveren. Deze ongemotiveerde ontkenning stuit af op de dwingende bewijskracht van haar verklaring dat zij € 20.000,00 ontvangen heeft. Dit betekent dat is komen vast te staan dat dat [eiser] het bedrag van € 20.000,00 op 10 september 2024 aan [gedaagde] heeft geleend. De vordering van [eiser] tot terugbetaling van € 20.000,00 zal in het eindvonnis worden toegewezen.

De leningen van € 1.000,00 en € 200,00 en € 150,00

Tot slot stelt [eiser] dat hij drie bedragen van € 1.000,00, € 200,00 en € 150,00 via bankoverschrijvingen aan [gedaagde] heeft geleend. Er is geen schuldbekentenis overgelegd van deze leningen en [eiser] heeft niet gespecificeerd wanneer deze betalingen hebben plaatsgevonden. [gedaagde] ontkent ontvangst van deze bedragen.

De rechtbank oordeelt dat het bestaan van deze drie leningen onvoldoende is komen vast te staan. Nu de bewijslast van het bestaan van de leningen rust op [eiser] , dient hij te bewijzen dat hij deze drie bedragen bij wijze van geldlening aan [gedaagde] heeft verstrekt.

Het vervolg van de procedure

De rechtbank verwijst de zaak naar de rol van woensdag 11 november 2026. [eiser] kan zich op deze roldatum bij akte uitlaten over de vraag of, en zo ja op welke wijze hij het bewijs wil leveren.

Als [eiser] het bewijs (mede) wil leveren door het doen horen van getuigen, dan moet hij dit in de akte vermelden en de verhinderdata van partijen, de gemachtigden en de op te roepen getuigen opgeven. De rechtbank zal dan vervolgens een dag en tijdstip voor een getuigenverhoor bepalen. Partijen moeten bij de getuigenverhoren aanwezig zijn. Als een partij zonder gegronde reden niet verschijnt, kan dit nadelige gevolgen voor die partij hebben. De rechtbank verwacht dat het verhoor per getuige 60 minuten zal duren. Als partijen verwachten dat het verhoor van een getuige langer zal duren dan 60 minuten, kan dat in de te nemen akte worden vermeld.

De rechtbank stelt de definitieve beslissing over de vorderingen van partijen voorlopig uit. Als [eiser] van bewijslevering afziet, zal de rechtbank eindvonnis wijzen.

4. De beslissing

De rechtbank

laat [eiser] toe te bewijzen:

dat partijen hebben afgesproken dat [gedaagde] de lening van € 55.000,00 van 7 februari 2024 uiterlijk op 11 september 2024 had moeten terugbetalen,

dat hij via de bancaire overboekingen € 1.000,00, € 200,00 en € 150,00 als geldlening aan [gedaagde] heeft betaald,

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van woensdag 11 november 2026 voor uitlating door [eiser] of hij bewijs wil leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en/of door een ander bewijsmiddel,

bepaalt dat, als [eiser] geen bewijs door het horen van getuigen wil leveren maar wel bewijsstukken wil overleggen, hij die stukken dan direct in het geding moet brengen,

bepaalt dat, als [eiser] getuigen wil laten horen, hij de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten in de maanden januari tot en met april 2027 dan direct moet opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald,

bepaalt dat het getuigenverhoor zal plaatsvinden op de zitting van mr. H.M.M. Steenberghe, in het gerechtsgebouw te Lelystad, Stationsplein 15,

bepaalt dat alle partijen uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen,

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.M.M. Steenberghe en in het openbaar uitgesproken op 12 augustus 2026.

5998

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand