RECHTBANK Midden-Nederland
Civiel recht
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: C/16/614139 / KG ZA 26-411 RvdH/1037
Vonnis in kort geding van 12 augustus 2026
in de zaak van
STICHTING DE TUSSENVOORZIENING,
gevestigd in Utrecht,
eisende partij,
hierna te noemen: de Tussenvoorziening,
advocaat: mr. M.L. Sterrenberg,
tegen
[gedaagde] , vennoot van de [onderneming] , handelend in zijn hoedanigheid van bewindvoerder over het vermogen van [onderbewindgestelde] ,
kantoorhoudende in de gemeente [gemeente] ,
gedaagde partij,
hierna ook te noemen: de bewindvoerder en [onderbewindgestelde] ,
advocaat: mr. R. van Veen.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 22, - de mondelinge behandeling van 29 juli 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
Tijdens de mondelinge behandeling waren aanwezig:
- mr. M.L. Sterrenberg, voornoemd, samen met mr. [A] ,
- de heer [B] en mevrouw [C] , als [functie] werkzaam bij de Tussenvoorziening,
- de heer [D] , werkzaam bij Portaal,
- mr. R. van Veen en [onderbewindgestelde] , voornoemd,
- mevrouw [E] , [.] .
De rechter heeft besloten dat de uitspraak vandaag is.
2. De kern van de zaak
De Tussenvoorziening is een organisatie die tijdelijk begeleide huisvesting biedt aan personen die zonder begeleiding niet (meteen) in staat zijn op eigen kracht een thuissituatie te creëren en in stand te houden. Vanaf eind oktober 2018 is de Tussenvoorziening betrokken bij [onderbewindgestelde] en met ingang van 6 september 2021 hebben de Tussenvoorziening en [onderbewindgestelde] een zorg- en huurovereenkomst gesloten voor de woning aan de [adres] in [plaats] . Deze woning is door Portaal verhuurd aan de Tussenvoorziening. De Tussenvoorziening en Portaal ontvangen overlastmeldingen van omwonenden. Het gaat om overlast veroorzaakt door de bezoekers van [onderbewindgestelde] , die – kort gezegd – bij de woning komen voor drugs en prostitutie. [onderbewindgestelde] heeft hierdoor de afspraken uit de zorg- en huurovereenkomst geschonden. De Tussenvoorziening heeft de zorg- en huurovereenkomst opgezegd tegen 1 juli 2026. [onderbewindgestelde] wil de woning niet verlaten. De Tussenvoorziening vordert daarom in deze procedure ontruiming van de woning en de rechter wijst die vordering toe.
3. De beoordeling
Spoedeisend belang
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is in de eerste plaats een spoedeisend belang vereist. Dat is hier aanwezig. Door het gedrag van (de bezoekers van) [onderbewindgestelde] ervaren de omwonenden overlast en voelen zij zich niet veilig in hun woonomgeving. Ondanks verschillende waarschuwingen en intensieve begeleiding is de situatie niet verbeterd. De Tussenvoorziening kan deze situatie niet langer richting de omwonenden en Portaal (de verhuurder) verantwoorden. De samenwerking met Portaal staat onder druk, omdat zij de Tussenvoorziening al op 10 juni jl. heeft gesommeerd om een einde te maken aan de bewoning. Zolang de woning niet vrijkomt, kan de Tussenvoorziening niet voldoen aan die sommatie en de woning niet ter beschikking stellen aan een ander die op de wachtlijst voor begeleide huisvesting staat.
De (aanleiding voor) opzegging van de zorg- en huurovereenkomst
Tussen partijen staat niet ter discussie dat de huurovereenkomst en de zorgovereenkomst die de Tussenvoorziening met [onderbewindgestelde] heeft gesloten, onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. Partijen verschillen wel van mening over de vraag of de Tussenvoorziening deze overeenkomsten mocht opzeggen. Volgens de bewindvoerder en [onderbewindgestelde] is het op basis van het (in dit geval ontoereikende) onderzoek in deze kortgedingprocedure niet in hoge mate waarschijnlijk dat in een bodemprocedure wordt geoordeeld dat een einde van de overeenkomsten gerechtvaardigd is. De rechter volgt de bewindvoerder en [onderbewindgestelde] daarin niet.
De Tussenvoorziening heeft op 28 april 2026 de zorg- en huurovereenkomst opgezegd, vanwege de strafbare feiten die zijn gepleegd in de woning. Uit de toelichting van de Tussenvoorziening volgt dat ook de overlastmeldingen een rol hebben gespeeld bij deze beslissing.
In de huurovereenkomst wordt gewaarschuwd dat er een einde kan worden gemaakt aan de huurovereenkomst, bijvoorbeeld als er vanuit de woning wordt gedeald in drugs of andere handelingen in strijd met de Opiumwet of als er prostitutie plaatsvindt vanuit de woning. In de toepasselijke algemene voorwaarden staat ook dat aan de Opiumwet gerelateerde activiteiten verboden zijn in het gehuurde en dat de huurder ervoor moet zorgen dat er geen overlast wordt veroorzaakt. In de zorgovereenkomst staat de Tussenvoorziening de zorgovereenkomst kan opzeggen op grond van zwaarwichtige redenen en dat het recht van cliënt om in de woning te verblijven vervalt bij beëindiging van de zorgovereenkomst
Op 28 januari 2026 zijn toezichthouders van de afdeling vergunningen, toezicht en handhaving in het kader van een lopend onderzoek en een melding naar de woning van [onderbewindgestelde] gegaan. Zij hebben een proces-verbaal van bevindingen opgemaakt. De toezichthouders hebben via een bij hen gemeld 06-nummer een seksafspraak gemaakt. Het adres voor die afspraak was het adres van de woning van [onderbewindgestelde] . In de woning troffen de toezichthouders onder andere een vrouw die heeft verklaard dat zij af en toe op dat adres werkt en dat het klopt dat de toezichthouders een afspraak met haar hadden. De vrouw verklaarde ook dat zij dat doet om drugs te kunnen betalen en dat het geld voor haarzelf is. Er was nog een vrouw aanwezig en zij heeft verklaard dat zij in de woning was voor drugs en dat zij dat net heeft gebruikt en dat zij dat hier [toevoeging rechter: in de woning van [onderbewindgestelde] ] kan halen. De vrouw verklaarde ook dat [F (voornaam)] , de vriend van [onderbewindgestelde] , in de woning woont en dat hij voor de drugs zorgt. [onderbewindgestelde] was ook aanwezig en zij heeft verklaard dat zij van niets weet, dat ze het zelf ook heel gek vindt en ze [de rechter begrijpt: de sekswerker] gewoon op bezoek is. De toezichthouder heeft in de telefoon van [onderbewindgestelde] gekeken en zag daarin onsamenhangende gesprekken tussen [onderbewindgestelde] en [F (voornaam)] , haar vriend, over het verdienen aan vrouwen en over klanten voor vrouwen. Hierna heeft [onderbewindgestelde] opnieuw verklaard dat zij niet precies weet hoe dat zit en dat [F (voornaam)] dat allemaal doet.
Tijdens het bezoek op 28 januari 2026 zagen de toezichthouders onder meer dat het bed erg vies was en onder vlekken zat en dat op de kast een condoom lag en een asbak stond. In de slaapkamer werd een vieze lucht geroken. In de woning werd flink gerookt en er lagen op diverse plekken verschillende soorten drugs of attributen die worden gebruikt voor het innemen van drugs, zoals een pijpje. Van dat laatste attribuut is het de toezichthouder ambtshalve bekend dat het wordt gebruik voor het roken van crystal meth.
Op 13 februari 2026 gaat een toezichthouder , samen met de politie, opnieuw langs bij de woning. Er wordt op dat moment geen illegaal seksbedrijf geconstateerd, maar er is wel een vrouw in de woning aanwezig die bekend staat als sekswerker. Tijdens het bezoek vraagt deze vrouw aan [onderbewindgestelde] of ‘ze even mag spuiten’. [onderbewindgestelde] geeft hierop aan dat ze even moet wachten en verklaart richting de toezichthouders dat ze in de woning geen drugs doen. [F (voornaam)] is op dat moment ook aanwezig in de woning. De wijkagent treft in de woning een gestolen iPad aan en neemt die in beslag.
Na deze bezoeken vindt er een overleg plaats tussen [onderbewindgestelde] , de Tussenvoorziening, de politie, U-Centraal en Portaal. Er worden onder andere de volgende afspraken gemaakt met [onderbewindgestelde] : [F (voornaam)] mag niet meer in de woning, er wordt niet langer sekswerk aangeboden vanuit de woning en er worden geen drugs meer gebruikt in de woning. [onderbewindgestelde] wordt gewaarschuwd: als zij de afspraken niet nakomt, kan zij haar woning kwijtraken.
Portaal blijft ook daarna overlastklachten ontvangen. Op 27 en 28 maart 2026 gaat de wijkagent onaangekondigd naar de woning van [onderbewindgestelde] . Tijdens het tweede bezoek trof de wijkagent [F (voornaam)] aan in de woning. De wijkagent ziet ook twee onbekende mannen in de woning, met diverse drugsgerelateerde zaken op tafel. Volgens de wijkagent duidde alles op het verpakken van drugs. De wijkagent heeft (in overleg met de hulpofficier van Justitie) besloten om iedereen in de woning aan te houden voor het vervaardigen van drugs. [onderbewindgestelde] is ook meegenomen, maar vervolgens weer vrijgelaten. De zaak heeft (nog) geen strafrechtelijke consequenties voor haar gehad.
Hierna vindt een multidisciplinair overleg tussen de instanties plaats op 21 april 2026 en maakt Portaal kenbaar dat voortzetting van het verblijf van [onderbewindgestelde] in de woning niet langer passend is en dat de woonsituatie moet worden beëindigd. De Tussenvoorziening heeft hierna de zorg- en huurovereenkomst opgezegd en [onderbewindgestelde] gesommeerd de woning te ontruimen.
[onderbewindgestelde] heeft tegen het voorgaande ingebracht dat zij verbaasd was over de rapportage van het bezoek van de toezichthouders op 28 februari 2026. [onderbewindgestelde] geeft aan dat zij dit allemaal echt niet heeft geweten. De in de rapportage benoemde vrouw kwam weleens over de vloer en trok zich weleens terug, maar [onderbewindgestelde] had niet het vermoeden dat er meer gebeurde dan dat. [onderbewindgestelde] is niet steeds ‘in goeden doen’ en bovendien ook deels doof.
[onderbewindgestelde] wil dat er beter onderzoek wordt gedaan naar of het wel klopt wat er in de rapportage staat, maar de rechter is van oordeel dat het voldoende aannemelijk is dat de rechter in een bodemprocedure op basis van het ambtsedig opgemaakte proces-verbaal van het bezoek van 28 januari 2026, de informatie die daarna door de toezichthouders en de wijkagent is opgehaald en de gestelde overlast, tot het oordeel komt dat Tussenvoorziening de zorg- en huurovereenkomst kon beëindigen. De rechter gaat er dan ook van uit dat [onderbewindgestelde] op dit moment zonder recht of titel in de woning verblijft en dat betekent dat [onderbewindgestelde] de woning in beginsel moet verlaten. Alle informatie biedt namelijk (ook voor een kortgedingprocedure) voldoende concrete aanknopingspunten dat er in de woning drugs werd gebruikt en dat er illegaal sekswerk plaatsvond in de woning. Bovendien veroorzaken de daarmee samenhangende bezoekers van [onderbewindgestelde] overlast – dat weerspreekt [onderbewindgestelde] niet – en dat gedrag kan [onderbewindgestelde] als huurder van de woning worden aangerekend.
De belangen van [onderbewindgestelde] en die van de Tussenvoorziening (en de omwonenden)
[onderbewindgestelde] heeft aangevoerd dat zij dakloos wordt als zij de woning verlaat en dat dit zeer onwenselijk is vanwege haar broze gezondheid. Ook zal de hulpverlening stoppen als [onderbewindgestelde] geen vast adres meer heeft. [onderbewindgestelde] vindt dat deze belangen zwaarder wegen dat het belang van Tussenvoorziening beëindiging van de zorg- en huurovereenkomst, maar de rechter volgt haar daarin niet.
Zoals onder 3.1 al is overwogen, heeft de Tussenvoorziening belang bij een ontruiming omdat haar samenwerking met Portaal onder druk staat en omdat deze instanties er samen voor moeten zorgen dat de omgeving van een woning ten aanzien waarvan een zorg- en huurovereenkomst geldt, ook leefbaar blijft. De Tussenvoorziening vertegenwoordigt daarom ook indirect de belangen van de omwonenden en zij moeten zich veilig voelen en niet door overlast worden beperkt in hun woongenot. Daar komt bij dat de Tussenvoorziening [onderbewindgestelde] meerdere malen heeft gewaarschuwd. Zij heeft zicht zelfs in een vroeg stadium ingespannen om te voorkomen dat het feit dat [F (voornaam)] in 2023 zijn woning moest verlaten ervoor zou zorgen dat de overlast zich zou verplaatsen naar de woning van [onderbewindgestelde] . Dit alles om te voorkomen dat [onderbewindgestelde] haar woning zou verliezen. De inspanningen van de Tussenvoorziening en de andere betrokken instanties mochten echter niet baten. De rechter is onder al deze omstandigheden van oordeel dat het belang van de Tussenvoorziening bij ontruiming zwaarder weegt dan het belang van [onderbewindgestelde] bij behoud van haar woning.
Het voorgaande leidt ertoe dat de vordering tot ontruiming wordt toegewezen. [onderbewindgestelde] moet de woning binnen dertig dagen na betekening ontruimen.
De proceskosten
[gedaagde] in hoedanigheid van bewindvoerder over het vermogen van [onderbewindgestelde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Tussenvoorziening worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
156,74
- griffierecht
€
735,00
- salaris advocaat
€
760,00
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.840,74
Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard
De rechter zal het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals door de Tussenvoorziening is gevorderd. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van partijen hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de rechter geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.
4. De beslissing
De voorzieningenrechter
veroordeelt [gedaagde] in hoedanigheid van bewindvoerder over het vermogen van [onderbewindgestelde] , om binnen dertig dagen na betekening van dit vonnis het pand aan [adres] ( [postcode] ) in [plaats] te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van de Tussenvoorziening zijn, en de sleutels af te geven aan de Tussenvoorziening,
veroordeelt [gedaagde] in hoedanigheid van bewindvoerder over het vermogen van [onderbewindgestelde] in de proceskosten van € 1.840,74, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.A. van Steenbeek en in het openbaar uitgesproken door mr. A. de Boer op 12 augustus 2026.