RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer / rekestnummer: 12218045 \ UE VERZ 26-190
Beschikking van 13 augustus 2026
in de zaak van
[verzoeker] ,
wonend in [woonplaats] ,
verzoekende partij,
verwerende partij in het tegenverzoek,
hierna te noemen: [verzoeker] ,
gemachtigde: mr. N.J.M. Derks,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[verweerder] ,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
verwerende partij,
verzoekende partij in het tegenverzoek,
hierna te noemen: [verweerder] ,
gemachtigde: mr. M.J.W. Hoek.
1. De procedure
[verzoeker] heeft een verzoekschrift ingediend, met daarbij producties 1 tot en met 18. [verweerder] heeft een verweerschrift met een tegenverzoek ingediend met producties 1 tot en met 4 en daarna een aanvullend verweerschrift met producties 5 tot en met 7. [verweerder] heeft daarna nog producties 8 tot en met 10 ingediend. [verzoeker] heeft nog de producties 19 tot en met 25 ingediend.
[verweerder] heeft kort voor de mondelinge behandeling, op 15 juli 2026 om 17.21 uur, een aanvullende productie 11 aan de griffie en aan de wederpartij gestuurd. Deze productie zou een brief uit juni 2024 zijn. Namens [verzoeker] is bezwaar gemaakt tegen toelating van deze productie. De kantonrechter laat deze productie buiten beschouwing, omdat deze productie kort voor de mondelinge behandeling is ingediend en niet valt in te zien waarom dat niet eerder had gekund. Dit is in strijd met de goede procesorde. Productie 11 maakt dus geen onderdeel uit van het procesdossier.
Op 16 juli 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Partijen en hun gemachtigden hebben daar hun standpunten toegelicht en vragen beantwoord. De griffier heeft daarvan aantekeningen gemaakt. [verzoeker] en [verweerder] hebben ook spreekaantekeningen overgelegd en voorgedragen.
Na sluiting van de mondelinge behandeling heeft de kantonrechter beslist dat een beschikking zal worden gewezen.
2. De zaak in het kort
[verweerder] heeft [verzoeker] op staande voet ontslagen. [verzoeker] vindt dat niet terecht maar berust in het ontslag. Hij vraagt wel een gefixeerde schadevergoeding, een transitievergoeding, een billijke vergoeding en achterstallig loon, vakantiegeld en vakantie-uren. De kantonrechter wijst die verzoeken toe, omdat het ontslag niet (rechts)geldig is. De tegenverzoeken van [verweerder] om een gefixeerde schadeverogoeding vast te stellen en voor recht te verklaren dat [verweerder] terecht ontslag op staande voet heeft verleend, worden afgewezen.
3. De achtergrond van de zaak
[verzoeker] , geboren op [geboortedatum] 1962, is sinds 1 juni 2001 in dienst bij [verweerder] . De functie van [verzoeker] is productiemedewerker met een loon (inclusief toeslagen en overwerkvergoeding) van € 6.280,16 bruto per maand.
[verweerder] is een groothandel in vlees en vleesproducten met 26 medewerkers.
Medewerkers van [verweerder] kunnen vlees en vleesproducten kopen van [verweerder] . Zij moeten dit vooraf bestellen, de bestelling wordt geregistreerd en er wordt een pakbon en een factuur opgemaakt. De bestelinstructies hangen in meerdere talen in de kantine van [verweerder] . Daarop staat (in het Nederlands): ‘Niet zelf pakken/klaarleggen/apart leggen’ en ‘bestellingen 24 uur van te voren, inleveren bij [A] / [B] , No cash-alleen PIN’.
[verzoeker] is op 11 maart 2026 op de parkeerplaats van [verweerder] aangesproken door [C] en [D] omdat [verzoeker] 4 hamburgers had meegenomen die niet waren geregistreerd. Tijdens een gesprek op 12 maart 2026 heeft [verweerder] [verzoeker] geschorst in afwachting van nader onderzoek. Die schorsing is bevestigd in een brief van 12 maart 2026 waarin [verzoeker] tevens is uitgenodigd voor een vervolggesprek op maandag 16 maart 2026 om 14.30 uur. Tijdens dat gesprek hebben partijen gesproken over de regels rondom het meenemen van producten en heeft [verzoeker] toegelicht waarom hij de hamburgers zonder registratie had meegenomen. Op 17 maart 2026 is [verzoeker] door [verweerder] uitgenodigd om samen naar camerabeelden te kijken waarop te zien is dat [verzoeker] ook op een aantal andere data hamburgers meenam zonder dat deze waren besteld, geregistreerd en betaald. Nadat [verweerder] heeft overlegd met haar advocaat is [verzoeker] op 17 maart 2026 op staande voet ontslagen.
Op de vervangende en gecorrigeerde loonstrook van maart 2026 (samen de eindafrekening) heeft [verweerder] € 10.338,34 bruto aan gefixeerde schadevergoeding verrekend.
4. Het verzoek, het verweer en het tegenverzoek
[verzoeker] verzoekt de kantonrechter om voor recht te verklaren dat [verweerder] onregelmatig heeft opgezegd en om [verweerder] te veroordelen tot betaling van een vergoeding wegens onregelmatige opzegging, de transitievergoeding en een billijke vergoeding en daarnaast betaling van achterstallig loon, vakantiebijslag en opgebouwde vakantie-uren. Volgens [verzoeker] is het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig.
[verweerder] voert verweer en stelt dat het verzoek moet worden afgewezen. [verweerder] heeft een tegenverzoek gedaan tot betaling van een zogenoemde gefixeerde schadevergoeding.
5. De beoordeling van het verzoek
De kantonrechter oordeelt dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is. De kantonrechter legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
Een ontslag op staande voet is alleen geldig als daarvoor een dringende reden is, dat wil zeggen zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die tot gevolg hebben dat van de werkgever redelijkerwijs niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. De kantonrechter moet bij de beoordeling van de dringende reden alle omstandigheden van het geval in aanmerking nemen. Ook moet er onverwijld worden opgezegd en moet de dringende reden onverwijld worden meegedeeld aan de werknemer. Onverwijld betekent dat dit direct of zo snel mogelijk moet gebeuren. De werkgever moet de dringende reden bewijzen.
Geen dringende reden
Vooropgesteld wordt dat voor de beoordeling van de vraag of sprake is van een dringende reden die een beëindiging van de arbeidsovereenkomst rechtvaardigt, alle omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking moeten worden genomen, waaronder de aard en de ernst van hetgeen de werkgever als dringende reden aanmerkt, en verder onder meer de aard van de dienstbetrekking, de duur ervan en de wijze waarop de werknemer de dienstbetrekking heeft vervuld, alsmede de persoonlijke omstandigheden van de werknemer, zoals zijn leeftijd en de gevolgen die het ontslag op staande voet voor hem zouden hebben. De stelplicht en de bewijslast ten aanzien van het bestaan van een dringende reden liggen in dit geval bij de werkgever.
Partijen zijn het er over eens dat [verzoeker] meermaals hamburgers mee naar huis heeft genomen zonder dat deze zijn geregistreerd en betaald. Voor de vraag of het meenemen van producten zonder daarvoor te betalen een dringende reden oplevert is van belang of [verweerder] daarover een streng beleid voerde dat consequent werd gehandhaafd, een zerotolerancebeleid.
Volgens [verweerder] voerde zij een zerotolerancebeleid ten aanzien van het meenemen van producten zonder te betalen. Zij heeft dit ingevoerd nadat in februari 2024 een medewerker om die reden op staande voet was ontslagen. Volgens [verweerder] heeft zij in juni 2024 aan alle medewerkers een brief gestuurd waarin is medegedeeld dat als vlees zou worden meegenomen zonder dat de bestelprocedure was gevolgd dit consequenties zou hebben, variërend van een schriftelijke waarschuwing tot strengere disciplinaire maatregelen. [verzoeker] zegt dat hij deze brief nooit heeft gekregen, maar ook als dat wel zo zou zijn is dat onvoldoende. [verweerder] heeft niet onderbouwd dat zij na de brief uit juni 2024 dit zerotolerancebeleid nog op andere wijze onder de aandacht heeft gebracht van haar medewerkers. Op de posters die in de kantine hangen staat alleen hoe er besteld moet worden en niet dat en welke consequenties er volgen als de procedure niet wordt gevolgd. Opvallend is ook dat [verweerder] , nadat mr. Derks al op 31 maart 2026 had gevraagd naar de ‘nadrukkelijke instructies’ waar in de ontslagbrief naar wordt verwezen, de brief van juni 2024 kennelijk pas op 15 juli 2026 heeft kunnen terugvinden. [verweerder] heeft dus niet aangetoond dat zij het zerotolerancebeleid duidelijk en herhaaldelijk onder de aandacht heeft gebracht. Daarnaast heeft [verweerder] niet gesteld dat zij controleerde of dit beleid werd nageleefd, bijvoorbeeld door steekproefsgewijze tassencontroles. Dat in veel gevallen medewerkers (en ook [verzoeker] ) wel de juiste procedure hebben gevolgd, is daarvoor onvoldoende. Daar komt bij dat uit de in het dossier aanwezige schriftelijke verklaringen blijkt dat er geen sprake was van (handhaving van) een zerotolerancebeleid. Uit de verklaring van [E] , degene die de hamburgers voor [verzoeker] maakte, volgt dat hij deze hamburgers maakte zonder dat deze 24 uur van te voren bij [A] of [B] waren besteld, zoals volgens de posters in de kantine had gemoeten. [F] , de directe collega van [E] , verklaart dat er altijd wat extra tartaar wordt gedraaid om te snoepen, dat tartaar en hamburgerdeeg dat over is wordt verdeeld en dat als gebraden spullen uit de oven komen iedereen hiervan staat te snoepen. Ook uit de transcriptie van het telefoongesprek met [verweerder] blijkt dat er meer medewerkers zijn die producten meenemen zonder te registeren en dat [verweerder] hiervan op de hoogte is.
Omdat er geen sprake was van een zerotolerancebeleid is de kantonrechter van oordeel dat het meermaals meenemen van enkele hamburgers geen dringende reden oplevert voor een ontslag op staande voet. [verzoeker] was productiemedewerker en had geen leidinggevende functie. De kantonrechter is het niet eens met [verweerder] dat [verzoeker] , alleen omdat hij al 25 jaar in dienst was, een voorbeeldfunctie had en dat daarom aan hem wat dat betreft zwaardere eisen kunnen worden gesteld. Juist omdat [verzoeker] al zolang in dienst was en kennelijk tot 17 maart 2026 naar tevredenheid heeft gefunctioneerd had [verweerder] kunnen volstaan met een andere sanctie, zoals een waarschuwing.
Het voorgaande leidt de kantonrechter tot de slotsom dat geen sprake is van een dringende reden die het ontslag op staande voet rechtvaardigt. Het ontslag op staande voet is daarom niet rechtsgeldig. Of is voldaan aan het onverwijldheidsvereiste, hoeft dus niet meer te worden beoordeeld.
Einde dienstverband
Omdat [verzoeker] berust in het ontslag op staande voet, is het dienstverband per 17 maart 2026 geëindigd. [verzoeker] maakt aanspraak op een vergoeding wegens onregelmatige opzegging, een transitievergoeding en een billijke vergoeding en betaling van achterstallig loon en dergelijke. Deze verzoeken zullen hierna achtereenvolgens worden beoordeeld.
[verzoeker] heeft recht op de gefixeerde schadevergoeding
De gevorderde vergoeding wegens onregelmatige opzegging zal worden toegewezen, omdat is opgezegd tegen een eerdere dag dan die tussen partijen geldt. De vergoeding is gelijk aan het bedrag van het loon over de opzegtermijn, te weten € 30.477,24. De gevorderde wettelijke rente over deze vergoeding wordt toegewezen, te rekenen vanaf de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, dus vanaf 17 maart 2026.
[verzoeker] heeft recht op de transitievergoeding
Het verzoek om [verweerder] te veroordelen tot betaling van een transitievergoeding wordt eveneens toegewezen. De kantonrechter heeft hiervoor geoordeeld dat het ontslag op staande voet niet terecht is gegeven, omdat daarvoor geen dringende reden aanwezig was. Een dringende reden valt niet zonder meer samen met ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van een werknemer. Maar zonder dringende reden en gelet op de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden is er geen grond om te oordelen dat het eindigen van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [verzoeker] . Dat betekent dat de transitievergoeding verschuldigd is. [verweerder] wordt veroordeeld tot betaling van de transitievergoeding, die € 56.815,50 bedraagt. De gevorderde wettelijke rente over de transitievergoeding wordt toegewezen, te rekenen vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, dus vanaf 17 april 2026.
[verzoeker] heeft recht op een billijke vergoeding
Het verzoek van [verzoeker] tot toekenning van een billijke vergoeding wordt toegewezen, omdat hiervoor is geoordeeld dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is. Daarbij wordt opgemerkt dat een ongeldig ontslag als ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever moet worden aangemerkt. De billijke vergoeding wordt vastgesteld op € 159.464,66. De kantonrechter licht dat hierna toe.
Voor het vaststellen van de hoogte van de toe te kennen billijke vergoeding zijn in de rechtspraak gezichtspunten geformuleerd. De kantonrechter moet bij het bepalen van de billijke vergoeding rekening houden met alle (uitzonderlijke) omstandigheden van het geval en die vergoeding moet daarbij aansluiten. Het gaat er uiteindelijk om dat de werknemer wordt gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Ook met de gevolgen van het ontslag kan rekening worden gehouden, voor zover die gevolgen zijn toe te rekenen aan het verwijt dat de werkgever kan worden gemaakt. De billijke vergoeding heeft geen bestraffend doel, maar met de billijke vergoeding kan ook worden tegengegaan dat werkgevers ervoor kiezen een arbeidsovereenkomst op ernstig verwijtbare wijze te laten eindigen.
De kantonrechter gaat ervan uit dat [verzoeker] , zonder het ontslag, tot zijn pensioen bij [verweerder] zou zijn blijven werken. Hij werkte daar al 25 jaar, kennelijk naar tevredenheid van beide partijen. Volgens [verweerder] heeft [verzoeker] gezegd dat hij op zijn 64e zou willen stoppen met werken, maar [verweerder] heeft dat niet onderbouwd. Zij heeft niet vermeld wanneer en tegen wie [verweerder] dat zou hebben gezegd en [verzoeker] heeft betwist dat hij wilde stoppen. De kantonrechter gaat er ook, met [verzoeker] , van uit dat hij gelet op zijn leeftijd geen ander werk zal kunnen vinden waarmee hij een vergelijkbaar loon zal kunnen verdienen. [verzoeker] is inmiddels 64 jaar oud en doet al 25 jaar hetzelfde werk bij [verweerder] . De vacatures waar [verzoeker] volgens [verweerder] op zou kunnen reageren zijn allemaal vacatures voor leidinggevende functies, en [verzoeker] is productiemedewerker, zonder leidinggevende taken.
Op de vast te stellen billijke vergoeding zal de kantonrechter de door [verzoeker] te ontvangen WW-uitkering in mindering brengen. Die WW-uitkering zou hij immers zonder het ontslag niet hebben gekregen. Omdat ervan uit wordt gegaan dat [verzoeker] tot zijn pensioen bij [verweerder] zou hebben gewerkt, wordt [verzoeker] ook niet benadeeld in mogelijke toekomstige rechten op een WW-uitkering.
De transitievergoeding van € 56.815,50 bruto wordt op de billijke vergoeding in mindering gebracht. Als [verzoeker] tot zijn pensioen had doorgewerkt, had hij ook geen recht gehad op een transitievergoeding.
Bij het vaststellen van de billijke vergoeding zal de kantonrechter ook rekening houden met de netto jubileumuitkering van € 6.280,16, omdat [verzoeker] die zonder het ontslag wel zou hebben ontvangen. Dat [verzoeker] heeft berust in het ontslag en in plaats van vernietiging een billijke vergoeding heeft gevraagd maakt dat niet anders. Het door [verweerder] gegeven ontslag is immers de eerste reden dat [verzoeker] in juni 2026 niet meer in dienst is.
[verweerder] voert aan dat [verzoeker] heeft gehandeld in strijd met de waarheidsplicht, door de kantonrechter niet te informeren over zijn vermogen, bestaande uit een eigen woning en aandelen in een besloten vennootschap. Volgens [verweerder] zou [verzoeker] kunnen leven van de huuropbrengst van het onroerend goed in de vennootschap. Het is niet duidelijk welke consequenties [verweerder] aan haar stellingen wil verbinden. [verzoeker] wijst er op dat zijn vermogenspositie niet is beïnvloed door het ontslag op staande voet, zodat die niet van belang is bij het vaststellen van de hoogte van de billijke vergoeding. De kantonrechter sluit zich daarbij aan. De kantonrechter kan zich voorstellen dat in uitzonderlijke gevallen, bijvoorbeeld als de vermogenspositie van de werknemer beter is dan die van de werkgever, het vermogen van de werknemer van invloed kan zijn op de hoogte van de vast te stellen billijke vergoeding, maar dat er van zo’n uitzonderlijk geval sprake is, heeft [verweerder] niet gesteld.
Uitgaande van de door [verzoeker] overgelegde berekening, waarvan [verweerder] de juistheid niet heeft weersproken, becijfert de kantonrechter de inkomens- en pensioenschade, na aftrek van de te ontvangen WW-uitkering, op € 210.000,-. Daarop wordt de transitievergoeding van € 56.815,50 in mindering gebracht. Dan resteert € 153.184,50. De jubileumuitkering moet daarbij worden opgeteld. Net als [verzoeker] zelf telt de kantonrechter het nettobedrag van € 6.280,16 op bij de (bruto) billijke vergoeding, die daarmee uitkomt op € 159.464,66.
[verweerder] zal dus worden veroordeeld tot betaling van een billijke vergoeding van € 159.464,66 bruto. De gevorderde wettelijke rente over deze vergoeding wordt toegewezen, te rekenen vanaf de veertiende dag na de datum van deze beschikking.
Achterstallig salaris en dergelijke
[verweerder] heeft de vorderingen van [verzoeker] ter zake het achterstallig salaris, de vakantiebijslag en de niet genoten vakantie-uren niet weersproken, zodat die zullen worden toegewezen zoals verzocht.
De proceskosten
De proceskosten komen voor rekening van [verweerder] , omdat [verweerder] overwegend ongelijk krijgt. De proceskosten aan de zijde van [verzoeker] worden begroot op € 1.762,00 (€ 753,00 aan griffierecht, € 865,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.
Uitvoerbaar bij voorraad
De kantonrechter zal deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren zoals [verzoeker] heeft verzocht. Dat betekent dat de veroordelingen in de beschikking uitgevoerd moeten worden, ook als eventueel in hoger beroep wordt gegaan.
6. De beoordeling van het tegenverzoek
Het verzoek van [verweerder] om [verzoeker] te veroordelen tot betaling van de gefixeerde schadevergoeding wordt afgewezen. Hiervoor is immers geoordeeld dat het ontslag niet rechtsgeldig is.
Namens [verweerder] is nog een voorwaardelijk tegenverzoek gedaan tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst voor het geval de kantonrechter zou oordelen dat het ontslag op staande voet onterecht is gegeven. Tot dat oordeel komt de kantonrechter, maar omdat [verzoeker] heeft berust in het gegeven ontslag op staande voet, komt de kantonrechter niet toe aan een beoordeling van dit voorwaardelijk tegenverzoek.
De proceskosten komen voor rekening van [verweerder] , omdat [verweerder] ongelijk krijgt. De proceskosten aan de zijde van [verzoeker] worden begroot op nihil.
7. De beslissing
De kantonrechter
op het verzoek
verklaart voor recht dat het ontslag op staande voet van 17 maart 2026 niet rechtsgeldig is gegeven,
veroordeelt [verweerder] om aan [verzoeker] de vergoeding wegens onregelmatige opzegging te betalen van € 30.477,24, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 17 maart 2026 tot aan de dag van de gehele betaling,
veroordeelt [verweerder] om aan [verzoeker] een transitievergoeding te betalen van € 56.815,50, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 17 april 2026 tot aan de dag van de gehele betaling,
veroordeelt [verweerder] om aan [verzoeker] een billijke vergoeding te betalen van € 159.464,66, te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf de veertiende dag na de datum van deze beschikking, tot aan de dag van de gehele betaling,
veroordeelt [verweerder] om aan [verzoeker] te betalen
€ 3.140.08 bruto aan achterstallig salaris, te vermeerderen met 50 % wettelijke verhoging en de wettelijke rente met ingang van 1 april 2026,
€ 6.051,13 bruto aan vakantiebijslag, te vermeerderen met 50 % wettelijke verhoging en de wettelijke rente met ingang van 1 april 2026,
€ 6.339,27 bruto voor opgebouwde maar niet genoten vakantie-uren, te vermeerderen met 50 % wettelijke verhoging en de wettelijke rente met ingang van 1 april 2026,
veroordeelt [verweerder] in de proceskosten van € 1.762,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [verweerder] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders verzochte af,
op het tegenverzoek
wijst de verzoeken af,
veroordeelt [verweerder] in de proceskosten, aan de zijde van [verzoeker] begroot op nihil.
Deze beschikking is gegeven door mr. I.L. Rijnbout en in het openbaar uitgesproken op 13 augustus 2026.