RECHTBANK Midden-Nederland
Civiel recht
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: C/16/613864 / KG ZA 26-397
Vonnis in kort geding van 13 augustus 2026
in de zaak van
MATCHD B.V.,
gevestigd in Amersfoort,
eisende partij,
hierna te noemen: Matchd,
advocaat: mr. R.W. Lagerwaard,
tegen
1. [gedaagde sub 1] B.V.,
gevestigd in [plaats] ,
hierna te noemen: [gedaagde sub 1] ,
2. [gedaagde sub 2] ,
wonende in [plaats] ,
hierna te noemen: [gedaagde sub 2] ,
gedaagde partijen,
hierna samen in mannelijk enkelvoud te noemen: [gedaagde sub 2] c.s.,
advocaat: mr. G.H. Teiken.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 3 juli 2026,
- de producties 1 tot en met 3 van de zijde van [gedaagde sub 2] c.s.
Op 23 juli 2026 heeft er een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Hierbij waren namens Matchd de heer [A] [functie 1] , de heer [B] , [functie 2] , en haar gemachtigde mr. R.W. Lagerwaard aanwezig. Namens [gedaagde sub 2] c.s. waren de heer [gedaagde sub 2] en hun gemachtigde mr. G.H. Teiken aanwezig. Partijen hebben de vragen van de kantonrechter beantwoord en hebben op elkaar gereageerd. Mr. Lagerwaard en mr. Teiken hebben een pleitnota voorgedragen. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat er is besproken.
Ten slotte heeft de kantonrechter partijen laten weten dat het vonnis vandaag wordt uitgesproken.
2. De kern van de zaak
Matchd heeft een overeenkomst gesloten met [gedaagde sub 1] , waaruit volgt dat de [functie 2] van [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] , als [functie 3] bij het Rijksvastgoedbedrijf werkzaamheden zou verrichten. Matchd is dus opgetreden als intermediair tussen [gedaagde sub 1] en het Rijksvastgoedbedrijf. Het Rijksvastgoedbedrijf betaalde Matchd voor ieder uur dat [gedaagde sub 2] voor haar werkte. [gedaagde sub 1] heeft de overeenkomst met Matchd vroegtijdig opgezegd, omdat [gedaagde sub 2] op 1 februari 2026 in dienst is getreden bij het Rijksvastgoedbedrijf. Matchd spreekt in deze procedure [gedaagde sub 2] c.s. aan vanwege een relatiebeding in de overeenkomst tussen Matchd en [gedaagde sub 1] . Zij vraagt de kantonrechter om [gedaagde sub 2] te veroordelen zijn werkzaamheden voor het Rijksvastgoedbedrijf te stoppen, op straffe van een dwangsom die [gedaagde sub 2] c.s. zouden moeten betalen. [gedaagde sub 2] c.s. betwist dat het relatiebeding op [gedaagde sub 2] van toepassing is. De kantonrechter gaat hier in mee en wijst de vorderingen van Matchd af.
3. De beoordeling
Toetsingskader
In een kort geding kan de kantonrechter een voorlopige voorziening geven. Dat is een voorlopige maatregel die vooruit loopt op de beslissing die wordt verwacht in een gewone rechtszaak (bodemzaak), die na het kort geding kan worden ingesteld. Een vordering in kort geding kan worden toegewezen als de partij die de voorziening vraagt, in dit geval Matchd, hierbij zoveel spoed heeft dat hij de uitkomst van een gewone rechtszaak niet hoeft af te wachten. Daarnaast geldt dat de kantonrechter in dit kort geding moet beoordelen of de vordering in een eventuele bodemprocedure een zodanige kans van slagen heeft, dat vooruitlopend daarop toewijzing daarvan gerechtvaardigd is. Als uitgangspunt geldt dat in deze procedure geen plaats is voor bewijslevering.
Spoedeisend belang
De kantonrechter is van oordeel dat Matchd een spoedeisend belang heeft bij zijn vordering. Haar stelling is namelijk dat het relatiebeding wordt overtreden en daardoor oneigenlijke concurrentie plaatsvindt die ze een halt wil toeroepen.
De vorderingen van Matchd worden afgewezen
Partijen hebben in deze procedure een uitgebreide discussie gevoerd over onder andere de vraag of de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs (ook wel Waadi) op [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] van toepassing is, aangezien [gedaagde sub 1] een besloten vennootschap is en de Waadi geldt voor arbeidskrachten en niet voor rechtspersonen, ook niet als die feitelijk worden gebruikt om de enig werknemer in de rechtspersoon te werk te stellend. Ook hebben zij gediscussieerd over de termijn waarvoor het relatiebeding tussen [gedaagde sub 1] en Matchd geldig zou zijn. De kantonrechter komt bij de beoordeling of Matchd zich jegens [gedaagde sub 2] c.s. succesvol kan beroepen op het relatiebeding of niet, echter niet toe aan deze discussies. Het relatiebeding is namelijk in zijn geheel niet van toepassing op [gedaagde sub 2] , wat betekent dat de vorderingen van Matchd worden afgewezen. De kantonrechter legt dit als volgt uit.
[gedaagde sub 2] kan niet aan een verplichting uit de overeenkomst tussen Matchd en [gedaagde sub 1] gehouden worden
Matchd en [gedaagde sub 1] hebben drie maal een overeenkomst van een jaar gesloten. Op grond van deze overeenkomst heeft [gedaagde sub 2] vanaf mei 2023 werkzaamheden verricht bij het Rijksvastgoedbedrijf. [gedaagde sub 2] was dus geen partij bij de overeenkomst tussen Matchd en [gedaagde sub 1] . Dit betekent dat [gedaagde sub 2] in beginsel niet gehouden is aan verplichtingen die voor [gedaagde sub 1] uit de overeenkomst met Matchd volgen. Alleen om die reden moet de vordering van Matchd op [gedaagde sub 2] worden afgewezen. [gedaagde sub 2] is namelijk niet gehouden aan enige verplichting uit de overeenkomst tussen Matchd en [gedaagde sub 1] .
Het relatiebeding is niet van toepassing op gelieerde partijen en dus kan ook [gedaagde sub 1] niet worden gehouden aan het relatiebeding
Dit geldt uiteraard niet voor [gedaagde sub 1] . Zij moet zich wel aan de verplichtingen uit de overeenkomst houden. Eén van deze verplichtingen is het relatiebeding, dat in alle drie de overeenkomsten is opgenomen. Dit beding luidt als volgt:
“Het is Opdrachtnemer en/of aan haar gelieerde personen/organisaties niet toegestaan om gedurende de looptijd van deze overeenkomst, alsmede gedurende een periode van twaalf (12) maanden na afloop daarvan direct of indirect, tegen betaling dan wel om niet, werkzaamheden te verrichten voor de klant van opdrachtgever, dan wel aan deze partij gelieerde organisaties.”
Uit dit relatiebeding volgt dat [gedaagde sub 1] (opdrachtnemer) én aan haar gelieerde personen, zoals [gedaagde sub 2] als [functie 2] en medewerker van [gedaagde sub 1] , gedurende een periode van twaalf maanden niet bij het Rijksvastgoedbedrijf (de klant van opdrachtgever Matchd) in dienst zou mogen treden. In dat geval zou Matchd dus [gedaagde sub 1] als contractant kunnen aanspreken, wanneer [gedaagde sub 2] bij het Rijksvastgoedbedrijf in dienst zou treden. Maar, partijen hebben op dit relatiebeding zelf een uitzondering gemaakt. In alle drie de overeenkomsten is namelijk in de bijlage het volgende opgenomen:
“Overige bijzonderheden: - Artikel 12.1: relatiebeding wordt teruggebracht naar 6 maanden en is nvt op gelieerde partijen”
Uit deze uitzondering volgt dat het relatiebeding niet van toepassing is op gelieerde partijen. Dat maakt dat [gedaagde sub 1] niet aangesproken kan worden wanneer een gelieerde partij, zoals [gedaagde sub 2] , in dienst treedt bij het Rijksvastgoedbedrijf. De vorderingen die Matchd heeft ingesteld tegen [gedaagde sub 1] worden dus ook afgwezen.
De kantonrechter gaat niet mee in het verweer van Matchd dat [gedaagde sub 2] niet als een ‘gelieerde partij’ moet worden gezien, maar dat het relatiebeding rechtstreeks op [gedaagde sub 2] van toepassing is. Uit dit verweer volgt namelijk dat [gedaagde sub 2] dan als opdrachtnemer en partij bij de overeenkomst tussen Matchd en [gedaagde sub 1] zou moet worden gezien. Anders zou een verplichting uit de overeenkomst niet op [gedaagde sub 2] persoonlijk van toepassing kunnen zijn. Maar, [gedaagde sub 2] is op geen enkele manier in persoon partij bij de overeenkomst. [gedaagde sub 2] kan ook niet in de plaats van [gedaagde sub 1] als contractspartner worden gezien, omdat hij [functie 2] is van [gedaagde sub 1] of omdat hij degene is die de opdracht van Matchd uiteindelijk namens [gedaagde sub 1] bij het Rijksvastgoedbedrijf heeft uitgevoerd. [gedaagde sub 1] is namelijk een besloten vennootschap en dus een rechtspersoon, die uit naam van zichzelf overeenkomsten kan sluiten en heeft gesloten. Matchd heeft ook toegelicht dat het uitdrukkelijk de bedoeling was om een overeenkomst met [gedaagde sub 1] te sluiten en niet rechtstreeks met [gedaagde sub 2] , omdat er anders problemen zouden kunnen ontstaan met de Waadi.
Matchd moet de proceskosten betalen
Matchd is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde sub 2] c.s. worden begroot op:
- griffierecht
€
735,00
- salaris advocaat
€
1.177,00
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
2.101,00
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
4. De beslissing
De voorzieningenrechter
wijst de vorderingen van Matchd af,
veroordeelt Matchd in de proceskosten van € 2.101,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als Matchd niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt Matchd tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.C.P.M. Straver en in het openbaar uitgesproken op 13 augustus 2026.
62938