RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Familierecht
locatie Utrecht
zaaknummer: C/16/610511 / FO RK 26-534
Vervangende toestemming reizen, beheer paspoorten, nakoming zorgregeling, informatieregeling
Beschikking van 17 augustus 2026
in de zaak van:
[de moeder] ,
wonende in [woonplaats] ,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat mr. D.E. Oud,
tegen
[de vader] ,
wonende in [woonplaats] ,
hierna te noemen: de vader,
advocaat mr. S. Askamp.
1. De procedure
De rechtbank heeft de volgende stukken ontvangen:
het verzoekschrift (met bijlagen) van de moeder, binnengekomen op 21 april 2026;
het verweerschrift (met bijlagen) van de vader met daarin een aantal zelfstandige verzoeken;
het verweerschrift (met bijlagen) van de moeder op de zelfstandige verzoeken van de vader;
het bericht (met bijlagen) van de moeder van 10 juni 2026 (via F9-formulier);
de pleitaantekeningen van mr. S. Askamp van 12 juni 2026.
De verzoeken zijn besproken tijdens de mondelinge behandeling (zitting) van 12 juni 2026. Daarbij waren aanwezig:
de moeder met K. Koyuncu als tolk;
de advocaat van de moeder via een digitale verbinding;
de vader met zijn advocaat;
[A.] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad).
De rechtbank heeft aan de minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , de kinderen van de ouders, gevraagd wat zij van de verzoeken vinden. [minderjarige 1] heeft op 10 juni 2026 met de rechter gesproken. [minderjarige 2] heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om zijn mening te geven.
2. Waar de procedure over gaat
De ouders hebben een relatie met elkaar gehad.
Zij hebben samen kinderen:
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2009 in [geboorteplaats] ;
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2013 in [geboorteplaats] .
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij de moeder.
De ouders hebben samen het gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Dat betekent dat zij samen de belangrijke beslissingen over hen nemen.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben zowel de Nederlandse als de Britse nationaliteit.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn op 9 juni 2023 onder toezicht gesteld. De ondertoezichtstelling is op 12 september 2025 geëindigd.
In de beschikking van 13 februari 2024 heeft de rechtbank een zorg- en vakantieregeling vastgesteld. De zorgregeling houdt in dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] volgens een week-op-week-af regeling in de oneven weken bij de vader en de even weken bij de moeder verblijven, waarbij het wisselmoment op zondag om 19.00 uur is.
De vakantieregeling houdt in:
Voorjaarsvakantie: in de even jaren verblijven de kinderen bij de moeder en in de oneven jaren bij de vader.
Meivakantie: in de even jaren verblijven de kinderen de eerste week bij de vader en de tweede week bij de moeder, in de oneven jaren verblijven de kinderen de eerste week bij de moeder en de tweede week bij de vader;
Zomervakantie: in de even jaren verblijven de kinderen de eerste drie weken bij de vader en de laatste drie weken bij de moeder, in de oneven jaren verblijven de kinderen de eerste drie weken bij de moeder en de laatste drie weken bij de vader;
Herfstvakantie: in de even jaren verblijven de kinderen bij de moeder en in de oneven weken verblijven de kinderen bij de vader;
Kerstvakantie: in de even jaren verblijven de kinderen de eerste week (inclusief de kerstdagen) bij de vader en de tweede week (inclusief Oud en Nieuw en Nieuwjaarsdag) bij de moeder en in de oneven jaren verblijven de kinderen de eerste week (inclusief de kerstdagen) bij de moeder en de tweede week (inclusief Oud en Nieuw en Nieuwjaarsdag) bij de vader;
Goede Vrijdag en Pasen: in de even jaren verblijven de kinderen bij de vader en in de oneven jaren bij de moeder
Hemelvaartsdag (en eventueel de dag erna als de kinderen niet naar school hoeven): in de even jaren verblijven de kinderen bij de moeder en in de oneven jaren bij de vader
Koningsdag: in de even jaren verblijven de kinderen bij de moeder en in de oneven jaren bij de vader;
ten aanzien van Goede Vrijdag, Pasen, Hemelvaartsdag, Pinksteren en Koningsdag geldt dat indien deze dagen in een vakantie vallen dat dan de vakantieregeling prevaleert;
Verjaardag [minderjarige 1] : in de even jaren vieren de kinderen die bij de moeder en in de oneven jaren bij de vader, verjaardag [minderjarige 2] : in de even jaren vierden de kinderen die bij de vader en in de oneven jaren bij de moeder, de kinderen verblijven dan vanaf 10.00 uur op de dag zelf tot de dag erna om 10.00 uur bij deze ouder;
Verjaardagen ouders: de kinderen verblijven vanaf 10.00 uur op de dag zelf tot de dag erna om 10.00 uur bij de deze ouder;
Moederdag: de kinderen verblijven vanaf 10.00 uur op de dag zelf tot de dag erna om 10.00 uur bij de moeder;
Vaderdag: de kinderen verblijven vanaf 10.00 uur op de dag zelf tot de dag erna om 10.00 uur bij de vader.
De rechtbank heeft in de beschikking van 22 januari 2025 de vakantieregeling aangevuld met de volgende afspraken:
Vakanties van één week: start vrijdag 19.00 uur, waarna het wisselmoment aan het eind van de vakantie is op zondag 19.00 uur;
Vakanties langer dan één week: start vrijdag 19.00 uur, waarna het wisselmoment halverwege de vakantie is op zondag 19.00 uur en het wisselmoment aan het eind van de vakantie is op zondag 19.00 uur;
Voor losse vrije dagen (Goede Vrijdag, Pasen, Hemelvaartsdag, Koningsdag) geldt dat, mocht deze dag bij de andere ouder zijn, de kinderen vanaf 10.00 uur op de dag zelf bij de desbetreffende ouder zijn tot 19.00 uur. Mocht een van deze vrije dagen binnen een vakantie vallen, dan komen ouders overeen dat de vakantieregeling prevaleert boven de regeling van de losse dagen. Mocht er een wisselmoment volgen op deze dagen (zondag), dan geldt de reguliere wisseltijd van 19.00 uur;
Pinksteren wordt geïntegreerd in de reguliere zorgregeling. Dit betekent het volgende: eerste pinksterdag is altijd op een zondag in het weekend van de ene ouder conform de reguliere regeling. Het wisselmoment is op het reguliere tijdstip van zondag 19.00 uur. Tweede pinksterdag is altijd op een maandag in de week van de andere ouder conform de reguliere regeling.
De ouders zijn het niet eens over het verlenen van toestemming voor reizen naar het buitenland. Daarnaast zijn de ouders het niet eens over de vraag wie de paspoorten van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in zijn of haar beheer heeft. De moeder wil:
primair:
dat aan haar vervangende toestemming wordt verleend, welke toestemming die van de vader vervangt, om met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op vakantie te gaan binnen Europa (inclusief het Verenigd Koninkrijk), gedurende een periode van 36 maanden na datum van de beschikking, voor zover deze reizen plaatsvinden binnen de aan de moeder toekomende zorgperiodes volgens de geldende zorgregeling, telkens voor een aaneengesloten periode van maximaal vier weken, onder de voorwaarde dat de moeder voorafgaand aan vertrek aan de vader de adresgegevens van de verblijfaccommodatie(s) verstrekt;
dat wordt bepaald dat de paspoorten van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in het beheer van de moeder zijn, en aan de moeder worden afgegeven binnen twee dagen na de te wijzen beschikking;
subsidiair:
- dat wordt bepaald dat de vader gehouden is de paspoorten aan de moeder af te geven vier weken voor aanvang van haar reisperiode, dan wel op eerste verzoek van de moeder wanneer zij binnen vier weken voor vertrekdatum een reis boekt in de moeder toekomende zorg periode, op straffe van een dwangsom van € 500,- per dag dat de vader weigert hieraan te voldoen, met een maximum van € 50.000,-
De vader is het hier niet mee eens. Hij wil dat de moeder in haar verzoeken niet-ontvankelijk wordt verklaard of dat de verzoeken van de moeder worden afgewezen. In het geval dat de rechtbank wel tot enige vervangende toestemming komt, wil de vader dat de vervangende toestemming wordt beperkt tot reizen binnen de Europese Unie (derhalve met uitsluiting van het Verenigd Koninkrijk) voor een aaneengesloten periode van maximaal vier weken, voor een termijn van ten hoogste twaalf maanden onder de volgende voorwaarden:
de moeder verstrekt de vader uiterlijk twee weken voor vertrek de volledige reisgegevens (heen- en terugreisdatum, bestemming, accommodatie, inclusief adres en telefoonnummer);
de moeder maakt voor de reizen uitsluitend gebruik van het Nederlandse paspoort van de kinderen;
de moeder informeert de vader na terugkeer over een eventueel incident en stelt na elke reis de paspoorten weer ter beschikking onder de gangbare overdrachtsafspraken.
Daarnaast verzoekt de vader:
te bepalen dat de ouders vanaf de datum van de beschikking ouderlijk gezag uitoefenen op basis van het beginsel van solo-parallel ouderschap, in die zin dat de wekelijke “overdrachtsberichten” tussen de ouders komen te vervallen en de ouders elkaar uitsluitend informeren over zwaarwegende aangelegenheden in de zin van artikel 1:377b BW (zoals ziekenhuisopname, schoolkeuze of vergelijkbare aangelegenheden);
de moeder te veroordelen tot stipte nakoming van de tussen de ouders geldende zorgregeling, in het bijzonder ten aanzien van de tijdige overdracht van de kinderen aan de vader op de daartoe overeengekomen tijdstippen en data, op straffe van een dwangsom van € 250,- per overtreding van deze veroordeling, met een maximum van € 25.000,-;
voor zover de rechtbank een dwangsom aan de vader oplegt op grond van enig verzoek van de moeder: te bepalen dat een spiegelbeeldige dwangsom, onder gelijke voorwaarden en met een gelijk maximum, ook aan de moeder wordt opgelegd ten aanzien van haar eigen verplichting tot afgifte van paspoorten en/of tot nakoming van de zorgregeling;
de moeder te veroordelen in de kosten van deze procedure, inclusief de nakosten en de wettelijke rente.
De moeder is het niet eens met de zelfstandige verzoeken van de vader. Zij wil dat de vader niet-ontvankelijk wordt verklaard in zijn verzoeken of dat zijn verzoeken worden afgewezen.
3. De beoordeling
De beslissing
De rechtbank zal de moeder vervangende toestemming verlenen, die de toestemming van de vader vervangt, om met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op vakantie te gaan binnen Europa (inclusief het Verenigd Koninkrijk), gedurende een periode van 36 maanden na datum van de beschikking, voor zover deze reizen plaatsvinden binnen de aan de moeder toekomende zorgperiodes volgens de geldende zorgregeling, telkens voor een aaneengesloten periode van maximaal vier weken, onder de voorwaarde dat de moeder uiterlijk twee weken voorafgaand aan vertrek aan de vader de vertrek- en aankomstdata en -tijden en de adresgegevens van de verblijfaccommodatie(s) verstrekt.
Daarnaast wijst de rechtbank het primaire verzoek van de moeder over het beheer van de Nederlandse paspoorten af en het subsidiaire verzoek van de moeder toe. De overige verzoeken van de vader worden afgewezen. De rechtbank zal hierna uitleggen hoe zij tot deze beslissing is gekomen.
Het geschil over de vakanties met de kinderen
De rechtbank stelt voorop dat ouders en hun kinderen het recht en belang hebben om met elkaar vrije tijd door te brengen, en als het kan ook samen op vakantie of weekendjes weg te gaan. Als ouders uit elkaar gaan spreken ze vaak met elkaar af in welke periodes de ouder met de kinderen een vakantie kan doorbrengen. Dit hebben de ouders van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ook samen afgesproken. Voor reizen met de kinderen naar het buitenland in de afgesproken vakantie- of zorgtijd van een ouder, dient de andere gezaghebbende ouder toestemming te verlenen. Deze ouder mag echter alleen op redelijke gronden en in verband met het belang van de kinderen die toestemming weigeren. Als voor deze reizen naar het buitenland paspoorten nodig zijn, dient de ouder die op dat moment de paspoorten in beheer heeft, deze binnen redelijke termijn en zonder de reis te frustreren, af te geven.
Uit de stukken, het gesprek met [minderjarige 1] en het gesprek tijdens de zitting blijkt dat er al jarenlang onrust ontstaat tussen de ouders als de moeder met de kinderen op vakantie wil gaan. De vader, zo begrijpt de rechtbank, verleent vaak alleen toestemming voor een vakantie als voorafgaand door de vrouw inzichtelijk wordt gemaakt met welk paspoort wordt gereisd. Daarnaast worden de Nederlandse paspoorten ook niet zonder discussies afgegeven. Hoewel de man uiteindelijk medewerking verleend gaat dat nooit zonder voorafgaande discussies of vertragingen. De man verleent de toestemming ook alleen onder de voorwaarde dat niet met de Britse paspoorten wordt gereisd. Regelmatig is er voorafgaande aan de toestemming veel onrust tussen de ouders. In deze procedure geeft de vader aan dat hij instemt met het reizen binnen de Europese Unie en niet met het reizen van de kinderen naar het Verenigd Koninkrijk. De vader wil ook niet dat de kinderen reizen met hun eigen Britse paspoorten. Dit maakt het reizen voor de moeder met de kinderen naar het Verenigd Koninkrijk niet mogelijk. Het is namelijk voor reizigers met de Britse nationaliteit niet toegestaan om het Verenigd Koninkrijk in te reizen met een paspoort van een andere nationaliteit dan het Britse. Iemand met een Britse nationaliteit kan geen ETA document aanvragen. Het wordt reizigers met de Nederlandse nationaliteit geadviseerd om vanuit een land buiten de Europese Unie, Nederland in te reizen met hun Nederlandse paspoort.
Geen van de feiten of omstandigheden die door de vader naar voren zijn gebracht leiden tot de conclusie dat hij op redelijke gronden aan zijn toestemming voor het reizen (met Brits paspoort) of de afgifte van de Nederlandse paspoorten voorwaarden verbindt. De rechtbank stelt daarom vast dat er de vader ten onrechte voorwaarden verbindt aan het verstrekken van de paspoorten en/of het afreizen van de kinderen naar het Verenigd Koninkrijk of naar andere bestemmingen. De rechtbank merkt wel op dat uit de zitting ook is gebleken dat de moeder heeft nagelaten om de vader duidelijk te informeren waarom zowel een Brits en Nederlands paspoort noodzakelijk is voor het afreizen naar het Verenigd Koninkrijk. Ook heeft de moeder nagelaten om de vader te informeren over de aanvraag voor de Britse paspoorten van de kinderen. De rechtbank concludeert dan ook dat beide ouders hierin niet respectvol met elkaars ouderschap omgaan. Hierdoor ontstaat er wantrouwen bij beide ouders. De dupe hiervan zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . [minderjarige 1] heeft de rechtbank verteld dat hij veel last heeft van het feit dat zijn ouders niet normaal kunnen doen en niet in staat zijn om samen een vakantie voor hem en zijn broertje te regelen. [minderjarige 1] heeft ook zijn zorgen geuit over het welzijn van [minderjarige 2] . [minderjarige 1] is bang dat [minderjarige 2] hier ook veel last van heeft en krijgt. [minderjarige 1] heeft de rechtbank gevraagd om zijn ouder mee te delen: “Dat alles klaar is. Dat het klaar is, dat het gezeik stopt, dat dit hopelijk de laatste keer is. Dat dit niet meer hoeft.”
Vervangende toestemming reizen
De rechtbank vindt de gevraagde vervangende toestemming door de moeder in het belang van de kinderen.
De ouders hebben een jarenlange onrustige geschiedenis en zijn nog steeds niet in staat om respectvol en zonder gedoe met elkaar te communiceren of om op een rustige manier informatie uit te wisselen. Het verlenen van toestemmingen voor vakanties zonder gedoe lijkt niet mogelijk. De kinderen hebben hier last van. Hoewel de ouders goed kunnen aangeven wat zij niet fijn vinden van de andere ouder, zijn zij allebei niet in staat om met oog voor de andere ouder en zonder gedoe de vakantie met de kinderen te regelen. De rechtbank ziet dat er inmiddels zoveel wantrouwen tussen beide ouders, dat zelfs in het geval de ene ouder wel welwillend is om mee te werken met een vakantie van de andere ouder met de kinderen, er desondanks toch onrust is over de vraag of daadwerkelijk toestemming wordt gegeven. De onrust die hierdoor ontstaat is niet in het belang van de kinderen. Die moeten erop mogen vertrouwen dat ze met iedere ouder fijn op vakantie kunnen en dat beide ouders emotionele toestemming geven om in het buitenland vakantietijd met elke ouder te mogen doorbrengen.
De rechtbank ziet ook dat de moeder niet altijd de nodige informatie verstrekt, (zoals dat er een Brits paspoort is aangevraagd en waarom een Brits paspoort noodzakelijk is). Daarnaast ziet de rechtbank dat het voor de vader niet mogelijk is om zonder nadere informatie te eisen of (onredelijke) voorwaarden te stellen, toestemming te verlenen voor vakanties (naar het Verenigd Koninkrijk), of om paspoorten af te geven. Vanwege de grote onrust en het feit dat de kinderen daar last van hebben ziet de rechtbank deze beslissing als oplossing.
De moeder mag daarom samen met de kinderen reizen, zonder dat zij steeds voorafgaand toestemming nodig heeft van de vader. Het gaat dan om reizen op de momenten die volledig vallen binnen de tijd dat volgens de geldende zorg- en vakantieregeling de kinderen bij haar zijn en voor een periode van maximaal vier weken aaneengesloten. De vader heeft gesteld dat hij bang is dat de moeder geen informatie verstrekt. Voor de rust bij de vader bepaalt de rechtbank dat de moeder uiterlijk twee weken voor vertrek de vertrek- en aankomstdata en -tijden en de adresgegevens van de verblijfsaccommodatie(s) aan de vader verstrekt.
De rechtbank ziet geen aanleiding om de door de moeder verzochte periode van 36 maanden te matigen, zoals de vader heeft verzocht. De rechtbank heeft er namelijk op dit moment geen vertrouwen in dat het de ouders over een jaar of over twee jaar wel lukt om elkaar toestemming te geven voor de vakanties zonder dat er gedoe ontstaat. De rechtbank wijst daarom het verzoek van de moeder toe.
De vader heeft niet verzocht of hij voor de komende jaren zonder toestemming van de moeder mag reizen met de kinderen in zijn zorgperiodes met de kinderen. Ondanks het uitdrukkelijke verzoek van [minderjarige 1] aan de rechter om iedere ouder dezelfde vrijheid te geven, kan de rechtbank de vader daarom op dit punt niet een gespiegelde vervangende toestemming voor deze vakanties geven. De rechtbank wil wel de ouders meegeven dat het voor de rust van belang is dat de moeder in de toekomst de vader vol vertrouwen toestemming geeft voor de vakanties die hij met de kinderen wil doorbrengen.
Beheer van de paspoorten
De rechtbank wijst het primaire verzoek van de moeder om de Nederlandse paspoorten in haar beheer te houden af. De kinderen willen dat alles eerlijk wordt verdeeld. Dit blijkt ook uit het gesprek dat de rechter met [minderjarige 1] heeft gevoerd. [minderjarige 1] wil, ook voor zijn broertje, dat er zo min mogelijk strijd is tussen de ouders. De rechtbank vindt dat ook belangrijk. Daarom wil zij zo veel als mogelijk regelen in deze beschikking, zodat er zo min mogelijk strijd ontstaat.
Gelet op een eerlijke verdeling is het passend dat de moeder de Britse paspoorten in haar beheer heeft en dat de vader de Nederlandse paspoorten in zijn beheer heeft. Daarnaast adviseert de rechtbank de ouders om ook voor [minderjarige 2] een Nederlandse identiteitskaart aan te vragen, zodat de kinderen zich kunnen legitimeren en eventueel binnen het Schengen gebied kunnen reizen met hun identiteitskaart.
De rechtbank wijst wel het subsidiaire verzoek van de moeder toe. Het is de rechtbank gebleken dat er (ook) veel gedoe is rondom de (afgifte van de) paspoorten. Nu de rechtbank heeft beslist dat de moeder de Nederlandse paspoorten van de kinderen niet in haar beheer heeft, is het belangrijk dat de vader de Nederlandse paspoorten van de kinderen op een eerste verzoek aan de moeder afgeeft. Dat betekent dat dat de vader is gehouden de Nederlandse paspoorten van de kinderen aan de moeder af te geven, vier weken voor aanvang van haar reisperiode, dan wel op eerste verzoek van de moeder wanneer zij binnen vier weken voor vertrekdatum een reis boekt in de moeder toekomende zorg periode. Dit betekent dat de moeder tijdens haar eerste verzoek niet verplicht is de vader in detail uit te leggen waar zij precies met de kinderen naar toe wil gaan reizen of om eerst aan de vader andere vragen te beantwoorden. Zij moet wel aangeven welk land de reisbestemming is. Mocht de vader met de kinderen naar het Verenigd Koninkrijk willen reizen, dan moet de moeder de Britse paspoorten op zijn verzoek aan de vader verstrekken. Omdat dit niet door de vader is verzocht, neemt de rechtbank deze verplichting niet op in het dictum.
De rechtbank verbindt aan de verplichting om de paspoorten op eerste verzoek aan moeder te verstrekken een dwangsom van € 500,- per dag dat de vader weigert hieraan te voldoen, met een maximum van € 50.000,-. De rechtbank heeft er op dit moment geen vertrouwen in dat de vader, aan de moeder de Nederlandse paspoorten afgeeft, zonder dat hij daar enige voorwaarden aan verbindt. De rechtbank beslist daarom ook bewust dat de paspoorten al vier weken van te voren moeten worden afgegeven en dat de moeder de vader pas twee weken van te voren volledig hoeft in te lichten, zodat er geen discussie kan ontstaan over de vakantiekeuze die de moeder heeft gemaakt. Voor de volledigheid beslist de rechtbank dat de moeder de Nederlandse paspoorten van de kinderen na terugkomst binnen een week weer aan de vader afgeeft. De rechtbank ziet op dit moment geen aanleiding om aan deze verplichting van de moeder een dwangsom te verbinden. De reden is dat de vader niet heeft uitgewerkt waarom hij denkt dat de moeder zich zonder druk van een dwangsom niet aan deze verplichting zal houden. De rechtbank gaat er daarom van uit dat de moeder deze verplichting zal nakomen.
Overdrachtsberichten
De rechtbank zal het verzoek van de vader afwijzen, vanwege gebrek aan belang. In de wet staat nergens dat de ouders elkaar wekelijks (lange) overdrachtsberichten moeten sturen. Ook is niet gesteld of gebleken dat dit tussen de ouders is afgesproken. De rechtbank stelt daarom vast dat er tussen de ouders geen verplichting daartoe bestaat. De vader mag daarom stoppen met het sturen van deze berichten zonder dat daarvoor een beslissing van de rechtbank nodig is. De ouders moeten elkaar wel (blijven) informeren over zwaarwegende aangelegenheden in de zin van artikel 1:377b BW.
Nakoming zorgregeling
De rechtbank zal het verzoek van de vader tot stipte nakoming van de zorgregeling afwijzen. De vader heeft onvoldoende uitgewerkt dat de zorgregeling regelmatig door de moeder niet wordt nagekomen. De voorbeelden die de vader heeft genoemd zijn eenmalige incidenten waarbij de moeder een aannemelijke uitleg had. Het is niet gebleken dat de moeder structureel de zorgregeling niet nakomt.
Gelet op de leeftijd van de kinderen vindt de rechtbank het daarnaast passend dat de kinderen wat ruimte krijgen voor de overdrachten. Dit betekent niet dat zij zelf mogen bepalen wanneer de overdracht plaatsvindt, maar het betekent wel dat het geen probleem moet zijn als zij soms niet stipt op tijd bij de vader zijn. Het is aan de vader om hier met de kinderen duidelijke afspraken over te maken. Van de moeder mag worden verwacht dat zij de kinderen stimuleert en aanspreekt op het op tijd vertrekken naar de vader. Maar dan nog kan het voorkomen dat een kind van de leeftijd van de kinderen van de ouders door getreuzel of door andere omstandigheden wat later komt. Kinderen kunnen er stress van krijgen als zij weten dat er in dat geval onrust tussen de ouders ontstaat. De ouders moeten daarom hun best doen om deze stress te voorkomen.
De uitvoerbaarheid bij voorraad
De rechtbank zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht.
Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van de ouders hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de rechtbank geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.
De kosten van deze procedure
De rechtbank zal beslissen dat iedere ouder de eigen proceskosten betaalt, omdat zij geen reden ziet om één van de ouders in de proceskosten te veroordelen.
De (kinder)rechter van deze rechtbank heeft [minderjarige 1] nog een kindbrief gestuurd om deze beslissing uit te leggen. Hier staat wat de (kinder)rechter aan [minderjarige 1] heeft geschreven:
“Beste [minderjarige 1] ,
Op 10 juni jl. spraken wij elkaar op de rechtbank. We hadden het erover dat jouw ouders aan mij hadden gevraagd om een beslissing te nemen over de vakantietoestemmingen en paspoorten. Ik heb daarna met jouw ouders en hun advocaten en iemand van de Raad voor de Kinderbescherming gesproken. Ik besef mij dat dit wel al best lang geleden is. Maar inmiddels heb ik een beslissing genomen. In deze brief leg ik uit wat mijn beslissing is.
Ik heb beslist dat jouw moeder met [minderjarige 2] en jou binnen Europa mag reizen, ook naar het Verenigd Koninkrijk, en dat daar geen aparte toestemming van jouw vader meer voor nodig is. Ook heb ik beslist dat jouw vader jullie Nederlandse paspoorten bewaard. Jouw vader moet ze wel direct aan jouw moeder of met jullie meegeven als jouw moeder daarom vraagt.
Ik heb niet beslist dat jouw vader mag reizen zonder toestemming van jouw moeder. Of dat jouw moeder direct jullie Britse paspoorten moet afgeven als jouw vader dat vraagt aan jouw moeder. Dit had jij wel zo aan mij gevraagd. Je wilde namelijk dat jouw ouders dezelfde vrijheden zouden hebben. Ik heb dit niet beslist omdat jouw vader dat niet aan mij had gevraagd. Ik mag alleen maar beslissen op wat jouw ouders aan mij vragen, vandaar. Ik vind wel dat jouw moeder altijd toestemming moet geven voor vakanties met jullie vader. Ik vind ook dat zij de Britse paspoorten moet afgeven als jullie en jouw vader dat nodig hebben voor een reis. Dat zou het geval kunnen zijn als jullie met jullie vader een keer zouden willen afreizen naar het Verenigd Koninkrijk. Omdat jij en [minderjarige 2] ook de Britse nationaliteit hebben, hebben jullie dan namelijk (ook) je Britse paspoorten nodig. Maar ik heb dit dus niet in mijn beslissing vastgelegd.
Ik heb jouw ouders nog verteld dat jij en [minderjarige 2] veel last hebben van dit gedoe. En dat jij heel graag wil dat zij normaal en zonder gedoe iets samen voor jullie zouden kunnen regelen. Ik ben het helemaal met jou eens dat jouw ouders daar allebei hun best voor moeten doen.
Ik wil jou nog bedanken voor de moeite die jij nam om met mij te praten. Voor jou was dit ook weer gedoe. Ik ben blij dat je er was. Ik heb daardoor een beter beeld van jou gekregen. Ik begreep daardoor nog beter waarom het belangrijk voor jou en [minderjarige 2] is dat jullie zonder gedoe tussen jullie ouders op vakantie kunnen gaan.
Ik wens je verder nog een fijne vakantie en veel succes in de toekomst.
….”
Hierna volgt de beslissing. De rechtbank gebruikt hier de begrippen uit de wet.
4. De beslissing
De rechtbank:
verleent de moeder vervangende toestemming, die de toestemming van de vader vervangt, om met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op vakantie te gaan binnen Europa (inclusief het Verenigd Koninkrijk), gedurende een periode van 36 maanden na datum van de beschikking, voor zover deze reizen plaatsvinden binnen de aan de moeder toekomende zorgperiodes volgens de geldende zorgregeling, telkens voor een aaneengesloten periode van maximaal vier weken, onder de voorwaarde dat de moeder uiterlijk twee weken voorafgaand aan vertrek aan de vader de vertrek- en aankomstdata en -tijden en de adresgegevens van de verblijfaccommodatie(s) verstrekt;
bepaalt dat de vader is gehouden de Nederlandse paspoorten van de kinderen aan de moeder af te geven, vier weken voor aanvang van haar reisperiode, dan wel op eerste verzoek van de moeder wanneer zij binnen vier weken voor vertrekdatum een reis boekt in de moeder toekomende zorg periode, waarbij de moeder alleen gehouden is te melden welk land de reisbestemming is, op straffe van een dwangsom van € 500,- per dag dat de vader weigert hieraan te voldoen, met een maximum van € 50.000,-.
bepaalt dat de moeder is gehouden de Nederlandse paspoorten van de kinderen aan de vader terug te geven binnen een week na terugkomst van de reis;
verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad;
bepaalt dat de ouders hun eigen proceskosten betalen;
wijst de verzoeken van de ouders voor het overige af.
Dit is de beslissing van de rechtbank, genomen door mr. L.A.C. de Vaan, (kinder)rechter, in samenwerking met mr. I.C. van Schip, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 augustus 2026.
Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.