ECLI:NL:RBMNE:2026:5844

ECLI:NL:RBMNE:2026:5844

Instantie Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak 05-08-2026
Datum publicatie 25-08-2026
Zaaknummer C/16/574470 / HL ZA 24-119
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Lelystad

Samenvatting

aanneming van werk

Uitspraak

RECHTBANK Midden-Nederland

Civiel recht

Zittingsplaats Lelystad

Zaaknummer: C/16/574470 / HL ZA 24-119

Vonnis van 5 augustus 2026

in de zaak van

[eiseres] B.V.,

te [plaats 1] ,

eisende partij in conventie,

verwerende partij in reconventie,

hierna te noemen: [eiseres] ,

advocaat: mr. E.S.R. Ester,

tegen

[gedaagde] ,

te [plaats 2] ,

gedaagde partij in conventie,

eisende partij in reconventie,

hierna te noemen: [gedaagde] ,

advocaat: mr. A. Knol.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 4 maart 2026,- de akte van [gedaagde] met producties 22-24,- de antwoordakte van [eiseres] met productie 37.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De verdere beoordeling

Het vonnis van 4 maart 2026

[eiseres] heeft in 2023 in opdracht van [gedaagde] het huis van [gedaagde] verbouwd. Tijdens de werkzaamheden zijn in september 2023 problemen ontstaan over hoe het werk werd uitgevoerd door [eiseres] en over de betaling door [gedaagde] van de facturen van [eiseres] . [eiseres] meent dat [gedaagde] onterecht de overeenkomst tussen hen heeft beëindigd. [eiseres] wil dat [gedaagde] alsnog de volledige aanneemsom betaalt, met aftrek van de besparingen van [eiseres] . [gedaagde] wil schadevergoeding van [eiseres] omdat [eiseres] haar werk niet goed heeft gedaan en het werk ook nog moest worden afgemaakt door een ander. Een uitgebreide uiteenzetting van de achtergrond van het geschil staat in het vonnis van 4 maart 2026 (hierna: het tussenvonnis).

Over wat zich in de periode waarin [eiseres] werkzaamheden uitvoerde voor [gedaagde] tussen partijen heeft afgespeeld, verschillen partijen op diverse punten van mening. In het tussenvonnis zijn daarover al knopen doorgehakt. Kort samengevat is in het tussenvonnis als volgt beslist:

- De tussen partijen overeengekomen aanneemsom bedroeg € 194.938,- incl. BTW. In dit bedrag is het minderwerk al verrekend. Dat daarbovenop nog meerwerk in rekening mocht worden gebracht, is niet komen vast te staan. Op de tussen partijen gesloten overeenkomst zijn geen algemene voorwaarden van toepassing.

- Van de totale aanneemsom heeft [eiseres] een bedrag van € 170.360,- (incl. BTW) in rekening gebracht bij [gedaagde] . Vaststaat dat [gedaagde] hiervan in ieder geval een bedrag van € 149.030,- heeft voldaan.

- De betaling door [gedaagde] van een bedrag van € 20.000,- is in geschil tussen partijen. Het gaat daarbij om twee door [gedaagde] gestelde betalingen van ieder € 10.000,- contant. Eén betaling zou hebben plaatsgevonden op 18 mei 2023 en de andere betaling op 29 juni 2023. Beide betalingen zijn door [eiseres] betwist. [gedaagde] heeft een deel van een opname van een telefoongesprek met [eiseres] in het geding gebracht. Dit gesprek vond medio september 2023 plaats. Volgens [gedaagde] zou uit deze opname blijken dat tussen partijen is besproken dat door [gedaagde] in totaal een bedrag van € 169.000,- is betaald. [eiseres] heeft een andere visie op wat tijdens dit gesprek is besproken. Op basis daarvan was de rechtbank van oordeel dat het bewijs van deze contante betalingen nog niet was geleverd. De rechtbank heeft [gedaagde] daarop bevolen een volledig transcript van het telefoongesprek, gemaakt door een beëdigd vertaler, in het geding te brengen.

- In het geval de contante betalingen van in totaal € 20.000,- komen vast te staan, was [gedaagde] niet in verzuim met zijn betalingsverplichting aan [eiseres] . [eiseres] heeft in dat geval onterecht haar werkzaamheden opgeschort. [gedaagde] mocht daarop de verplichting van [eiseres] tot nakoming van de overeenkomst omzetten in een verplichting tot betaling van vervangende schadevergoeding. Die vervangende schadevergoeding is begroot op een bedrag van € 40.000,-. Na verrekening met het bedrag van de aanneemsom dat [gedaagde] nog verschuldigd was aan [eiseres] , resteert voor [eiseres] nog een betalingsverplichting aan [gedaagde] van € 14.092,-. [eiseres] moet, als het bewijs van de contante betaling volledig slaagt, ook de door [gedaagde] gemaakte deskundigenkosten en buitengerechtelijke kosten betalen.

- In het geval de contante betalingen niet, of slechts voor een deel komen vast te staan, is [gedaagde] wel in verzuim geraakt met zijn betalingsverplichting aan [eiseres] . In dat geval heeft [eiseres] haar werkzaamheden terecht mogen opschorten en heeft de omzettingsverklaring van [gedaagde] geen effect. Het uitbrengen van de omzettingsverklaring moet dan worden gezien als een opzegging door [gedaagde] van de overeenkomst. [gedaagde] is in dat geval de restant-aanneemsom verschuldigd aan [eiseres] . Als geen van de contante betalingen komt vast te staan, is [gedaagde] een bedrag van € 45.908,- verschuldigd (€ 194.938,- min € 149.030,-). Als één van de contante betalingen komst vast te staan is [gedaagde] aan [eiseres] nog een bedrag verschuldigd van € 35.908,- (€ 194.938,- min 159.030,-). In beide gevallen moet van het door [gedaagde] aan [eiseres] te betalen bedrag nog worden afgetrokken het bedrag aan kosten dat [eiseres] heeft bespaard doordat zij het werk niet volledig heeft hoeven afmaken. Het bedrag aan besparingen is begroot op € 22.375,-. Bij het (deels) niet geleverde bewijs van contante betalingen, komt de betalingsverplichting van [gedaagde] dan neer op € 23.533,-, respectievelijk € 13.533,-. Daarnaast moet [gedaagde] in dat geval de door [eiseres] gemaakte deskundigenkosten en buitengerechtelijke kosten betalen.

- [gedaagde] heeft geen aanspraak op vertragingsschade.

- De door [eiseres] gevorderde verklaring voor recht, in combinatie met een verwijzing naar de schadestaat zal worden afgewezen.

Dit betekent dat enkel nog ter beoordeling voorligt de vraag of de contante betalingen op 18 mei 2023 en 29 juni 2023 van ieder € 10.000,- zijn komen vast te staan. Volgens [gedaagde] erkent [eiseres] in dit gesprek dat [gedaagde] op dat moment een bedrag van € 169.000,- heeft betaald. In het door [gedaagde] overgelegde fragment van het gesprek zegt [gedaagde] : “Ik heb nu 180 duizend euro aan u betaald, 179 duizend euro aan u betaald. Daar heeft u het zelf op papier staan.”

[eiseres] reageert: “U heeft mij 169 duizend gegeven” Daarop zegt [gedaagde] : “169 duizend heb ik u betaald, klopt dat? Klopt dat?” Waarop [eiseres] reageert met: “Ja”.

[eiseres] heeft dit bewijs bestreden. Volgens [eiseres] zou [gedaagde] in dat gesprek gezegd hebben dat hij € 170.360,- heeft betaald. Daarop zou [eiseres] geantwoord hebben dat [gedaagde] € 169.000,- in zijn boekhouding had staan waarvan hij nog € 20.000,- zou moeten betalen. Door deze stelling van [eiseres] was het bewijs van de betaling door [gedaagde] van in totaal € 169.000,- nog niet geleverd. De rechtbank heeft daarom aanleiding zien om [gedaagde] op te dragen het volledige gesprek in het geding te brengen.

Het bewijs van betaling van € 169.000,- is geleverd

[gedaagde] heeft de volledige opname van het bewuste telefoongesprek en een beëdigde vertaling daarvan in het geding gebracht. Uit deze opname blijkt dat [eiseres] , anders dan zij stelde, op geen enkel moment tijdens dat gesprek heeft gezegd dat [gedaagde] nog € 20.000,- zou moeten betalen. Uit dat gesprek volgt juist een bevestiging door [eiseres] dat [gedaagde] in totaal op dat moment wél al € 169.000,- heeft betaald. Verderop in het gesprek (rond 4:33) antwoordt [eiseres] in reactie op de vraag van [gedaagde] hoeveel hij nou betaald heeft: “Tot nu toe heb ik berekend: 169 duizend en een klein bedrag erbij.”

[eiseres] heeft hiertegen nog ingebracht dat uit het gesprek juist zou volgen dat er onduidelijkheid en discussie was en dat uitspraken in ‘the heat of the moment’ gedaan zouden zijn. Verder zou aan de uitspraken van [eiseres] geen zware betekenis mogen worden gegeven omdat zij op dat moment haar administratie niet bij zich had. De rechtbank gaat hier niet in mee. Voor zover er sprake was van onduidelijkheid, was dat aan de zijde van [gedaagde] . [eiseres] zelf was juist overtuigd van de totaalsom die [gedaagde] had betaald en is daar consistent in gebleven tijdens het gesprek. Het zal zo zijn dat [eiseres] tijdens het gesprek haar administratie niet bij zich had, maar gelet op de overtuiging van [eiseres] hoeft daar verder geen betekenis aan te worden gegeven. [eiseres] verwijst nota bene zelf naar een door haar uitgevoerde berekening waaruit de door [gedaagde] betaalde totaalsom volgt. Hoe het betalingsverloop tot aan dit gesprek ook is geweest, op basis van dit gesprek is onomstotelijk komen vast te staan dat [gedaagde] vóór het uitbrengen van de ingebrekestelling van 19 september 2023 in totaal € 169.000,- (en een beetje) heeft betaald.

[eiseres] moet aan [gedaagde] een vergoeding betalen

Dat betekent dat [gedaagde] niet in verzuim was met zijn betalingsverplichting aan [eiseres] . [eiseres] heeft onterecht haar werkzaamheden opgeschort. Daardoor heeft [gedaagde] de verplichting van [eiseres] tot nakoming van de overeenkomst mogen omzetten in een verplichting tot betaling van vervangende schadevergoeding. De betalingsverplichting van [eiseres] bedraagt € 14.092,-. Dat is het bedrag dat resteert na verrekening van de vervangende schadevergoeding met het bedrag van de aanneemsom dat [gedaagde] nog verschuldigd was aan [eiseres] . [eiseres] zal tot betaling van dit bedrag worden veroordeeld. Daarnaast zal [eiseres] ook worden veroordeeld tot betaling van de door [gedaagde] gemaakte deskundigenkosten en buitengerechtelijke kosten.

Het door [eiseres] gelegde beslag moet worden opgeheven

Dit betekent ook dat de vorderingen van [eiseres] in conventie moeten worden afgewezen en dat het door [eiseres] ter verzekering van verhaal van haar vordering gelegde conservatoire beslag op de woning van [gedaagde] moet worden opgeheven.

De vorderingen tot afgifte sleutels, afstandsbediening en ladder worden afgewezen

[gedaagde] heeft afgifte van sleutels, afstandsbediening en ladder gevorderd. [eiseres] heeft betwist deze zaken onder zich te hebben. [gedaagde] heeft zijn vordering op dit punt onvoldoende geconcretiseerd en onderbouwd.

[eiseres] moet de proceskosten in conventie en in reconventie betalen

[eiseres] is zowel in conventie als reconventie in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen.

De proceskosten van [gedaagde] in conventie worden begroot op:

- griffierecht

2.626,00

- salaris advocaat

5.127,50

(2,5 punten × € 2.051,00)

- nakosten

148,00

(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

7.901,50

De proceskosten van [gedaagde] in reconventie worden begroot op:

- salaris advocaat

2.051,00

(1 punt × € 2.051,00)

- nakosten

148,00

(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

2.199,00

3. De beslissing

De rechtbank

in conventie

wijst de vorderingen van [eiseres] af,

veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van € 7.901,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,

in reconventie

veroordeelt [eiseres] tot betaling aan [gedaagde] van een bedrag van € 14.092,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 11 december 2023, tot de dag van volledige betaling,

veroordeelt [eiseres] om aan [gedaagde] te betalen een bedrag van € 1.071,00 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, vanaf de dag van dagvaarding, tot de dag van volledige betaling,

veroordeelt [eiseres] om aan [gedaagde] te betalen een bedrag van € 1.250,00 aan deskundigenkosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, vanaf de dag van dagvaarding, tot de dag van volledige betaling,

heft op het door [eiseres] ten laste van [gedaagde] gelegde conservatoire beslag op de onroerende zaak aan de [adres] te [plaats 2] ,

veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van € 2.199,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,

wijst het meer of anders gevorderde af,

in conventie en in reconventie

veroordeelt [eiseres] tot betaling van € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiseres] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.M.M. Steenberghe en in het openbaar uitgesproken op 5 augustus 2026.

4403

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand