RECHTBANK Midden-Nederland
Civiel recht
Zittingsplaats Lelystad
Zaaknummer: C/16/613574 / HL ZA 26-176
Vonnis in incident van 5 augustus 2026
in de zaak van
1. [procesdeelneemster 1] B.V,
te [plaats 1] ,2. [procesdeelneemster 2] B.V.,
te [plaats 1] ,3. [procesdeelnemer 3],
te [plaats 1] ,
eisende partijen in de hoofdzaak, verwerende partijen in het incident,
hierna samen te noemen: [procesdeelnemer 3] c.s., in mannelijk enkelvoud,
advocaat: mr. J.N. Heeringa,
tegen
1. [procesdeelnemer 4] mede handelend onder de naam [handelsnaam] ,
te [plaats 2] ,
gedaagde partij in de hoofdzaak, eisende partij in het incident,
advocaat: mr. J.J. van Kuijk,2. [procesdeelneemster 5] B.V.,
te [plaats 3] ,
advocaat: mr. J.J. Wittekamp,
gedaagde partij in de hoofdzaak,
hierna samen te noemen: [procesdeelnemer 4] c.s., in mannelijk enkelvoud.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties van 9 juni 2026,
- de conclusie van antwoord, tevens incidentele vordering tot opheffing van het conservatoire beslag, met producties,
- de conclusie van antwoord in het incident met producties.
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.
2. De hoofdzaak in het kort
[procesdeelnemer 4] c.s. heeft meerdere Bentleys gekocht uit de collectie van [procesdeelnemer 3] . [procesdeelnemer 3] betoogt dat de heer [A] , die bij de verkoop betrokken was, onbevoegd was om de auto’s uit de bijzondere collectie van [procesdeelnemer 3] aan [procesdeelnemer 4] te verkopen. Volgens [procesdeelnemer 3] heeft [A] de auto’s zonder de voor verkoop vereiste goedkeuring van [procesdeelnemer 3] ver onder de marktwaarde aan [procesdeelnemer 4] c.s. verkocht. [procesdeelnemer 3] wil dat de koopovereenkomsten vernietigd worden en dat de voertuigen worden teruggeleverd, omdat sprake is van onbevoegde vertegenwoordiging dan wel dwaling. Voor zover de auto’s niet meer in de macht van [procesdeelnemer 4] c.s. zijn, vordert [procesdeelnemer 3] betaling van de vervangingswaarde, primair op grond van een vervangende schadevergoeding wegens niet nakoming van de ongedaanmakingsverbintenis, subsidiair op grond van onrechtmatige daad en meer subsidiair op grond van ongerechtvaardigde verrijking.
[procesdeelnemer 4] is het niet met de vorderingen van [procesdeelnemer 3] eens. [procesdeelnemer 4] voert aan dat [A] [procesdeelnemer 3] rechtsgeldig vertegenwoordigd heeft en dat [procesdeelnemer 3] zelf toestemming heeft gegeven voor de verkoop van de Bentley T2. [procesdeelnemer 4] verwijst naar berichten waaruit volgens [procesdeelnemer 4] blijkt dat [procesdeelnemer 3] de toestemming geeft en dat [procesdeelnemer 3] zijn collectie van de hand deed omdat hij in geldnood zat. De prijs is volgens [procesdeelnemer 4] marktconform voor een klassieke Bentley T2 ‘met werk’. [procesdeelnemer 4] betwist dat sprake zou zijn van een vooropgezet plan om met de koop voor een lagere prijs geld te verdienen. Subsidiair doet [procesdeelnemer 4] een beroep op verkrijging te goeder trouw. Meer subsidiair verzoekt [procesdeelnemer 4] de rechtbank om de vernietiging aan haar werking te ontzeggen, omdat [procesdeelnemer 4] veel tijd heeft gestoken in het herstellen van het voertuig, wat moeilijk ongedaan gemaakt kan worden. [procesdeelnemer 4] vordert (als de vorderingen van [procesdeelnemer 3] worden toegewezen) in reconventie terugbetaling van de koopsom van € 19.000,- en € 4.632,51 voor de onderdelen voor het herstel van de Bentley T2.
3. De beoordeling in het incident
De incidentele vordering
[procesdeelnemer 4] vordert in dit incident opheffing van het beslag dat [procesdeelnemer 3] op de Bentley T2 heeft gelegd. [procesdeelnemer 4] vindt dat het beslag summierlijk ondeugdelijk is gebleken, omdat volgens [procesdeelnemer 4] uit de Whatsappcorrespondentie tussen [A] en [procesdeelnemer 3] blijkt dat [procesdeelnemer 3] toestemming heeft verleend voor de verkoop van de Bentley T2. [procesdeelnemer 4] concludeert dat het beslag daarom op grond van artikel 705 lid 2 Rv opgeheven moet worden.
[procesdeelnemer 3] heeft verweer gevoerd tegen de incidentele vordering. Volgens [procesdeelnemer 4] blijkt uit de berichten niet dat [procesdeelnemer 3] afzonderlijke toestemming heeft gegeven voor de verkoop van de Bentley T2 aan [procesdeelnemer 4] voor een bedrag van € 19.000,-. De opmerking van [procesdeelnemer 4] dat “we geen keuze hebben” heeft volgens [procesdeelnemer 4] slechts betrekking op de liquiditeitspositie van [procesdeelnemer 3] in algemene zin en op het algehele voornemen om (een deel van) de collectie voertuigen te verkopen.
Het beslag wordt niet opgeheven
[procesdeelnemer 4] heeft voldoende processueel belang bij de incidentele vordering. De gevraagde voorlopige voorziening hangt samen met de hoofdvordering en kan voor de duur van de aanhangige bodemprocedure worden gegeven. Daarmee is voldaan aan de formele eisen van artikel 223 Rv.
Vervolgens is de vraag of het beslag moet worden opgeheven. Voor de beoordeling daarvan moet worden aangesloten bij de maatstaven voor opheffing van een beslag uit artikel 705 Rv. Op grond van lid 2 van dat artikel kan een beslag onder meer worden opgeheven bij verzuim van op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen, als summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht of als van het onnodige van het beslag blijkt. Het ligt in de eerste plaats op de weg van degene die de opheffing van het beslag vordert om aannemelijk te maken dat de door de beslaglegger gepretendeerde vordering ondeugdelijk of onnodig is. Er zal evenwel beslist moeten worden aan de hand van wat door beide partijen naar voren is gebracht en summierlijk met bewijsmateriaal is onderbouwd.
Bij de beoordeling van een opheffingsvordering moeten ook de wederzijdse belangen van partijen worden afgewogen. Daarbij moet worden beoordeeld of het belang van de beslaglegger bij handhaving van het beslag op grond van de door deze naar voren gebrachte omstandigheden zwaarder moet wegen dan het belang van de beslagene bij opheffing van het beslag. De Hoge Raad heeft hieraan toegevoegd dat een conservatoir beslag naar zijn aard ertoe strekt om te waarborgen dat, zo een vooralsnog niet vaststaande vordering in de bodemprocedure wordt toegewezen, verhaal mogelijk zal zijn, terwijl de beslaglegger bij afwijzing van de vordering zal kunnen worden aangesproken voor de door het beslag ontstane schade.
De rechtbank is van oordeel dat op dit moment, gelet op de uiteenlopende stellingen van partijen, niet zonder meer kan worden geoordeeld dat de vordering van [procesdeelnemer 3] summierlijk ondeugdelijk is. [procesdeelnemer 4] heeft de vorderingen van [procesdeelnemer 3] weliswaar inhoudelijk betwist, maar er kan niet op voorhand met voldoende mate van zekerheid worden aangenomen dat de rechter in de hoofdzaak tot het oordeel zal komen dat [procesdeelnemer 3] geen vorderingsrecht toekomt. Partijen hebben voor het overgrote deel elkaars stellingen gemotiveerd betwist, waarbij ze ook standpunten innemen die een nadere toelichting behoeven. Deze (in de regel schriftelijke) procedure tot het treffen van een voorlopige voorziening leent zich in beginsel niet voor een dergelijk onderzoek. De gegrondheid van de vorderingen van [procesdeelnemer 3] moet verder in de hoofdzaak worden beoordeeld. In dit incident kan niet worden vooruitgelopen op de beoordeling in de hoofdzaak. Bovendien is niet summierlijk gebleken van een wanverhouding tussen de gelegde beslagen enerzijds en de vordering anderzijds.
Een afweging van de belangen van partijen maakt dit oordeel niet anders. [procesdeelnemer 4] heeft zijn belang bij opheffing van het beslag niet expliciet toegelicht. [procesdeelnemer 4] voert aan dat hij de Bentley in privégebruik heeft en gebruikt voor tourritjes met het gezin. Daar staat tegenover dat [procesdeelnemer 3] een zwaarwegend belang heeft bij het behoud van voldoende mogelijkheden tot verhaal van hun vorderingen in de hoofdzaak. Zijn belang bij handhaving van het beslag weegt zwaarder dan het belang van [procesdeelnemer 4] bij opheffing ervan.
Gelet op het voorgaande zal de incidentele vordering tot het treffen van een voorlopige voorziening worden afgewezen.
De proceskosten in incident
[procesdeelnemer 4] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [procesdeelnemer 3] c.s. worden begroot op € 2.051,00 aan salaris advocaat (1 punt × € 2.051,00).
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
4. De beoordeling in de hoofdzaak
De rechtbank zal een mondelinge behandeling bevelen om inlichtingen over de zaak te vragen, partijen gelegenheid te geven hun stellingen nader te onderbouwen en om te onderzoeken of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden.
De rechtbank wijst erop dat zij uit een niet verschijnen van een partij op de mondelinge behandeling de gevolgtrekkingen - ook in het nadeel van die partij - kan maken die zij geraden zal achten.
Op de mondelinge behandeling wordt aan de advocaten van partijen de gelegenheid geboden de juridische standpunten van partijen nader toe te lichten. Daarbij mag gebruik worden gemaakt van beknopte spreekaantekeningen. Uitgebreide mondelinge en schriftelijke uiteenzettingen zijn niet toegestaan.
Op de mondelinge behandeling zal, eventueel aan de hand van een voorlopig oordeel over de zaak, worden beslist hoe de procedure verder zal gaan. Daarbij kan ook de mogelijkheid van een schikking aan de orde komen. Partijen moeten er op voorbereid zijn dat de rechtbank tijdens of na de mondelinge behandeling direct mondeling uitspraak kan doen.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
5. De beslissing
De rechtbank
in het incident
wijst de incidentele vordering tot het treffen van een voorlopige voorziening af,
veroordeelt [procesdeelnemer 4] in de proceskosten van € 2.051,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [procesdeelnemer 4] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt [procesdeelnemer 4] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,
in de hoofdzaak
beveelt een mondelinge behandeling en verschijning van partijen, bijgestaan door hun advocaten, voor het geven van inlichtingen, het nader onderbouwen van hun stellingen en het beproeven van een minnelijke regeling, door een nog aan te wijzen rechter van deze rechtbank, in het gerechtsgebouw te Lelystad, Stationsplein 15, op een door de rechtbank vast te stellen datum en tijd,
bepaalt dat [procesdeelnemer 3] en [procesdeelnemer 4] dan in persoon aanwezig moeten zijn en dat [procesdeelneemster 1] B.V, [procesdeelneemster 2] B.V. en [procesdeelneemster 5] B.V. dan vertegenwoordigd moeten zijn door iemand die van de zaak op de hoogte is en hetzij rechtens hetzij op grond van een bijzondere schriftelijke volmacht bevoegd is haar te vertegenwoordigen,
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van maandag 11 november 2026 voor een schriftelijke opgave van de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten in de maanden januari 2027 tot en met april 2027, waarna dag en uur van de mondelinge behandeling zullen worden bepaald,
bepaalt dat bij gebreke van de gevraagde opgave(n) de rechtbank het tijdstip van de mondelinge behandeling zelfstandig zal bepalen,
bepaalt dat na de vaststelling van het tijdstip van de mondelinge behandeling dit in beginsel niet zal worden gewijzigd,
wijst partijen er op, dat voor de mondelinge behandeling 90 minuten zal worden uitgetrokken,
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.M.M. Steenberghe en in het openbaar uitgesproken op 5 augustus 2026.
!
PM/45352